Menu

Premium

Geslacht

Het woord ‘geslacht’ komt in de Nederlandse taal in verschillende betekenissen voor. Het kan ‘kunne’ of ‘sekse’ betekenen: iemand is van het mannelijk of vrouwelijk geslacht. In de taalkunde wordt gesproken over zowel het mannelijk en het vrouwelijk als het onzijdig geslacht van woorden. In de plant- en dierkunde is een geslacht een verzameling van verwante soorten van dieren en planten. In een Nederlands woordenboek wordt de betekenis waar het hier om gaat als volgt omschreven: ‘de gezamenlijke personen die uit een gemeenschappelijke stamvader zijn gesproten, stamhuis of familie’. We spreken nog altijd over adellijke geslachten en sommige mensen kunnen met gepaste trots verklaren tot een oud geslacht te behoren.

Grondtekst

In het Hebreeuws komen verschillende woorden voor die ook met ‘geslacht’ vertaald zouden kunnen worden: dor heeft vooral de betekenis van ‘generatie’ (Gen. 7:1; 15:16; Ex. 3:15); generaties/geslachten komen en gaan (Ps. 71:18; 145:4); tot in duizend geslachten (Deut. 7:9). Het woord misjpachah komt 300x in het Oude Testament voor (154x in het boek Numeri). Het betekent ‘familie’: een brede kring van bloedverwanten (o.a. Num. 1:2; 2:34; 3:15; Joz. 6:23; 7:14; Richt. 1:25; 1 Sam. 9:21; 18:18). Op 228 plaatsen is zèra’ te vinden. De term komt allereerst voor in woordcombinaties die betrekking hebben op ‘zaad’ dat op het land gezaaid wordt, hetzij door de mens, hetzij door de natuur (Gen. 1:11,29; Gen. 8:22; Gen. 47:19; Lev. 11:37; 26:5,16; 1 Sam. 8:15; Ps. 126:6). Daarnaast heeft het woord zèra’ de betekenis van nakomeling(en), nageslacht (o.a. Gen. 12:7; 15:3; 1 Sam. 2:20; 2 Sam. 7:12; 2 Kon. 17:20). Tenslotte moet het woord toledot worden genoemd. Het betekent in de eerste plaats eveneens nageslacht, nakomeling(en) en nakomelingschap (Gen. 5:1; 10:1,32; 11:10,27; Ex. 6:16,19; Num. 1:20-42); en een enkele maal ‘generatie’ of ‘tijdgenoten’ (Gen. 2:4; 6:9; 37:2; Ex. 28:10). Het Grieks kent het woord genea dat meestal met ‘geslacht’ (NBG-1951) of ‘generatie’ (Willibrord) wordt vertaald (vooral in de synoptische evangeliën: Mat. 1:17; 11:16; 12:39-45; 16:4; 17:17; 23:36; 24:34; Mar. 8:12,38; 9:19; 13:30; Luc. 1:48,50; 7:31; 9:41; 11:29-32,50-51; 16:8; 17:25; 21:32). In het Nieuwe Testament komt het woord sperma (= zaad) ook in de betekenis van ‘nageslacht’ voor: onder andere zaad van Abraham (Joh. 8:33,37; Rom. 4:13; 9:7; 11:1; 2 Kor. 11:22; Gal. 3:16,29; Hebr. 2:16) en zaad van David (Joh. 7:42; Rom. 1:3; 2 Tim. 2:8).

Letterlijk en concreet

a.Het Oude Testament bevat verscheidene geslachtsregisters of stambomen. In het boek Genesis staan twee lijsten van de nakomelingen van Sem, Cham en Jafet, de zonen van Noach (Gen. 10:1-32; 11:10-32). De eerste hoofdstukken van 1 Kronieken bestaan vrijwel uitsluitend uit geslachtsregisters (1 Kron. 1-9). Ook het evangelie van Matteüs begint met een geslachtsregister van Jezus Christus, ‘zoon van David, zoon van Abraham’ (Mat. 1:1). De evangelist meende een opmerkelijke orde in de geschiedenis te hebben ontdekt. Aan het einde van zijn opsomming constateert hij: ‘In totaal zijn er dus van Abraham tot David veertien generaties, van David tot de ballingschap in Babylon veertien generaties, en van de ballingschap in Babylon tot de Messias (‘Christus’ in NBG-1951) veertien generaties’ (Mat. 1:17). Een vergelijking met de bronnen waaraan de evangelist zijn gegevens ontleende – onder meer de eerder genoemde geslachtsregisters – leert dat hij getracht heeft de geschiedenis enigszins naar zijn hand te willen zetten. Zo regelmatig – steeds perioden van veertien generaties – is de geschiedenis helaas niet verlopen.

b.Uit bovenstaande voorbeelden kan worden afgeleid dat in het oude Israël, maar het geldt evenzeer voor de vroeg-joodse traditie, veel waarde werd gehecht aan de vraag tot welk geslacht of tot welke ‘stam’ iemand behoorde. Daarvoor waren verschillende redenen. In de eerste plaats bestond het volk Israël uit niet minder dan twaalf stammen. Na de verovering van het beloofde land kregen de verschillende stammen hun woonplaatsen aangewezen (Joz. 15-22). De tweedeling van het rijk na de dood van koning Salomo had vergaande gevolgen voor de lotgevallen van de verschillende stammen: in het noorden ontstaat het koninkrijk Israël dat tien van de twaalf stammen omvat; de overige twee stammen – Juda en Benjamin -vormen het koninkrijk Juda, met Jeruzalem als hoofdstad en geestelijk centrum (de tempel!) en met de dynastie van David op de troon. In 722 gaat het tienstammenrijk ten onder. Het dramatisch einde wordt in de bijbel als volgt beschreven: ‘De Israëlieten bedreven alle zonden die Jerobeam begaan had en zij hielden daar niet mee op, totdat de Heer Israël niet langer onder zijn ogen duldde en het wegvaagde, zoals Hij gezegd had door zijn dienaren, de profeten. Zo ging Israël in ballingschap naar Assur, en daar, ver van zijn land, is het tot op de dag van vandaag’ (2 Kon. 17:23). De laatste woorden roepen het raadsel van de verdwenen stammen op. Na ruim een eeuw ging ook het koninkrijk Juda ten onder, de tempel werd verwoest en de bevolking werd in ballingschap gevoerd. Aan die ballingschap kwam echter een einde. De Perzische koning Cyrus (Kores) verleende de ballingen toestemming naar hun land terug te keren. Vanaf dat moment spreken we niet meer over het volk Israël, maar over het joodse volk.

c.Om nog een andere reden speelde de afstamming een essentiële rol. Tal van ambten waren gebonden aan een stam of een geslacht. Ten overstaan van koning David spreekt de profeet Natan over een eeuwig koningschap: ‘Zo zullen uw huis en uw koninklijke macht blijven bestaan voor altijd; uw troon staat voor eeuwig vast’ (2 Sam. 7:16). Priester konden alleen zij worden die tot de stam van de Levieten behoorden, mannen die van Levi afstamden. Tot de tijd van de Makkabeeën stamden de hogepriesters af van Sadok, de opperpriester van zowel David als Salomo (vanaf 2 Sam. 8:17 tot 1 Kon. 15:33).

d.Uit de geschiedenis van het joodse volk rondom het begin van de jaartelling blijkt overigens dat er regelmatig spanningen ontstonden tussen ideaal en werkelijkheid, tussen de traditie en de realiteit. De afstammelingen van de Makkabeeën die als Hasmoneeën gedurende een eeuw op de troon te Jeruzalem als joodse vorsten regeerden, waren van origine priesters en dus géén afstammelingen van David. Na hun ondergang in 63 v.Chr. wordt in de Psalmen van Salomo, een vroeg-joods geschrift dat enige tijd later geschreven werd, dat feit als één van de belangrijkste oorzaken gezien van het tragische einde van dit koningschap. Vervolgens wordt deblik hoopvol op de toekomst gericht in de verwachting dat de komst van een nieuwe zoon van David niet lang meer op zich zal laten wachten. Hij zal orde op zaken stellen en dankzij zijn krachtig optreden zal het land Israël van goddeloze vijanden gereinigd worden.

e.Er waren in die tijd meer zaken die niet in overeenstemming waren met Schrift en traditie. De hogepriesters die ten tijde van Jezus dit hoge ambt bekleedden, Annas en diens schoonzoon Kajafas (Mat. 26:57; Joh. 18:13-14), waren geen afstammelingen van Sadok. De heilige verontwaardiging van de Zeloten, de ijveraars die ijverden voor een radicale gehoorzaamheid aan de Tora, richtte zich ook op deze dynastie van ‘onwettige’ hogepriesters.

Beeldspraak en symboliek

a.De afkomst van een mens bepaalt in belangrijke mate zijn/haar leven. Dat is in de letterlijke betekenis van het woord het geval, het geldt ook in geestelijke of figuurlijke zin. Mensen hebben voorouders. Het verleden dragen ze in hun genen mee. Bijbels gesproken zijn ze ‘zaad van… ‘ (bijv. van Abraham, Gal. 3:29; of van David, Hand. 13:23). Ze komen ergens vandaan en ze horen ergens bij: ouders, gezin, familie, stam, geslacht. Zo kan men in lijfelijke zin tot het nageslacht van Abraham behoren, maar ook in geestelijke zin. In die betekenis gebruikt Paulus het woord en maakt daarmee duidelijk dat ook de christenen uit de heidenen deel hebben aan, erfgenaam zijn van de belofte die Abraham ontving: ‘in u zullen alle geslachten op aarde worden gezegend’ (Gen. 12:1-3; 15:6; Gal. 3:6-9).

b.In een ruimere betekenis van het woord kan ‘geslacht’ ook ‘generatie’ betekenen (Mar. 13:30; Mat. 24:34) of een bepaalde groep mensen die in positieve of negatieve zin een bepaalde geestelijke band met elkaar hebben. Zo kunnen de tijdgenoten van Jezus die zich tegen hem keren, met ‘dit geslacht/deze generatie’ worden aangeduid: ‘Waarmee zal Ik (= Jezus) deze generatie vergelijken? Ze zijn als kinderen die op de marktpleinen zitten en de andere toeroepen: Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld en jullie hebben niet gedanst. We hebben een treurlied gezongen en jullie hebben niet gejammerd’ (Mat. 11:16-17). Het verwijt is onmiskenbaar: deze generatie kijkt toe, wacht af en weigert het spel mee te spelen.

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 24; 51; 47; 69; 71; 72; 89; 90; 96; 102; 105; Gezang 3; 36; 66; 95; 163; 165; 267; 439; 476; 488; Eva I: 9; II: 1; 6; 16; Hoop: 49; 63; 96; Liederen: 20; 57; 66; Zingend V: 57; VI: 60; 75; 79.

b.Poëzie:

Geert Bogaard, Brood en wijn, Nijkerk 1975, blz. 14: ‘Geslachtsregister’. Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1980, blz. 529: ‘De Nazaten’; 615: ‘Genesis. Ida Gerhardt,De zomen van het volle licht, Amsterdam 1983, blz. 54: ‘Het distelzaad. Van der Graft,Mythologisch, Baarn 1997, blz. 256: ‘Adam en Eva’; 273: ‘Het werk van het worden’. J.W. Oerlemans, De gedichten van nu en vroeger, Amsterdam 1992, blz. 76: ‘Mijn vader’. Huub Oosterhuis, Levende die mij ziet, Kampen/Tielt 1999, blz. 137-139: ‘Aan familie’.

c.Verwerking:

In onze cultuur bestaat een toenemende belangstelling voor genealogie. Talloze families hebben hun stamboom onderzocht of zijn daar mee bezig. Kennelijk willen wij weten waar we vandaan komen en wie onze voorouders waren. Het besef groeit dat ons geslacht van vandaag het voorlopige eindpunt is van een eeuwenlange familietraditie. De uitleg van het woord geslacht kan beginnen met het noemen van de huidige belangstelling voor stamboomonderzoek. Van daaruit is het goed mogelijk het bijbelse begrip geslacht voor het voetlicht te brengen. Het begrip draagt de volgende thema’s in zich mee: geschiedenis en geschiedenisbesef, messiaanse verwachting, toekomst en gemeenschap.

Verwijzing

Wie nadenkt over geslacht komt onherroepelijk in aanraking met de woorden ‘zaad‘, ‘geboorte‘ en ‘eerstgeborene‘. Eveneens zien we verbindingen met ‘vader‘, ‘moeder‘, ‘zoon‘ en ‘dochter‘.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken