Menu

Premium

Muur

wand, omheining, afrastering, scheidswand, tussenmuur

Overal om ons heen staan muren. Allereerst letterlijke muren, die ons beschermen maar evengoed het zicht ontnemen. Daarnaast figuurlijke muren, die vervreemding aanwakkeren en afstand bewaren.

In de bijbelse taal treffen we het woord ‘muur’ en daaraan verwante woorden frequent aan. Dat is niet zo verwonderlijk als we ons realiseren, dat voor de inrichting van het sociale, godsdienstige en economische leven in de bijbelse tijd muren zeer noodzakelijk waren. Naast de letterlijke betekenis, komen we de muur ook tegen als beeld en metafoor. Daarbij komen begrippen op als bescherming, veiligheid, (af)scheiding en vervreemding.

Grondtekst

Het Hebreeuws kent verschillende woorden met de betekenis muur, omheining of afscheiding. Allereerst is daar chomah (ca. 120x), primair’muur’ (om stad, stadsdeel of gebouw). De woor-dengroep waartoe het behoort, bevat de aspecten bescherming, beschutting en heilig gebied. Een tweede vaak voorkomend woord (74x) is qier, primair ‘wand’ of ‘zijde’ (van huis, gebouw of bouwsel); secondair ‘muur’ (van stad). Hierin schuilt het element van scheiding. Een derde woord (13x) is gader: primair ‘omheining’ (van wijnberg, akker of bron) en secondair ‘muur’ (van stad). Het hangt samen met gdr, ‘iets ommuren, een cirkel maken’. Voor de ‘omheining’ van de verblijfplaats van schapen verschijnt gederah (8x), ook gebruikt voor stadsmuur: o.a. Numeri 32:16,24,37; Nahum 3:17. In Ezechiël 42:12 is gfdèrèt de muur van het pries-tervertrek. De solalah (11x) is de ‘stormwal’, een oprit om de stadsmuur te rammen. Om ‘voormuur’ of ‘voorwerk’ (van stadsmuur of vesting) aan te geven, bezigt het Hebreeuws cheel (9x; o.a. 2 Sam. 20:15; Jes. 26:1; Ob. 20). Het woord sjoer, ‘muur’ (van bron of vesting) zien we in Genesis 49:22 en 2 Sam. 22:30 (= Ps. 18:30). Het Aramese ketal, ‘wand’ (van paleis of tempel) verschijnt in Daniël 5:5 en Ezra 5:8. Eenmaal treffen we chaits, ‘binnenwand’ of ‘tussenwand’ aan (Ez. 13:10; vgl. Ef. 2:14), en eenmaal in Hooglied 2:9 kotèl, ‘muur’ van woning.

Het Nieuwe Testament kent ook meerdere woorden voor scheiding en afscheiding. We noemen: teichos: ‘muur’ (van de stad), in Handelingen 9:25; 2 Korintiërs 11:33; Hebreeën 11:30; Openbaring 21 (6x). In de Septuaginta is dit woord bijna steeds de weergave van chomah. Verder ontmoeten we fragmos, primair ‘omheining’ (van wijngaard of stuk land) en secondair ‘afrastering’ en ‘muur’ (Mat. 21:33; Mar. 12:1; Luc. 14:23; Ef. 2:14). Het woord mesotoichon, ‘tussenwand’, alleen in Efeziërs 2:14, is theologisch van groot belang vanwege de verhouding Joden en niet-Joden. De toichos is de ‘wand’, alleen in Handelingen 23:3, als scheldwoord.

Letterlijk en concreet

a.Zeer belangrijk in het oude Nabije Oosten is de muur om de stad. Een stad zonder muur is een doodsstad, prijsgegeven aan de machtswellust van vijanden; de ingenomen stad leidt tot verloren land.

b.Aanvankelijk gebruikt men in de bijbelse tijd voor stadsmuren (en voor de muren van huizen) grof uitgehakte natuursteen. Later raken de rechthoekige stenen in zwang, vervaardigd door steenhouwers (2 Sam. 5:11). Het type stadsmuur dat zich ontwikkelt, is voornamelijk gericht op de verdediging. Aan de hoogte en sterkte van de muur valt de welstand van de stad af te lezen(Spr. 18:11). De fundamenten worden diep ingegraven. De breedte van de muren kan wel enkele meters zijn. Men loopt erover en verblijft erop als wachter (2 Kon. 6:30; 2 Kron. 32:18; Jes. 62:6); er worden zelfs huizen op gebouwd (Joz. 2:15). Buiten de muur graaft men wel een gracht of sloot, met daarvoor weer een voormuur (2 Sam. 20:15). We zien dat laatste ook in een oud lied: ‘Wij hebben een sterke stad; Hij stelt heil tot muren en voorwal’ (Jes. 26:1). Aanvallende vijanden proberen de gracht tussen muur en voormuur dicht te gooien (2 Sam. 20:15; Jer. 6:6; Ez. 4:2), zodat zij gemakkelijker een gat in de muur kunnen stoten.

c.In de parabel van de genodigden die niet op het feest willen komen, draagt de gastheer zijn personeel op de straten en stegen in te gaan en de bedelaars en zieken uit te nodigen (Luc. 14:21). Als de zaal nog niet vol is, gaan de bedienden buiten de muren (fragmoes) de gasten halen (vs. 23). Het is exegetisch van belang dit in de vertaling tot uiting te brengen, aangezien het benadrukt dat de Heer zich richt op buitenstaanders en verlorenen.

d.Het is in het bijbelse Israël gebruikelijk rondom de wijngaard of wijnberg een omheining aan te leggen (Num. 22:24; Mar. 12:1). Zij bestaat meestal uit losse opgestapelde veldstenen met een hoogte van 1 ä 1.50 m, tien handbreedten. In de kieren tussen de stenen verschuilen zich wel slangen (Pred. 10:8) en de sprinkhanen zoeken – wachtend op de warmte van de zon – op de stenen bescherming tegen de kou (Nah. 3:17). De afrastering om de wijngaard moet wilde dieren buiten houden. Zij hebben het zowel op de druiven als op de bloesem gemunt en brengen het wortelgestel grote schade toe (Hoogl. 2:25). Ook dient de omheining ervoor het dieven en voorbijgangers moeilijk te maken binnen te dringen. Verder scheidt zij de ene wijngaard van de andere en zorgt voor de afscheiding van de weg. Een goede wijngaardenier herkent men allereerst aan een goed onderhouden omheining. De dichter noemt de eigenaar van de ingevallen stenen omheining een onverstand (Spr. 24:31); de doorbroken afrastering ondermijnt het bestaan (Jes. 5:5). Behalve de wijngaard hebben ook sommige akkers een omtuining (Jer. 49:3). Eveneens om binnendringing door gedierte en rovers tegen te gaan en om grenzen te bepalen. Hetzelfde geldt voor het beschermen van het (klein)vee. Vandaar dat omheiningen van stenen (of soms van doornheggen) dienen als schaapskooi (Num. 32:16; Nah. 3:17).

e.Meer dan eens spreekt de bijbel over de wand van de tempel, van een huis of van andere gebouwen of voorwerpen. Zo lezen we over wandaltaren (Ex. 30:3; Lev. 1:15). De wanden van gebouwen zijn dikwijls met mortel of kalk bestreken, wat het gebouw voor het oog verfraait en de oneffenheden en barsten verdoezelt (Ez. 13:12-15). De wanden van het tempelcomplex zijn zelfs met goud en zilver overtrokken (1 Kron. 29:4). In een huis of in een ander gebouw dient de wand als plek om tegenaan te zitten (1 Sam. 20:25). Vandaar dat in een vijandelijke omgeving het gevaar aanwezig is, dat iemand aan de wand gespietst wordt (1 Sam. 18:11). Wie boos of bedroefd is, wendt zijn of haar gezicht naar de wand als teken van verlatenheid of afzondering (2 Kon. 20:2). Ezechiël plaatst een ijzeren wand met het doel letterlijk en figuurlijk scheiding te creëren (Ez. 4:3). Wanneer de wanden van een huis uitslag vertonen – ‘melaats’ lijken en dus onrein zijn -, dan zal men het huis letterlijk èn cultisch reinigen (Lev. 14:37-39).

Beeldspraak en symboliek

a.Muren en omheiningen, om welk gebied of constructie ook heen- gelegd, geven bescherming, veiligheid, zekerheid en beschutting. Ook brengen zij scheiding en onderscheiding aan. Gehavende muren en omheiningen ondergraven het economische, godsdienstige en sociaal-politieke bestaan. De grens tussen de letterlijke en overdrachtelijke betekenis is vaak vloeiend. De functies, werkingen en vormen van muren bieden tal van aanknopingspunten voor het gebruik van de muur als metafoor. Vooral wat relaties betreft. Te denken valt vooral aan de relatie tussen de Heer en zijn volk maar ook aan de verhoudingen tussen Israël en de volkeren en die tussen groepen of individuen.

b.Bij herhaling wordt de relatie tussen God en Israël beschreven met de elementen van de wijngaard: God als wijngaardenier, Israël als de wijngaard. De omheining speelt daarin een veelzeggende rol. In de allegorie van Jesaja 5 en de gelijkenis in Matteüs 21:33-46 duidt de omheining op beschutting en daardoor op de verwachting van een goede oogst. De psalmist klaagt erover dat God, nu het volk in ballingschap verkeert, de omheining van de wijngaarddoorbroken heeft (Ps. 80:13; vgl. 89:41). Ezechiël ageert tegen de valse profeten, die verzuimd hebben de scheuren en barsten in de omheining te dichten. Met andere woorden, zij hebben verzuimd vanuit de Tora te spreken en zij hebben het volk niet bewaard (Ez. 13:5).

c.Theologisch gezien beseft Israël dat zijn muren pas echt veilig zijn als de Heer ervoor en erachter staat (Jes. 49:16). De veilige muur is teken van Gods nabijheid. Zijn bescherming is afhankelijk van Israëls trouw aan de Tora. De verwoeste muur wijst erop dat de kritiek van de Heer het volk raakt (Ps. 89:41; Neh. 1:3-5). Als het oordeel van de Heer de volkeren treft, raakt Hij allereerst hun muren, want deze zijn hun beschutting (Zach. 9:40). Een verwoeste stadsmuur is een volk zonder macht.

d.Paulus gebruikt de beeldspraak ‘bepleisterde wand’ als scheldwoord, gericht tot hogepriester (Hand. 23:3). Daarmee sluit hij aan bij Ezechiëls kritiek op de valse profeten (Ez. 13:10). Zoals onder de kalklaag vaak allerlei barsten zitten, voor het oog niet zichtbaar, zo kunnen mensen van buiten mooi zijn doch van binnen slecht. Of – bij Ezechiël – op het eerste gezicht waant het volk zich veilig, terwijl de werkelijkheid anders is. Scheuren in de muur, zijn scheuren in de (geloofs)gemeenschap. Voor de bijbelse mens staat de afgebroken stadsmuur haast gelijk met diepe geloofscrisis, waarmee de relatie met de Heer pijnlijk onder woorden wordt gebracht (Ps. 89:41). De onneembare muur geeft het tegenovergestelde beeld: de stad en haar bewoners zijn verzekerd van veilig leven. Als David in de lofprijzing zingt: ‘…en met mijn God spring ik over een muur’, gaat het vermoedelijk om het bestormen van de muur van een vijandelijke stad (Ps. 18:30). De Midrasj vertelt dat de Heilige de muur van Sion verlaagde, zodat David erover kon komen (Ps. XVIII, 24). Het is een soort geloofsbelijdenis in de context van de volkeren-strijd. Muren die bolwerken beschermen van waaruit het recht met voeten wordt getreden, hebben in het licht van Gods bevrijdend handelen in de geschiedenis en schepping geen bestaansrecht (vgl. Joz. 6).

e.Vele malen horen we over de muren van de tempel en van het tempelcomplex. Er is in Jeruzalem een onlosmakelijk verband tussen de muren van de stad en de muren van de tempel. De muren van de tempel zijn het ‘fundament’ voor de muren van de stad. Na de ballingschap worden eerst altaar en tempel gebouwd, daarna de stad (Ezra 3-6 en Neh. 3-6, 12:27-43). Die volgorde heeft theologisch beschouwd enorme gevolgen. De tempelmuren nemen in de profetie van Ezechiël 40-42 een grote plaats in; twaalf keer met vier verschillende woorden komen we het woord muur tegen. De theologie van het visioen van de nieuwe tempel draagt het kenmerk van bemoediging en hoop. Waar de muren van de tempel herrijzen, breekt het perspectief van sjalom en goddelijke nabijheid door.

f.Indrukwekkend is Johannes’ visioen van het hemelse Jeruzalem (Op. 21). Aan het visioen ligt de profetie van Ezechiël ten grondslag: de poorten verwijzen naar de stammen van Israël en de naam van de stad naar God zelf (Ez. 48). De stadsmuren waarvan Johannes droomt zijn groot en hoog, de fundamenten ongekend sterk. De afmetingen worden met het symbolische kerngetal twaalf aangegeven, wat wijst op de volmaaktheid en vervulde heiligheid van de stad. Het zal dus een stad worden waarin beschutting en veiligheid volledig zijn. De muren symboliseren de volmaakte veiligheid waaraan de mensheid deel zal hebben in de toekomst. Zij functioneren niet zozeer als scheiding tussen onrein en rein, want alle kwade krachten zijn ontmaskerd. Overigens is het een muur met poorten, openingen naar alle windstreken; geen absolute afscheiding met buiten, wel optimale bescherming.

g.Ook is de muur beeld van goddelijke kracht, die bescherming biedt tegen verdrukking en benauwdheid (Jes. 25:4). Een muur kan zowel letterlijk als overdrachtelijk ervaren worden, zoals de muur van water bij de doortocht door de Schelfzee. Deze watermuur is bescherming voor de een en bedreiging voor de ander (Ex. 14:22,29). Zelfs wordt God gezien als een muur van vuur, dat wil zeggen: geen bedreiging van buitenaf (Zach. 2:9[5]; vgl. 1 QH 3:37). En de klagende mens gebruikt de stadsmuur als metafoor voor de Heer: ‘O, muur van Sions dochter…’ (Klaagl. 2:18).

h.Het omverhalen van muren symboliseert Gods gericht. Waar de muur van bescherming wegvalt, blijven verwarring en geschreeuw over (Jes. 22:5). Scheuren in muren zijn de eerste tekenen van verval en ondergang (Jes. 30:13). Vallende muren en wanden zijn dan ook de inhoud van verwensingen aan het adres van onrechtvaardige belagers (Ps. 62:4). Opgerichte muren van deeens verwoeste tempel, verwijzen naar de herstelde cultus en de vernieuwde relatie met God. Nieuwe muren zijn een nieuw begin dat tot viering van het paasfeest leidt (Ezra 6:13-22).

i.In Ezra 9:9 prijst Ezra God voor zijn bevrijdend handelen waardoor Juda en Jeruzalem een omtuining ontvingen. Het is onzeker of hier de grens met het overige gebied of de stadsmuur is bedoeld, of dat het om een metaforische interpretatie gaat. Naar aanleiding van dit woord spreken de rabbijnen over de verscherpte en toegevoegde voorschriften als omheining voor de Tora, om deze te beschermen voor overtreding. Ook elders worden vormen van ‘spirituele omheining’ genoemd: ‘De (mondelinge) overlevering is een omheining voor de Tora; tienden zijn een omheining voor rijkdom; geloften zijn een omheining voor onthouding; een omheining voor wijsheid is zwijgen’ (Misjna, Abot 3:13). Ook bestaat de gedachte dat God de Israëlieten ommantelt met een ‘ondoordringbare omheining en een stalen muur’, zodat zij geen gemeenschap plegen met andere volkeren en daardoor rein blijven. Deze omheiningen spelen ook mee op de achtergrond van de brief aan de kerk van Efeze (2:14). Tussen Joden en niet-Joden stond een scheidingsmuur, maar door het gemeenschappelijke oriëntatiepunt, Christus, is deze muur afgebroken. In Christus heeft God zich bekendgemaakt aan alle mensen en volkeren. Alles wat als bewust gekozen scheidswand functioneerde, al dan niet noodzakelijk en volgens de Tora, wordt weggehaald. Alle muren tussen mensen, groepen en volkeren zijn in principe weggevallen. Het werk van Christus, dat in kruisiging en verrijzenis tot een hoogtepunt komt, heft vervreemding op, doorbreekt grenzen, neemt scheidingen weg. Dat deze kennis en beleving voor de gemeente van Christus ongekende ethische en sociale gevolgen hebben, hoeft geen betoog.

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 18; 33; 48; 55; 59; 62; 78; 122; 127; Gezang 18; 28; 34; 243; 241; 260; 265; 453; 490. Alles I: 10; IV: 23; 30; Gezangen: 556; Gezegend: 8; 26; 80; 199; 263; Laat ons: 7; Land: 6; 7; Zingend I-II: 162; 183; III: 30.

b.Poëzie:

Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten, Amsterdam 19848, blz. 119: ‘Jericho’. Hans Andreus, Gedichten 1948-1974, Haarlem 1975,blz. 79: ‘Muur’. J. van Doorne, Vierregelig, Franeker 1978, blz. 42: ‘Hoge gevel ontneemt zicht’. Leo Vroman, 262 gedichten, Amsterdam 1976, blz. 412: ‘De muren’.

c.Verwerking:

Bij de verwerking van dit bijbelse gedachtegoed kunnen verschillende thema’s gekozen worden. Bijvoorbeeld: bescherming, veiligheid, standvastigheid, agressie, vervreemding, scheiding en afscheiding, bouwen en afbreken van muren. Het actualiseren hiervan lijkt niet moeilijk: in onze wereld waren en zijn tal van concrete (Klaagmuur in Jeruzalem; Running fence inCalifornië, Chinese muur, Berlijnse muur, Paece Line in Belfast) en figuurlijke muren (tussen arm en rijk, tussen christenen en niet-christenen, menselijke muren van beschutting, Paradijsmuur Iran in Jemen). Muren van vrede en muren van vervreemding.

Verwijzing

Er bestaat grote verwantschap met ‘stad‘. Zie verder: ‘huis‘, ‘wijngaard‘, ‘steen‘, ‘deur‘, ‘meetsnoer‘, ‘paslood‘.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken