< Terug

Preekschets Romeinen 8:16 – Weeszondag

7e van Pasen – Exaudi (wezenzondag)

De Geest zelf verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn.

Romeinen 8:16

Schriftlezing: Romeinen 8:12-17
Thema: wezenloos

Zie ook

Het eigene van de zondag

Als de leerlingen in het bovenvertrek (Handelingen 1:13-14). Zo zijn wij deze zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren. Nadat ze hun Heer hebben uitgezwaaid blijven zijn leerlingen achter. Terwijl Hij toch had gezegd: “Ik laat jullie niet als wezen achter.” Vandaag wel dus. Wezenzondag. Omdat het nog geen Pinksteren is. En zo wachten we vandaag als de leerlingen toen. Tenminste… Die leerlingen, zo zegt Handelingen, wijdden zich vurig en eensgezind aan het gebed. Tegenover een biddeloze wereld is het gebed deze zondag bij uitstek het kenmerk van de christelijke gemeente. Ze bidt verwachtingsvol totdat de belofte van God vervuld wordt. De schriftlezing voor vandaag staat daarom op uiterst gespannen voet met de werkelijkheid: de Geest die ons ervan verzekert dat we kind van God zijn. Is daar iets van te merken?

Uitleg

Wat een prachtige en betekenisvolle tekst! Deze tekst is een sleuteltekst in de voortgang van de brief van Paulus aan de christenen in Rome. We zouden haast niet opmerken dat beelden die voor ons erg vertrouwd zijn hier voor het eerst door Paulus geïntroduceerd worden. Voor het eerst in zijn verhaal gebruikt hij de woorden “zoon” (8:14) en “kind” (8:16) met betrekking tot (een deel van?) de lezers van de brief. Het is belangrijk om hier opmerkzaam te zijn en iets van de verrassing van de eerste hoorder te ontdekken: wacht… wij zijn kinderen van God? Wij zijn zonen Gods? Wij zijn erfgenamen en mede-erfgenamen met Christus?

De afbakening van onze perikoop gebeurt als volgt. Het einde van de perikoop wordt gemarkeerd door de eerste persoon enkelvoud in het volgende vers 18: “Ik ben ervan overtuigd…” waarmee een nieuwe gedachte wordt opgepakt die in vers 17 geïntroduceerd werd (namelijk die van het lijden). Het begin van onze perikoop wordt gemarkeerd door de eerste woorden, ara oun, die de overgang willen zijn tot een dwingende conclusie die opkomt uit het voorafgaande (Dunn, 447).

Paulus wisselt in deze verzen tussen de verschillende persoonsvormen. Deze wijziging van persoonsvorm laat een mooie opbouw en structuur in onze tekst zien:

  • Wij – 8:12

  • Jullie -8:13

  • Zij -8:14

  • Jullie -8:15

  • Wij – 8:16-17 (Vers 17 leunt op het “wij zijn” (esmen) van vers 16)

Hiermee maakt hij een sterk evocatieve beweging. Hij begint inclusief, bij ons. Om ons vervolgens aan te spreken en ons ten slotte mee te nemen naar zijn kernpunt in vers 14: wie door Gods Geest geleid wordt, is kind van God. En hij past die centrale gedachte toe op ons eigen leven en onze huidige ervaring en eindigt daarmee weer inclusief: nu wij zijn kinderen zijn. In dat inclusieve licht moet de centrale stelling in vers 14 ook geduid worden. “Allen die door de Geest van God worden geleid, zijn kinderen van God” (NBV) is daarom gepast ten opzichte van het technischere: “Zovelen als zich laten leiden door Gods Geest…” (NB). De NBV heeft hierin een inclusieve kracht die ontbreekt in de NB, terwijl Paulus hosos wel zo gebruikt (vergelijk 2:12 en 6:13). Om het verkondigend te zeggen: het gaat er niet om wie in de gemeente wel of niet de Geest ontvangen heeft. Het gaat erom dat alle gemeenteleden door de Geest geleid mogen worden en allen zo mogen weten kind van God te zijn.

De terminologie die Paulus hanteert sluit op meerdere niveaus aan bij de bekende wereld van de christenen in Rome. Allereerst vanuit het Eerste Testament waar over Israël gesproken kan worden als zoon van God (onder andere Exodus 4:22 en Deuteronomium 14:1). Maar vervolgens ligt deze taal ook dicht bij de andere werelden: keizer Augustus als divi filius (zoon van de vergoddelijkte Julius Cesar). En het zoonschap (huiothesias) in vers 15 roept de sfeer van adoptie door de pater familias op.

Dit kind-van-God-zijn heeft op drie terreinen werking: onze toekomende erfenis, onze huidige status, en ten slotte de overeenkomst onder allen die in dezelfde verbondenheid leven (Jewett & Kotansky, 498). In de verkondiging moet hierin een keuze worden gemaakt. Gaat het vandaag om de belofte die schuilt in de Geest? Of gaat het om onze positie in het hier-en-nu? Of gaat het om de verbondenheid met de overige erfgenamen? In de aanwijzingen voor de prediking kies ik voor het hier-en-nu element in het getuigenis van de Geest.

Aanwijzingen voor de prediking

Misschien heb je het jezelf als kind weleens afgevraagd: ben ik echt wel een kind van mijn vader en moeder? De eigen identiteitsvorming tijdens de pubertijd en de afstand die daarbij gecreëerd wordt tot de ouders roept deze reële vraag op. Pas als je 39 bent kan je zingen “papa, ik lijk steeds meer op jou”. Toch is in theologische zin deze vraag ook reëel: als het punt van Paulus is dat wij Gods kinderen zijn, waarom zien we daar dan zo weinig van? Sprekend over dit zoon-van-God-zijn, kon Barth resoluut zeggen: “omdat ik daarmee niet mijzelf bedoel, niet en nooit deze mensen in deze wereld, maar altijd die andere, de nieuwe, de onaanschouwelijke, de voor God staande, in God levende mensen, die ik niet ben” (Barth, 1947, 279). Het is dus niet vanzelfsprekend dat wij Gods kinderen zijn.

In de preek moet een spanning gecreëerd worden tussen wees en kind, tussen verweesd en aangenomen. Hiervoor zijn in ruime mate voorbeelden te vinden in film en literatuur. Een voorbeeld is te vinden in Een Klein Leven van Hanya Yanagihare (2016) waarin op aangrijpende en beklemmende wijze de thematieken van kind en wees worden verweven met thema’s als vertrouwen en veiligheid. Ook de dwang, slavernij en angst die in Romeinen genoemd worden zijn in deze roman gethematiseerd. Een klassieker voorbeeld is The Adventures of Tom Sawyer van Mark Twain (1876). Tom groeit op bij zijn tante, die hoewel streng toch liefdevol om de jongen geeft. Huck, met wie hij zijn avontuur zal beleven, groeit op met een biologische vader, maar één die hem mishandelt. Op een bepaald moment ontsnapt hij aan zijn vader door zijn eigen dood te ensceneren (een mooie parabel voor Romeinen 8:13). Welke insteek je ook kiest: met pastorale zorgvuldigheid moet duidelijk worden dat de verbinding tussen kind en ouder of verzorger bepalend is voor de verdere ontwikkeling van een mens. Gevoelens van veiligheid en geborgenheid, zelfvertrouwen en zekerheid zijn verankerd in deze vroege verbinding.

Het bijzondere is dat onze wereld ruimte heeft geschapen voor een besef dat kindschap niet slechts biologisch, maatschappelijk of economisch gezien kan worden, maar dat dit een existentiële dimensie bevat. Wie ik ben en hoe ik naar mijzelf kijk is wezenlijk bepaald door wie ik voor een ander ben die aan mij voorafgaat. Hierin schuilt waarde, maar ook gevaar. Het diepste gevaar is dat het kwade denken van anderen ons kleiner houdt dan wij werkelijk zijn. Wie als kind hoorde “laat je broer het maar doen, want jij kan dat toch niet”, zal zich daar een leven lang toe moeten verhouden. Maar een ander diep gevaar is dat we oppervlakkige beelden van onszelf en de ander delen als waarachtig. In een snelle beeldcultuur bestaat het risico dat we een valse projectie van onszelf maken als gelukkig, succesvol, knap en gezond en die projectie steeds verder polariseren ten opzichte van de gebroken kant van ons bestaan. Minstens zo gemakkelijk accepteren we de valse projecties van anderen.

De Leede & Stark schrijven onder andere over de prediking als heilsbemiddeling: “De preek is aanspraak. Aanspraak die aanraking beoogt” (De Leede & Stark, 120). Vandaag komt het eropaan om in de prediking door te dringen tot de kern van de ziel: wie zijn wij nu werkelijk? En om die vraag te beantwoorden horen we Romeinen 8:12-17. Tegen alle verwachting in klinkt daar (nogmaals: voor het eerst in de brief!) dat wij kinderen van God zijn. En dat de Geest daarvan getuige zal zijn. Deze belofte van kindschap staat haaks op het existentiële verweesd zijn. In de kleinere en grotere sporen die de Geest achterlaat in de tijd en in onze levensgeschiedenis mogen we dat ontdekken. De momenten dat we ons geborgen wisten zijn geen illusie of wensgedachte. Ze laten wezenlijk zien wie wij zijn.

Maar in de tussentijd? In onze ambivalente ervaringen van kindschap en verweesd-zijn? Wellicht dat daar het gebed als oefening in geestkracht een plek krijgt. Het is niet voor niets dat verderop in hoofdstuk 8 Paulus juist het gebed en de Geest verbindt in onze zwakheid (8:26). Daarmee is de spanning dus niet opgelost. Er wordt vandaag een beroep gedaan op ons uithoudingsvermogen!

Ideeën voor kinderen en tieners

Je zou met de kinderen na kunnen denken over de vraag: “op wie van je ouders lijk je het meest?” Misschien is het veiliger om niet de kinderen zelf als voorbeeld te gebruiken, maar de volwassenen erbij te betrekken. Desnoods eerst door middel van een foto van je eigen ouders. “Op wie lijk ik het meest?” Dan mogen de kinderen het principe zien, terwijl ze zich niet te kwetsbaar hoeven op te stellen. Tenslotte kan je de kinderen meegeven dat we, omdat we kinderen van God zijn, ook op Hem lijken. Twee liederen die op een mooie manier ons kindschap benadrukken zijn OpwK 217 en HH 705.

Liturgische aanwijzingen

Als lezing uit het Eerste Testament zou Deuteronomium 30:15-20 gekozen kunnen worden. Hier wordt de lezer een keuze voorgeschoteld: leven met God of sterven op dwaalsporen. Een soortgelijke keuze wordt ons ook in Romeinen 8 gegeven. NLB 611 is prachtig van toepassing op onze schriftlezing. Verdere suggesties: Ps 10:6; 68:2,7; 146:3,6; NLB 827; EvLB 240; EvLB 376 (=NLB 886)

Geraadpleegd

  • K. Barth, Der Römerbrief, Zürich, 1947

  • B. de Leede, F. Stark, Ontvouwen. Protestantse Prediking in de Praktijk. Zoetermeer, 2017.

  • J.D.G Dunn, Romans 1-8 (WBC). Dallas, 1988.

  • R. Jewett, R.D. Kotansky, A Commentary on the Book of Romans (Hermeneia). Minneapolis, 2007.

  • R.L. Mowery, Son of God in Roman Imperial Titles and Matthew, z.p. 2002.

< Terug