Zo Vader, zo Zoon
Bij Jesaja 63,7-14 en Marcus 6,45-52 Ben je weleens op het idee gekomen om God te prijzen voor zijn daden van weleer? Niet over zijn daden in jouw persoonlijk verleden, […]
Over De Eerste Dag lees je meer op de landingspagina van De Eerste Dag.
Bij Jesaja 63,7-14 en Marcus 6,45-52 Ben je weleens op het idee gekomen om God te prijzen voor zijn daden van weleer? Niet over zijn daden in jouw persoonlijk verleden, […]
Bij Lucas 1,39-56 / Lucas 1:39-56 Voor de derde zondag van de Advent, zondag Gaudete Suggesties Op deze zondag Gaudete is de schriftlezing vol van blijde verwachting. Mocht u in […]
Bij Matteüs 14:13-21 In de vakantie gingen alle kinderen die nog thuis waren een speurtocht doen in het Grote Bos en op de Wilde Heide. Spannend vonden ze dat, vooral […]
Het teken van de as spreekt voor zich. Heel je leven staat onder de vrijmakende genade van het kruis en de verrijzenis van de Heer.
Lucas 15:1-10 ‘Wat moet je toch met die oude pop?’ zei mama tegen Tom. ‘Weet je hóe lang ik Lange Wapper kwijt ben geweest?’ antwoordde Tom. Mama zag het weer […]
Bij Jesaja 49,13-18 en Matteüs 6,(22)24-34 Het wel en wee van mensen gaat God ter harte. Verwoord als een overtuiging kom je die visie nogal eens tegen in de Schrift. […]
Bij 2 Kronieken 36,14-24, Jozua 5,9-12 en Lucas 15,11-32 ‘Iemand had twee zonen.’[1] Th.J.M. Naastepad, Acht gelijkenissen, Kampen z.j., 88-107. Over de relatie tussen de oudste en de jongste zoon: […]
We gaan van de woestijn (eerste zondag van de vastentijd) naar de hoge berg (tweede zondag). Hij verheft ons uit het alledaagse gebabbel, de wereld van drukte, gedoe en gekibbel. Hij richt onze gedachten en verlangens op het allerhoogste. Op het uiteindelijke reisdoel. Ook als onze weg meestal door het laagland voert, of soms zelfs door een dal der schaduw des doods, moeten we het uitzicht in ons omdragen dat we boven op de hoge berg hadden.
De teksten van vandaag bevatten op het eerste gezicht meer wij-zij-denken dan mij lief is. De Jezus die Johannes ons overlevert, schept met zijn woorden een onsympathieke afstand tussen zichzelf en zijn hoorders. Hij kwalificeert de mensen die Hij toespreekt uiterst negatief, zonder perspectief op verandering aan te bieden: ‘Jullie zullen in je zonde sterven’ (Johannes 8:21). Vervolgens onderstreept Hij de tegenstelling tussen degenen die wel en niet in Hem geloven. Ook in het briefje 2 Johannes speelt dat contrast op een manier die ik niet als vruchtbaar kan ervaren. Wat is hier aan de hand?