Menu

Premium

God

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Geloofstaal & cultuurtaal

In onze cultuur wordt spreken over God vaak gezien als iets dat tot de privé-sfeer behoort en daar vooral ook toe beperkt dient te blijven. Geloven in God mag wel, zeker als je er zelf baat bij hebt, maar je moet er een ander vooral niet mee lastig vallen. Spreken over God wordt al gauw als opdringerig, drammerig en dwingend ervaren. En hoewel veel mensen nog wel zeggen te geloven ‘dat er meer is tussen hemel en aarde’, hebben velen het bijbelse geloof in God als schepper, onderhouder en voleinder van zijn schepping reeds lang opgegeven als een achterhaalde geloofsvoorstelling uit lang vervlogen tijden. Als gevraagd wordt wat men zich precies bij het begrip ‘God’ voorstelt, is het antwoord vaak iets in de trend van: een hogere macht of een onpersoonlijke kracht, een oerprincipe waarop de hele werkelijkheid is terug te brengen, eensymbool of metafoor voor dat wat onze ervaring overstijgt, een goddelijke kern die in elk mens huist, enz. De woorden van de apostolische geloofsbelijdenis, die iedere zondag nog in veel kerken klinken, ‘ik geloof in God de Vader, de almachtige, schepper van de hemel en de aarde’, zijn in onze tijd door tal van oorzaken onder grote spanning komen te staan: het zijn woorden uit een andere wereld.

Volgens het christelijk geloof is geloven in God echter niet vrijblijvend en kan het leven niet werkelijk begrepen worden buiten God om. Volgens de christelijke leer is het kennen van God onlosmakelijk verbonden met het kennen van de mens. De kerkvader Augustinus zei het zo: ‘God en de ziel begeer ik te kennen. Niets meer? Volstrekt niets!’. Calvijn begint zijn Institutie al in het eerste hoofdstuk met de stelling dat de kennis van God en de kennis van onszelf ten nauwste met elkaar samenhangen. Daarmee is aangegeven dat, wil de mens zichzelf leren verstaan, hij of zij dat in relatie tot God en – in de lijn van het Nieuwe Testament – in relatie tot Jezus Christus moet doen.

Woorden

Het gaat in het Oude Testament eerst en vooral om de Hebreeuwse woorden el, eloah en elohim. Deze woorden hebben veelal betrekking op (de ware) God, maar ze worden soms ook gebruikt ter aanduiding van andere goden en hemelwezens (bijv. Ex. 15:11; Ri. 11:24; 1 Kon. 11:24; 2 Kon. 1:2). In later tijd wordt de benaming ‘god/goden’ zelfs op mensen in een bijzondere positie betrokken, bijvoorbeeld in Psalm 82:6, waar het volgens een gangbare exegese om menselijke rechters gaat. Vergelijk de interpretatie van deze tekst in Johannes 10:34-35. Ook het begrip adonai (heer, Heer) wordt gebruikt ter aanduiding van God en van andere machthebbers.

De Hebreeuwse Godsnaam Jhwh, het zgn.Tetragrammaton, wordt in het Oude Testament wel uitsluitend gebruikt ter aanduiding van de ware God (voor het eerst in Gen. 2:4). Om de naam van God niet te misbruiken, liet men de klinkers in de geschreven vorm weg (waardoor de vorm niet meer uitgesproken kón worden); bij het hardop voorlezen ervan verving men de naam door een synoniem, veelal de aanduiding adonai (Heer). De Godsnaam Jhwh wordt in de Nederlandse vertalingen weergegeven met’Heere'(SV), ‘Here’ (NBG-51) of ‘Heer’ (NBV).

In het Grieks gaat het om het woord theos, dat zowel als soortnaam (god, godheid) als eigennaam (God) gebruikt wordt. Voor zowel het Hebreeuwse el en aanverwante vormen als het Griekse theos geldt dat steeds uit de context moet blijken met welke betekenis we te maken hebben. Voor de aanduidingkurios (heer, Heer), die in het Grieks ook ter aanduiding van God gebruikt wordt, zie de bespreking onder het lemma Heer.

Betekenis in context

Oude Testament

God als Schepper

In het Oude Testament wordt God al op de eerste bladzijde geïntroduceerd als de Schepper van hemel en aarde (Gen. 1:1; 2:4). Een alomvattende definitie van wie God is, wordt in de Bijbel niet gegeven. Evenmin worden er uitspraken gedaan over wat Hij deed en waar Hij was voor de schepping van de wereld. Terwijl de omliggende volken volop speculeerden over het ontstaan van de godenwereld (theogonie), wordt van de God van de Bijbel eenvoudigweg gezegd dat Hij ‘van eeuwigheid’ is (Ps. 93:2). Zijn bestaan en zijn verhevenheid boven al het geschapene staan gewoon niet ter discussie (vgl. Ps. 14:1: ‘de dwaas zegt in zijn hart: er is geen God’, waaruit het verband blijkt dat daarmee bedoeld is: de dwaas houdt geen rekening met God). Terwijl bij de omliggende volken en culturen de goden deel uitmaakten van de geschapen werkelijkheid (de kosmos) en dus ondergeschikt zijn aan een nog weer hogere macht (het lot), staat de God van de Bijbel daarboven: Hij is almachtig en soeverein. In vergelijking met de Israël omringende religies is het opvallend dat in het oudtestamentische godsbeeld bepaalde facetten ontbreken, zoals woorden en begrippen die te maken hebben met seksualiteit en met zwakheid. Ook kent het Hebreeuws geen apart woord voor ‘godin’. Terwijl de macht van de heidense goden vaak beperkt was tot bepaalde plaatsen, geldt dat voor de God van de Bijbel niet. Want hoewel Hij zijn aanwezigheid op een bijzondere manier verbindt aan de tabernakel en later aan de tempel te Jeruzalem, is Hij niet aan plaats gebonden: ‘Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min het huis dat ik gebouwd heb’ (1 Kon. 8:27). Daarmee is tegelijkertijd de afstand tussen God en mens en de daarmee vereiste instelling van de mens bepaald: ‘God is in de hemel en gij zijt op de aarde, laten daarom uw woorden weinige zijn’ (Pred. 5:1).

God als degene die Zich openbaart

Hoewel de God van de Bijbel boven zijn schepping staat, staat Hij er ook niet los van. Vanaf het allereerste begin is Hij begaan met zijn schepping en maakt Hij Zich aan mensen bekend: heel beeldend wordt dat beschreven in Genesis 3:8, waar gezegd wordt dat ‘de Here God in de hof [van Eden] wandelde in de avondkoelte’ en in Genesis 11:5, waar staat dat ‘de Here nederdaalde om de stad en de toren [van Babel], die de mensenkinderen bouwden, te bezien’. Door het hele Oude Testament heen openbaart God Zich op tal van manieren en laat daarmee iets zien van wie Hij is en dat Hij betrokken is bij zijn schepping. Te denken valt aan Gods verschijning bij de brandende braambos (Ex. 3:1-6), zijn openbaring op de Sinaï (Ex. 19:1-25), zijn openbaring aan Elia op de Karmel (1 Kon. 18:20-46) en op de Horeb (1 Kon. 19:9-18), enz. enz. In een aantal psalmen wordt op indrukwekkende wijze getuigd van Gods ingrijpen in de geschiedenis van zijn volk (bv. Ps. 78 en 107). De God van de Bijbel is niet een onpersoonlijke macht die zich niet om zijn schepping en zijn volk bekommert, maar Hij is een ‘Iemand’ die begaan is met het lot van zijn schepselen en reddend ingrijpt in de loop der gebeurtenissen. Indringend zijn de woorden uit Exodus 34:6-7, waarin God zelf Zich bij wijze van spreken met naam en toenaam aan Mozes openbaart: ‘De Heer! De Heer! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, die duizenden geslachten zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft, maar niet alles ongestraft laat en voor de schuld van de ouders de kinderen en kleinkinderen laat boeten, en ook het derde geslacht en het vierde’ (NBV; vgl. Ps. 103:8-18). Naast deze bijzondere openbaring van God in de geschiedenis, getuigt de Schrift overigens ook van Gods openbaring in de schepping, zoals in Psalm 19: ‘de hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen’ (Ps. 19:1).

God als de Heilige

Hoewel God Zich laat kennen, wordt daarmee het onderscheid tussen God en mens niet opgeheven. Hij is en blijft de Heilige, voor Wie geen ongerechtigheid kan bestaan en die de zonde niet duldt.

God als de Vader van zijn volk

Reeds in het Oude Testament wordt God aangesproken als Vader, meestal in de context van het verbondsvolk. ‘Is Hij niet uw Vader,die u geschapen heeft, die u gemaakt heeft en toebereid?’ (Deut. 32:6); ‘Gij zijt immers onze Vader … Gij, Here, zijt onze Vader, onze Verlosser van oudsher is uw naam’ (Jes. 63:16, vgl.Jer. 3:4).

God als Koning en Rechter

In Jesaja 43:15 stelt de Here God Zich voor als schepper van Israël en (dus) als Israëls koning: ‘Ik (ben) de Here, uw Heilige, de Schepper van Israël, uw Koning’. Daarnaast klinkt in het Oude Testament de belijdenis dat God koning is over heel de aarde: ‘Gij alleen zijt koning over heel de aarde’ (2 Kon. 19:15) en ‘Wie zou U niet vrezen, o Koning der volkeren? … de Here is een waarachtig God, Hij is de levende God en een eeuwig Koning’ (Jer. 10:7, 10; vgl. Ps. 22:29; 47:3, 8, 9). In overeenstemming met de Oudoosterse opvatting van het koningschap betekent het koningschap van God tegelijkertijd dat Hij de hoogste rechter is, die recht spreekt en het oordeel voltrekt, met als grote climax het Laatste Oordeel op de jongste dag. In dat licht bezien moeten we ook teksten plaatsen die het hebben over een nog uitstaand koningschap van God, teksten die stellen dat God in zekere zin nog koning moet wórden, nl. in het laatste der dagen. In de profetie van Zacharia wordt bijvoorbeeld aangekondigd: ‘De Here zal koning zijn over de gehele aarde; te dien dage (= in het laatste der dagen) zal de Here de enige zijn, en zijn naam de enige’ (Zach. 14:9; vgl. Ob. 21).

God als de Ene (monotheïsme)

Vast bestanddeel van Israëls belijdenis van wie God is, is dat Hij de éne en enige is. De woorden uit Deuteronomium 6:4 zijn hier richtinggevend: ‘Hoor, Israël: de Here is onze God, de Here is één!’. De historische achtergronden van de belijdenis van de eenheid van God zijn niet eenvoudig vast te stellen. Wel is duidelijk dat deze belijdenis in sommige tekstverbanden wordt opgevat in de zin dat de God van Israël boven de goden van de andere volken staat en het bestaan van andere goden nog niet uitdrukkelijk wordt bestreden (henotheïsme) (vgl. Ex. 213; 22:19; 23:13), terwijl in andere tekstverbanden het bestaan van andere goden eenvoudigweg wordt ontkend (monotheïsme). Met name in het tweede deel van het boek Jesaja komt het thema van de eenheid van God – ‘er is geen andere God dan de Here’ – uitdrukkelijk aan de orde: ‘vóór Mij is er geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn’ (Jes. 43:10b); ‘Ik ben de Here, en er is geen ander’ (Jes. 45:6b; vgl. 41:4; 42:8; 45:3; zie ook Jer. 2:11). Hoe dan ook, in de loop van Israëls geschiedenis is het besef dat er maar één God is steeds sterker geworden, zo zelfs dat gezegd kan worden dat het belijden van Israël (en later ook dat van de christelijke kerk) ermee staat of valt.

De naam van God

De naam van God neemt een bijzondere plaats in het bijbelse spreken over God in. Bij de openbaring van God aan Mozes bij de brandende braambos geeft God Zelf zijn naam te kennen (Ex. 3:14). Er zijn vele vertaal-mogelijkheden van de Hebreeuwse tekst, zoals al blijkt uit de verschillende vertalingen: ‘Ik zal zijn, die Ik zijn zal’ (SV), ‘Ik ben, die Ik ben’ (NBG-51), ‘Ik ben degene die er altijd is’ (GNB) en Ik ben die er zal zijn’ (NBV). Hoe het ook zij, de naam is in ieder geval uitdrukking van Gods voortdurende aanwezigheid bij zijn volk.

Nieuwe Testament

God als Schepper en onderhouder

Ook het Nieuwe Testament houdt vast aan de belijdenis van God als schepper en onderhouder van deze wereld. Op tal van plaatsenwordt gerefereerd aan het scheppingshande-len van God en aan zijn voortdurende zorg voor zijn schepping (bijv. Mat. 6:25-34; Hand. 14:15-17; 17:22-30). God laat zelfs iets van Zichzelf zien in de schepping: ‘Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben’ (Rom. 1:20).

God als Vader van Jezus Christus

In het Nieuwe Testament wordt God echter in het bijzonder geopenbaard als de Vader van Jezus Christus. Dat begint al bij Jezus zelf, wanneer Hij God aanspreekt als abba ‘Vader’ (Mar. 14:36), een uitdrukking van kinderlijke intimiteit en vertrouwdheid, die in het toenmalige jodendom als aanspreekvorm voor God weliswaar niet uniek, maar voor Jezus wel typerend was. In diezelfde lijn staan de uitspraken in het evangelie van Johannes, waar Jezus frequent spreekt over ‘mijn Vader’, daarmee zijn nauwe verbondenheid met God duidelijk makend. Ook in de brieven van Paulus en andere nieuwtestamentische schrijvers wordt God voortdurend ‘de God en Vader van onze Here Jezus Christus’ (bv. 2 Kor. 1:3; 11:31; 1 Petr. 1:3) genoemd.

God als Vader van de gelovigen

Jezus zelf leerde zijn volgelingen om God in het gebed aan te spreken als ‘(onze) Vader’ (Mat. 6:9; Luc. 11:2). Paulus opent zijn brieven vaak met het danken van ‘God onze Vader’ (bv. Rom. 1:7; 1 Kor. 1:3; 2 Kor. 1:2) en spreekt over het kindschap van de gelovigen (Rom. 8:14-16). Maar hoewel God ook de Vader van de gelovigen is, staan zij toch in een andere relatie tot Hem dan Jezus zelf. Jezus heeft het dan ook verschillende keren over ‘uw Vader die in de hemelen is’ (Mat. 5:16,45; 6:1), of ‘uw hemelse Vader’ (Mat. 5:48; 6:14,26,32). Het onderscheid wordt treffend aangegeven in de woorden van de opgestane Heer tot Maria van Magdala: ‘Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God’ (Joh. 20:17, in plaats van: ‘Ik vaar op naar onze Vader, naar onze God’). Jezus’ zoonschap is van een kwalitatief andere aard dan het zoonschap/kindschap van de gelovigen (vgl. Luc. 10:22).

God als degene die Jezus uit de dood heeft opgewekt

Op tal van plaatsen in het Nieuwe Testament wordt God verkondigd als degene ‘die Jezus Christus uit de doden heeft opgewekt’ (Hand. 3:5; 4:10; 5:30; 10:40; Rom. 4:24; Gal. 1:1, enz.).

God als de Ene (monotheïsme)

In navolging van Israël, belijdt ook de christelijke kerk de eenheid en uniciteit van God: er is maar één God, de God van Israël: er is ‘één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn’ (1 Kor. 8:6a). Paulus vervolgt deze uitspraak echter met de woorden ‘en één Here, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn’ (1 Kor. 8:6b). Daarmee is kernachtig tot uitdrukking gebracht wat het nieuwe inzicht in het Nieuwe Testament is: er kan niet over de éne God gesproken worden, zonder Jezus Christus erbij te betrekken. Jezus staat met God op gelijke voet. Hij is gezeten aan de rechterhand van God. In de beeldspraak van het boek Openbaring wordt zelfs gezegd dat het Lam (= Christus) zich ‘in het midden van de troon (van God)’ bevond (5:6; 7:17). Een hogere positie is niet denkbaar. Over God spreken zonder Jezus Christus ter sprake te brengen is vanuit het perspectief van de nieuwtestamentische verkondiging dan ook onmogelijk.

Kern

Meer dan eens zijn er in de kerkgeschiedenis pogingen ondernomen om een wig te drijven tussen de toornende Schepper-God van hetOude Testament en de God van liefde die Zich in het Nieuwe Testament openbaart (Marcion). Maar in het Nieuwe Testament zelf blijkt telkens weer dat ‘de God van Abraham, de God van Isaak, en de God van Jakob’ (Mar. 12:26) dezelfde is als de Vader van Jezus Christus. Wanneer in onze tijd het geloof in God als vaag en irrelevant wordt ervaren, mag de christelijke gemeente dan ook vrijmoedig wijzen op het reddend heilshandelen van God in de geschiedenis van Israël (het Oude Testament) en op de grote climax van zijn openbaring in Jezus Christus (Heb. 1:1-2) en zeggen: ‘waarlijk, zó is God, onze God, voor eeuwig en altoos’ (Ps. 48:15).

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: Geest, Heer, hemelvaart, heiligheid, Koninkrijk van God, naam, opstanding, schepping, verbond, vader.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken