< Terug

Delf mijn gezicht op

‘Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.’ Aart Mak en Kees van der Zwaard schrijven elkaar wat deze tekst bij hen oproept.

Ha Kees,

Even terug in de tijd. Ik weet nog dat ik net gescheiden was en mijn toen kleine kinderen vaak bij mij op bezoek waren. Dan liep ik op straat met twee pukken aan mijn hand en voelde ik mij ‘bloot en onomwonden’. Wie niet zag dat daar een gescheiden man liep die zijn kinderen aan het vermaken was, moest wel blind zijn. Dacht ik. Toen heb ik geleerd hoe idioot dat is, denken wat anderen zullen denken.

Ik kwam uit een gezin waarin wij allen gemaskerd aan tafel zaten. Het was bepaald niet liefdeloos. Maar niemand liet ooit zien wat hem echt bezig hield. De angst om iets doms te zeggen! De schaamte om als puber ook maar iets van je zielenroerselen te tonen! Ik begreep later dat dit nou burgerlijk werd genoemd. Aangepast gedrag.

God was in mijn opvoeding ook al geen liefhebber van spontaniteit en je laten zien. Het verhaal van koning David die naakt voor de ark uit danste, werd door mijn vader (die altijd uit de bijbel las aan tafel) van hilarisch commentaar voorzien. Maar de moraal was dat David meer dwaze dingen had gedaan, maar gelukkig een vroom mens was. Is dit herkenbaar voor je? Of is het bij jou helemaal anders? Aart

Dag Aart,

Dank voor je gelaagde herinnering. Ja, herkenbaar, al kan ik mij niet herinneren dat we aan tafel lazen over de naakte, dansende David. We lazen wel, maar zijn slippertje met Batseba was the limit. Wel ken ik het gevoel, dat ik over straat loop en de hele wereld kan zien dat ik gescheiden ben. Dat gevoel had ik trouwens ook toen ik net getrouwd was. En ook toen moest ik de groenteman uitleggen waarom ik zo vrolijk was. Blijkbaar kon ik toch niet zo goed gedachten lezen.

Je noemt aangepast gedrag ‘burgerlijk’. Daar kom je niet mee weg. Voor mij is aanpassen een vorm van overleven, gestuurd door de vraag: Wat moet ik doen om te mogen blijven? In dit gezin, in deze groep, kerk, relatie? Daarom ga ik gedachten lezen: wat denk ik dat de ander over mij denkt? En zo creëer ik zelf het beeld waaraan ik meen te moeten voldoen. Mijn eigen masker. ‘Delf mijn gezicht op, maak mij mooi’ wordt daarmee een vraag aan mijzelf. Durf ik mijzelf onder ogen te komen? Met wat ik wil, wie ik ben, bloot, onomwonden. Durf ik te leven als mijzelf? Dan is vroom niet truttig gelovig, maar mild en dapper. Wat vind jij?

Groet! Kees

Ha Kees,

Je hebt gelijk. Aanpassen is om te overleven. Ik overleefde door thuis mijn brave masker op te zetten en dat, eenmaal buiten, snel weer af te zetten. Vanaf mijn achttiende ben ik in allerlei kuilen gevallen. Ik heb het masker van de charmeur gedragen, van de slimmerik, van de zorgzame medemens, van de naïeveling en nog een tiental andere. Maar het antwoord op de vraag wie ik nou was, de man achter het masker, legde ik steeds in handen van een ander. Die moest mijn gezicht maar opdelven, niet ik. Het heeft heel lang geduurd voor ik stopte met die maskerade. Jezelf onder ogen komen doet zeer; hoe langer je het uitstelt, hoe meer. In mijn geval was, en is, dat: aanvaarden dat ik één van de velen ben, niet uitverkoren, niet aan iets of iemand altijd maar moet beantwoorden. Van een opgelegde roeping moest ik van mijn leven weer een geschenk maken. In een familie-opstelling dit voorjaar kwam ik er met een schok achter dat ik in mijn werk nog steeds bezig was met mijn vaak zieke, mij overvragende moeder. Dat masker zat zo vastgeplakt aan mijn gezicht dat ik het niet in de gaten had. Ik weet dus niet of dat kan: aan niets of niemand meer ten prooi zijn. Mijn gezicht is niet meer zo gaaf. Er plakt van alles aan vast. Dat te beseffen is al verlichtend. Of niet? Wat denk je?

Groeten! Aart

Dag Aart,

De dichter Miłosz schrijft: ‘Onze hoge ideeën van onszelf worden omlaaggehaald door een blik in de spiegel…’ Elders beschrijft hij die blik: ‘Dat we onszelf altijd mooi en edel toeschenen, / maar later op onze plaats, een afzichtelijke pad / zijn dikke oogleden half opsloeg / en we meteen wisten: “Dat ben ik.”’

De eerste keer dat ik dat las, schoot ik in de lach. Het voelde niet veroordelend maar bevrijdend, want waarachtig: ik hoefde niet meer bang te zijn om ontmaskerd te worden, want ik was het al. En opeens was ik niet meer ‘ten prooi’. Ik kon mijzelf zien en zeggen: ‘Hier sta ik, dit ben ik, dit wil ik, dit doe ik.’

Waarachtigheid is helend. Zonder oordeel, zonder vonnis, zonder opdracht, zonder missie. Daar ergens wordt voor mij de eenzaamheid van het masker doorbroken. Nog één keer Miłosz: ‘Ik voelde op mijn schouder de hand van mijn Gids, / maar hij sprak nooit van straf, beloofde geen beloning.’

Alle goeds, Kees

Aart Mak is pastor bij Kerk zonder Grenzen, het omroeppastoraat van Radio Bloemendaal, en redactielid van Open Deur.

Kees van der Zwaard is schrijver, theoloog en theatermaker (zie www.keesvanderzwaard.nl).

< Terug