< Terug

Op weg naar Jeruzalem

Bij Jesaja 66,7-14 en Lucas 10,1-20

De teksten van deze zondag hebben slechts één overeenkomst: in beide is sprake van een intocht in Jeruzalem. In Jesaja gaat het om terugkerende ballingen. Onder hen bevindt zich een zoon. Is hij een profeet, of is hij een nieuwe koning? In ieder geval is hij een belangrijke representant van het volk. In het Lucasevangelie is het Jezus die voorbereidingen laat treffen voor zijn intocht in Jeruzalem. Hij representeert op zijn eigen manier het komende Koninkrijk. Gaat dit met veel strijd gepaard, of is het als een ‘rivier van vrede’?

In de Jesajatekst vinden we de intocht van de ballingen uitgewerkt in een metafoor: een vrouw die een jongen (Hebr.: zakhar = man, mannelijk; NB: ‘mannetje’) baart, haast zonder weeën (Hebr: chil = weeën hebben). Verbazing alom; normaal gesproken is een geboorte immers een moeizaam proces. Na de geboorte van de ‘zoon’ (66,7 – NBV) volgen er meer: in één dag wordt een volk (hier wordt de algemene term goj gebruikt) geboren (66,8). Deze kinderen mogen zich nu laven aan de volle boezem van moeder Sion.

De zoon en het volk

Wie bedoelde (trito-)Jesaja met deze zoon en de kinderen die in zijn kielzog volgen? De kinderen representeren het volk van Israël dat terugkeert uit de ballingschap. En de jongen? Zijn identiteit is niet helemaal helder, maar hij behoort tot de eerste groep terugkerende ballingen. Misschien werd hij hun (geestelijk) leider, hun toekomstige koning of een profeet in hun midden. Omdat hij hier specifiek als eerste van de teruggekeerde ballingen genoemd wordt, is hij kennelijk een belangrijke representant van deze groep.

Ook in grammaticaal opzicht wordt de metafoor mooi uitgewerkt. Van een (onpersoonlijke) derde persoon meervoud: zij, de jongen en de kinderen, naar een tweede persoon meervoud: jullie. Het is de bedoeling dat de hoorders zich identificeren met de hongerige kinderen van Sion die nu eindelijk verzadigd mogen worden. De volle borsten veranderen in een ‘rivier van vrede’ (66,12 – NB) waaruit zij de ‘glorie der volkeren’ (Hebr.: kebhod gojim) mogen drinken. Dat betekent dat ze nu eerbied en respect van de volkeren zullen mogen genieten, in plaats van spot, vijandschap en onderdrukking. Zoals de jongen de eerste is van het teruggekeerde volk, zo is het volk in zijn geheel nu de eerste onder de volkeren.

Zeventig of tweeënzeventig?

Ook in Lucas 10,1-20 wordt een weg naar Jeruzalem gegaan, maar van een heel andere aard, niet van terugkeer uit de ballingschap. De (tweeën)zeventig moeten mensen in de plaatsen die Jezus op weg naar Jeruzalem aandoet, op zijn komst voorbereiden. Waren het er zeventig of tweeënzeventig? Beide aantallen hebben oude papieren. Het getal zeventig vinden we terug in Numeri 11,16, waar zeventig oudsten door Mozes tot opzichters werden aangesteld. Zij moesten naar de ontmoetingstent komen, waar de Geest op hen zou neerdalen. Twee van hen ontbraken daar: Eldad en Medad, maar ook zíj ontvingen in het tentenkamp de Geest en begonnen te profeteren (Numeri 11,26). Ook het Sanhedrin, de Hoge Raad in Palestina, telde zeventig leden. Voor het getal tweeënzeventig is aan te voeren dat dit zonder rest deelbaar is door twaalf. Wat betreft woordkeuze is er immers een duidelijke verbinding te leggen met de uitzending van de twaalf (Lucas 9,1-6). In ieder geval moet het getal der zendelingen hun groot gezag geven.

De arbeiders en de oogst: uitgestoten

Het verschil tussen de uitzending van de twaalf en de tweeënzeventig zit in de opdracht. De twaalf worden uitgezonden als herauten: om het Koninkrijk van God te prediken en zieken te genezen. Gewoonlijk worden de tweeënzeventig met de door hen te werven arbeiders gelijkgesteld. Zij moeten er immers voor zorgen dat er onderweg onderdak is voor Jezus, dat men van zijn komst op de hoogte is. Maar los hiervan moeten zij ook nog arbeiders werven voor de heer van de oogst. Want waarom worden deze arbeiders ‘uitgestoten’ (Gr.: ekballein – 10,2) in plaats van ‘uitgezonden’ (Gr.: apostellein), dat wordt gebruikt als het om Jezus’ leerlingen zelf gaat (10,1)? Dat de arbeiders worden ‘uitgestoten’ om de oogst binnen te halen, roept al negatieve associaties op, bijvoorbeeld met de zoon van de eigenaar van de wijngaard die in Lucas 20,15 wordt ‘uitgestoten’.

Om dit verband te kunnen begrijpen, moeten we eerst bepalen wie of wat in deze metafoor de oogst is. Dat zijn niet de zieltjes die gewonnen moeten worden. Het zijn ook niet Gods rijke gaven, die door Jezus beschikbaar komen: genezing van zieken en uitdrijving van demonen. Jezus spreekt hier over zichzelf, net zoals Hij met de zoon van de heer van de wijngaard in Lucas 20 zichzelf bedoelt. Hij is zelf de oogst die de arbeiders Jeruzalem moeten binnenhalen. De arbeiders zullen uiteindelijk degenen zijn die met palmtakken staan te wuiven bij Jezus’ glorieuze intocht in Jeruzalem! Zo verwijst het uitstoten van de arbeiders op voorhand naar de vervolging die zij moesten vrezen toen hun Messias zelf gekruisigd en naar de buitenste duisternis uitgestoten werd. De leden van de jonge gemeente zullen zich in deze arbeiders hebben herkend.

Uiteindelijk: vreugde

De tweeënzeventig moeten zich als goede gasten gedragen. Het is niet de bedoeling dat ze van deur tot deur gaan om te kijken waar ze het comfortabelste logies kunnen krijgen. Ze moeten eten en drinken wat ze krijgen aangeboden. Ze hoeven zich daarbij niet zo strak aan de spijswetten te houden. Ter plaatse mogen zij zieken genezen. Gelukkig komen de tweeënzeventig vol vreugde terug (10,17-20). Hun moeilijke taak als lammeren onder de wolven is uiteindelijk niet zo zwaar geweest. Zelfs demonen onderwierpen zich bij het horen van de naam van Degene die hen gezonden had. De oogst is groot, en de eigenaar, de Heer van de oogst, heeft voor arbeiders gezorgd!

Bij Jesaja 66:7-14 en Lucas 10:1-20

< Terug