< Terug

Preekschets Lucas 7:36-50

4e zondag na Epifanie

Lukas 7: 49
Zijn tafelgenoten dachten bij zichzelf: Wie is hij, dat hij zelfs zonden vergeeft?

Schriftlezing: Lucas 7:36-50

Thema: Jezus en de zondares

Het eigene van de zondag

Op deze zondag in de Epifaniëntijd een ontmoeting tussen Jezus en twee mensen, de een in aanzien, de ander veracht. Wat kan het geloof in Jezus Christus tot stand brengen? Paulus´ woorden in Romeinen 8:33-39 sluiten daarop aan.

Uitleg

Deze perikoop is Sondergut bij Lucas. Een merkwaardig verhaal over een al even merkwaardige gebeurtenis. Behalve Jezus zijn er twee mensen bij betrokken: een man, iemand uit de kring der Farizeeën, in aanzien en een vrouw uit dezelfde stad als de man, veracht, met de vinger nagewezen. Door Jezus wordt de positie van beiden fundamenteel doorgelicht.

De structuur en de opbouw van het verhaal is helder en duidelijk – een gelijk nis in het midden vormt een interessante illustratie.

Jezus krijgt van één van de Farizeeën de uitnodiging om bij hem te komen eten, toen en nu een teken van genegenheid en verbondenheid. Toch heeft deze man zijn reserves ten aanzien van Jezus, zoals in het tweede deel van de perikoop – na het hanteren van de gelijkenis – zal blijken.

Jezus aanvaardt de uitnodiging en gaat zoals destijds gebruikelijk was aanliggen aan tafel: het gezicht naar de tafel, leunend op de linkerelleboog, de voeten naar achteren gericht. Waarom Jezus was uitgenodigd, wordt niet verteld.

Met en zie wordt de aandacht gericht op de andere persoon in deze perikoop. Het is een vrouw die in de stad bekend stond als zondares (hamartoolos) – waarom wordt niet vermeld. Wel wordt vermeld dat zij ongevraagd het huis van de Farizeeër binnengaat als zij bemerkt dat Jezus daar aan tafel is. Waarom zij binnengaat, kan een logisch gevolg zijn van de mededeling in vers 34 waar Jezus zelf zegt

dat hij de reputatie heeft een vriend van tollenaars en zondaren te zijn. Blijkbaar heeft zij van die reputatie geweten en daaruit moed geput. Zij heeft een albasten kruik met mirre meegebracht – een duur produkt – om Jezus haar eerbetoon te bewijzen. Het was haar bedoeling de voeten van Jezus te zalven – zij ging achter hem staan. Zijn hoofd – toch de gebruikelijke plaats – aan de voorzijde bij de tafel durfde zij niet te zalven. Wenend begon zij met haar tranen zijn voeten nat te maken. Ze droogde ze met haar loshangend haar – in die tijd onfatsoenlijk, zelfs schaamteloos en volgens rabbijnse bronnen een reden tot echtscheiding. Zij kuste zijn voeten en zalfde ze met de kostbare mirre-olie. Uit alles blijkt dat zij met de reputatie in de stad een zondares te zijn, zich de grote afstand bewust is die er tussen haar en Jezus bestaat.

Maar haar eerbied en haar eerbetoon zijn beide gemeend: ze komen uit haar hart.

De reactie van de Farizeeër – een geacht en wetsgetrouw man – is die van de nette burger van nu, ingepakt in de bewoordingen van die tijd. Hij praat in zichzelf, maar heeft Jezus op het oog. Als deze Jezus – zijn gast aan tafel – een proleet was dan zou hij toch hebben moeten beseffen wat voor type die vrouw was.

In de in zichzelf gestelde vraag ligt een wereld besloten – een wereld waarin zelfgenoegzaamheid, zelfrechtvaardiging, burgermansfatsoen en spijt besloten liggen.

Jezus reageert messcherp. Hij heeft zijn gastheer dóór tot op de bodem. Hij reageert op de woorden die de Farizeeër in zichzelf sprak en die een ander dus niet kon horen, met profetisch inzicht. Hij spreekt hem aan als mens, bij zijn eigen naam; Simon. Door hem zó te noemen en hem te zeggen dat hij hem iets te zeggen heeft, krijgt het gebeuren een persoonlijk karakter. Gelukkig reageert de ander ook. Daarmee is een opening gemaakt ván en náár elkaar.

Dan volgt de gelijkenis: een schuldeiser had twee mensen die bij hem in het krijt stonden, de een voor vijfhonderd, de ander voor vijftig schellingen. Een schelling (dènarion) was destijds het dagloon van een arbeider of de soldij per dag van een Romeins soldaat.

Beiden konden hun schuld niet betalen. Beiden wordt de schuld kwijtgescholden. Over het hoe, het wat en het waarom wordt niets verteld. Wel volgt onmiddellijk daarop de vraag van Jezus: wie van hen zal hem dan (= dus) het meest liefhebben?

Let wel: niet: dankbaar zijn, maar: liefhebben (agapan). Jezus bedoelt kennelijk dat het om meer gaat dan alleen dankbaarheid, maar dat het gaat om een diepe, existentiële verbondenheid als gevolg van de kwijtschelding van schuld.

Het antwoord van Simon, de Farizeeër is voorzichtig, houdt een slag om de arm: ‘Ik onderstel, ik vermoed degene aan wie hij het meeste geschonken heeft (echarisato)’. Geen rechtstreeks antwoord op de binnenkant van de vraag, al wordt in het woordje ‘het meeste’ wel aangesloten bij de vraag maar dan in de technische zin van het woord.

Jezus reageert op Simons woorden correct met: ‘U hebt op juiste wijze geoordeeld (orthoos ekrinas)’ Maar daarmee is de kern van de zaak niet beantwoord. De pointe komt nu. Als zo vaak gaat het in de bijbel niet om een tijdloze waarheid, maar om een concrete situatie waarbij mensen zijn betrokken. De gelijkenis van de schuldeiser met de twee schuldenaars is niet voor niets uitgesproken. Hij fungeert als een spiegel: twee schuldenaars, de ene was vijfhonderd schellingen schuldig, de andere vijftig. In de ene kon de vrouw uit de stad met de slechte reputatie zich herkennen, in de andere Simon. Jezus betrekt de vrouw er nadrukkelijk bij en noemt precies alles wat zij wél en Simon níet had gedaan om Jezus als gast de hem toekomende eer te betonen. Op zeer bijzondere wijze heeft zij tot drie keer toe haar eerbetoon bewezen.

Op grond daarvan kan Jezus zeggen dat haar zonden haar vergeven zijn al waren het vele (vijfhonderd), want zij heeft veel liefde betoond (hetzelfde werkwoord in de aoristus als in vs 42). Maar ook het omgekeerde geldt: wie weinig vergeven is, die betoont (presens) van zijn kant weinig liefde.

Wat Jezus te zeggen heeft tegen Simon (vs 40) is gezegd. Blijft nog de vrouw die van Jezus de voor haar zo ingrijpende woorden te horen krijgt: ‘Uw zonden zijn U vergeven’ (perf. passiv. net als in vs 47 wijst het passiv. divin. erop dat het God is die vergeeft). Haar verleden is definitief voorbij. Haar zonden heeft Jezus in Gods volmacht vergeven. Zij kan een nieuw leven beginnen.

De reactie van de tafelgenoten is die van verbazing, ook van ergernis: wie is deze (houtos met minachting bedoeld) dat hij zelfs de zonden vergeeft? Zonden vergeven was en is een prerogatief van God – wie durft zich in zijn plaats te stellen?

Nog eenmaal komt de vrouw in beeld: Uw geloof heeft U behouden, ga heen in vrede, zegt Jezus tegen haar. Haar geloof (pistis) heeft ervoor gezorgd, dat zij als mens behouden bleef, niet verloren ging. Zij toonde haar geloof in haar eerbied voor, haar eerbetoon jegens, haar liefde tot, haar diepe, existentiële verbondenheid met Jezus. Zij mag haar verdere leven in vrede leven. Was dit een gewone afscheidsgroet of bedoelde Jezus te zeggen dat haar in deze vrede een nieuwe weg ten leven werd gewezen – in en met het van God komende heil?

Aanwijzingen voor de prediking

Het kan bijzonder effectief werken deze perikoop grondig met elkaar te bespreken door scherp te letten op: wie zegt wat tegen wie – waarom en wanneer. Op deze manier krijgen structuur en opbouw van deze perikoop diepte en perspectief. Het is zinvol Paulus’ woorden in Romeinen 8:33-39

als epistellezing erbij te betrekken, zoals het ook zinvol is een psalm als blijk van geloofsvertrouwen te kiezen als schriftlezing Oude Testament (b.v. Psalm 28:2, 40;1-4, 42, 43, 51:1-15, 54, 56:1-5, 57 1-4, 102:1-3, 123, 130).

Liturgische aanwijzingen

Schriftlezing: Romeinen 8:33-39

Liederen Psalm 84:1, 2,6; LB 70:1,2,6; LB 130, 280.

< Terug