< Terug

Zelfkennis en nederigheid

Bij Jeremia 14:7-10.19-22 en Lucas 18:9-14(17)

In onze cultuur zijn we wat we bereikt hebben of wat we tot stand brengen – dat lijkt het overheersende adagium in een prestatiemaatschappij als de onze. Afrekening per saldo vindt plaats op de resultaten van geleverde inspanningen. Het gaat er om dat we iets bereiken en dat een vooropgesteld doel gerealiseerd wordt.

Onze kinderen brengen we het al vroeg bij op de scholen waar ze naartoe gaan. Ook speelt het een rol in de gezondheidszorg waar gedacht en geredeneerd wordt in termen van efficiënt werken en productiviteit en dito zorgproducten. En binnen het godsdienstig domein? Ook daar loert het gevaar van het prestatiegerichte denken. Maarten Luther stelde zichzelf de prangende vraag: ‘Hoe krijg ik een genadige God?’ Niet door te vertrouwen op prestatie of verdienste, maar alleen door geloof en genade. De lezingen uit Jeremia en Lucas lijken bij elkaar geplaatst te zijn vanwege het belang van schuldbesef en inzicht in eigen tekortkomingen als basis voor de verhouding tot God.

Bekentenis

Coram Deo beschikt een mens maar bitter weinig om zich op te beroemen. Wie voor God verschijnt, doet dat met lege handen. Dat besef komt bij de lezing uit Jeremia sterk tot uitdrukking: ongerechtigheid getuigt tegen ons, want het is tegen God dat wij gezondigd hebben. De aanleiding voor de schuldbekentenis in dit gedeelte wordt gevormd door een grote droogte in Juda, die op beeldende wijze beschreven wordt (Jer. 14,2-6). De ontstane situatie in het land noopt tot kritische zelfreflectie, uitlopend op een krachtig boetegebed. Dat gebed vormt de basis voor het beroep dat op de HEER gedaan wordt: ‘Om Uws Naams wil (14,7.21), laat ons niet over aan onszelf!’ De formulering uit de Statenvertaling komen we vaker in het psalter tegen, bijvoorbeeld in Psalm 23,3; 25,11; 31,4 en 79,9. God wordt gevraagd en gebeden om een reddende daad te verrichten, omwille van zijn naam. In de bede zit duidelijk ook een element van erkenning: het is God die het verbond met zijn volk gesloten heeft (14,21) en Hij is bij machte om met regenbuien een einde te maken aan de droogte (14,22).

Karikatuur

Nadat met de gelijkenis over de weduwe en de onrechtvaardige rechter de nadruk gelegd werd op de noodzaak om te blijven bidden (Luc. 18,1-8), geeft Jezus nu een instructie over de wijze van bidden. De gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar maakt gebruik van een beproefd bijbels procedé: een gedachte wordt verduidelijkt met behulp van twee tegenovergestelde verhaalfiguren – Kaïn versus Abel, Abraham versus Lot, Marta versus Maria. Twee verschillende gebedspraktijken zijn aan de orde. Het gaat erom dat duidelijk gemaakt wordt wat rechtvaardiging eigenlijk is: aanvaardbaar zijn voor God. De farizeeer staat model voor iemand die zich uitput in een wetsgetrouw leven, in het volbrengen van alle voorschriften en bepalingen van de Tora. Hij laat zich vooral graag voorstaan op zijn godsdienstige prestaties. Het is duidelijk dat hier sprake is van een karikatuur. Dé farizeeër bestaat niet! Het zijn vooral nieuwtestamentische teksten die bijgedragen hebben aan de negatieve beeldvorming van deze groepering ten tijde van Jezus. Zij komen daarin bijvoorbeeld naar voren als hypocriet. Dat is niet terecht, want het beeld van de farizeeën is nogal eenzijdig gekleurd door de felle confrontaties die Jezus met hen heeft, en door de polemische sfeer waarin zij als opponenten van Jezus verschijnen. Wie kennisneemt van rabbijnse teksten over deze groepering komt al snel tot een veel genuanceerder beeld en zal ook weerstand kunnen bieden aan de verleiding om in een ‘zwart-witschema’ over hen te spreken. In het traktaat Berachoth van de Talmoed Yerushalmi komt een opsomming voor van zeven soorten farizeeën, waarvan alleen de laatste twee als positief aangemerkt kunnen worden.

Presteren voor God?

Ten overstaan van God komt de farizeeër in de gelijkenis tot een imposante opsomming van al zijn ‘goede werken’. Van God verwacht hij een passende beloning voor alle geleverde inspanningen. Een kwestie van calculeren en vervolgens degelijk werk leveren. Tot viermaal toe liefst spreekt de farizeeër over zichzelf en zijn prestaties: ik, ik, ik. Hij laadt de verdenking op zich dat hij kampt met een narcistische persoonlijkheidsstoornis, ook door zich met anderen te vergelijken (‘die tollenaar daar’) om dan als superieur uit de bus te komen.

De tollenaar is de contrastfiguur in de gelijkenis. Vanwege zijn collaborerende houding staat hij bij voorbaat in een kwaad daglicht. Hoe schril steekt hij af bij al het gepoch en de religieuze grootspraak! Er is dan wel een duidelijke overeenkomst tussen deze twee godsdienstige mensen (beiden waren naar de tempel gekomen voor het gebed), maar verder bestaat er een wereld van verschil in gebedshouding, in lengte, inhoud en toon van het gebed. Terwijl de farizeeër een omhaal van woorden nodig heeft om God te overtuigen van zijn eigen gerechtigheid, komt de tollenaar niet verder dan het citeren van Psalm 51: ‘Wees mij genadig…’ Hij vindt het zelfs niet nodig om God te herinneren aan wat er in zijn leven fout zit. God weet het toch wel…

Het denken in termen van prestatie en eigen verdienste is volgens de Bijbel drijfzand: het biedt niet echt houvast. ‘Mijn genade is U genoeg,’ kreeg Paulus, gewezen farizeeër, van God te horen ná zijn bekering, ‘want kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid’ (2 Kor. 12,9). Niet wie zich verhoogt wordt bij God gerechtvaardigd, maar wie zijn zwakheid onder ogen durft te zien en het durft te belijden: dáár wordt de kracht van God geopenbaard. De liefde van God is onvoorwaardelijk, die hoeft niet eerst verdiend te worden. Nee, die kán niet eens verdiend worden. De liefde van God valt je zomaar ten deel. Het is gratie en géén prestatie.

< Terug