Preekschets Galaten 5:1
Galaten 5:1
Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt.
Schriftlezingen: Jer. 7:2-7; Mat.7:13-23; Gal. 5:1 -12
Het eigene van de zondag
Algemeen
Zesde zondag na Trinitatis
Specifiek
In de oud-Romeinse traditie heet deze zondag de ‘zondag van boom en vrucht‘. Deze typering komt uit de lezing van Matteüs 7. De scherpte van Jezus’ woorden vinden we weerspiegeld in de perikoop uit Galaten.
Uitleg
Paulus richt zich in zijn brief aan de Galaten tegen ‘dwaalleraren’ die een ander evangelie brengen dan het zijne. In tegenstelling tot Paulus verkondigden zij de noodzaak van besnijdenis (5:1-2,12;6:15). Het gaat hierbij om joodse christenen die de wet onverkort wensten te handhaven, Paulus brengt tegen hen in stelling, dat de christenen een nieuwe gemeenschap vormen waarin de Geest regeert, mensen vrij zijn en verschillen tussen mensen wegvallen. Als zodanig is deze nieuwe gemeenschap in Christus voor Paulus zelfs een ‘nieuwe schepping’ (6:15). Paulus valt de prediking van zijn tegenstanders hard aan. Hij is kwaad op de Galaten dat zij zich hebben laten meeslepen en waarschuwt hen dat zij zich niet moeten laten besnijden (1:6.9; 3:1; 5:12; 6:12). De felheid waarmee Paulus te keer gaat, tekent het grote belang dat hij aan de kwestie toekende. De eenheid van de gemeente was telkens voor Paulus een essentieel punt. Waar deze in gevaar kwam, bijvoorbeeld door een in de ogen van Paulus foute prediking, kwam Paulus in het geweer. In de passage van vandaag draait het om de tegenstelling tussen bevrijding en knechting. In Jezus Christus is een zó nieuw begin gemaakt, dat al het oude heeft afgedaan. Wie teruggaat naar de regels die voordien golden – en zo beschouwt Paulus de verkondiging van zijn tegenstanders – knecht de mensen die door Jezus Christus juist zijn bevrijd. Die bevrijding bestaat uit het nieuwe leven van de gemeente, als een voorafbeelding van hoe het in het Koninkrijk zijn zal.
Vers 1 is de uitgangsthese waaruit Paulus argumenteert. De vrijheid van een christen is bepaald door Christus: híj is degene die ons heeft ‘vrijgemaakt’. Paulus wijst hier op de komst van Jezus (vgl. 4:4-5), waarmee God heeft ingegrepen in de geschiedenis en een begin heeft gemaakt aan het komende einde. Het effect voor de christenen is een kwalitatief nieuw bestaan dat zich kenmerkt door de vrijheid in de Geest. Omwille van deze vrijheid moeten de Galaten zich hoeden voor een hernieuwing van het ‘slavenjuk’, de herinvoering van de joodse wet.
De verzen 2 en 3 geeft een persoonlijke verzekering van Paulus dat de wet niet tot heil leidt, omdat de wet in zijn geheel moet worden nagekomen. Paulus acht het buiten de mogelijkheden van de mens dat dit ook lukt.
Heel scherp verklaart Paulus in vers 4 dat de Galaten buiten Christus niet onder de genade vallen – zij kunnen, zo redeneert Paulus, bij het komende oordeel (dat hij als nabij verwachtte) alleen rekenen op genade van Godswege, wanneer zij ‘in Christus’ zijn. Alleen de belijdenis van Jezus Christus leidt tot rechtvaardigverklaring, niet de tot mislukken gedoemde poging de wet te houden.
De NBG-vertaling spreekt in vers 5 wat ongelukkig over het ‘verwachten van de gerechtigheid’ alsof het erom gaat dat God op enig moment zal tonen wat ‘gerechtigheid’ is. Beter is het als in de Leidsche Vertaling dikaiosune te vertalen als ‘rechtvaardiging’, dat wil zeggen: rechtvaardig verklaring (‘wij verwachten door den Geest hoopvol de rechtvaardiging op grond van geloof’). Paulus spreekt de verwachting uit bij het komende oordeel dankzij de Geest rechtvaardig verklaard te worden door het geloof. Hier spreekt opnieuw de apocalypticus: de gemeente is de door de Geest van God gevormde gemeenschap die haar kern heeft in het geloof.
In vers 6 onderstreept Paulus dan eens te meer, dat de gemeenschap in Christus er een is waarin alle verschillen wegvallen. Zoals hij elders spreekt over het weggevallen onderscheid tussen jood en Griek, heer en slaaf, man en vrouw, zo noemt hij hier op grond van polemische argumenten alleen besneden en onbesneden zijn. Het gaat in deze gemeenschap om ‘geloof, door liefde werkende’. Een belangrijk punt hierin is, dat geloof dus wel moet overgaan tot daden!
In de verzen 7-10 verwijst Paulus weer naar zijn opponenten en legt aan de Galaten uit, dat deze lieden hun prediking niet van God hebben (vs 8). De vergelijking met het zuurdeeg in vers 9 komt woordelijk ook voor in 1 Korintiërs 5:6 en is vermoedelijk een geciteerd spreekwoord. Paulus bedoelt, dat ‘één rotte appel de hele fruitmand kan bederven’. Hij roept de gemeente op de gelederen te sluiten tegen de in zijn ogen valse prediking.
Paulus noemt in vers 11 de prediking van het kruis van Christus als oorzaak voor zijn vervolging: zijn betrokkenheid bij het geval is dus meer dan intellectueel, Paulus is volledig existentieel, persoonlijk in het spel. Hij heeft verdrukking en vervolging te verduren vanwege zijn prediking. In zijn eigen ogen is dit te danken aan ‘het aanstotelijke van het kruis’ (vgl. 1 Kor. 1:22-24).
In vers 12 haalt Paulus nog eens ongekend fel uit naar zijn tegenstanders: ze moesten zich maar laten castreren. Het is duidelijk dat er voor hem veel op het spel staat. De kwestie die aan de orde is, de noodzaak van besnijdenis, is voor Paulus een kernpunt in zijn visie op de christelijke gemeenschap. Wie de wet van Mozes opnieuw wil introduceren (en daarmee de besnijdenis) ondergraaft in essentie van de eenheid van de christelijke gemeente.
Aanwijzingen voor de prediking
-
Het is, zoals gezegd, opmerkelijk hoe fel Paulus in deze passage is. Hij verraadt duidelijk dat het onderwerp hem zeer ter harte gaat. Hij heeft zelf afscheid genomen van de wet van Mozes en schiet volledig uit zijn slof nu anderen proberen deze wet opnieuw te introduceren. Theologisch gesproken is voor Paulus de wet vervallen door de komst van Christus. Hiermee is God een nieuwe weg ingeslagen, waarop Hij gaat met joden en niet-joden samen. Herinvoering van de wet betekent voor Paulus dus theologisch gezien een ontkenning van de ‘nieuwe schepping’ (6:15) waarmee God een begin heeft gemaakt. Ook psychologisch gezien is de felheid van Paulus een belangrijk punt, Paulus heeft alles opgegeven voor die ene gedachte: het nieuwe leven in Christus, waarbij de wet heeft afgedaan. Dit ene is hem zó kostbaar, dat hij alleen al bij de gedachte dat eraan getornd zou worden, furieus wordt. Wij kunnen ons verbazen over de felheid van Paulus, maar zouden er tegelijk goed aan doen hem enigszins na te volgen in het grote belang dat hij toekent aan het nieuwe leven in de gemeente van Chdstus. Voor Paulus moet het leven van de gemeente een voorafbeelding zijn van het Koninkrijk Gods. Het is goed wanneer wij ons daar rekenschap van geven en ermee aan het werk gaan.
-
Nauw met het vorige punt hangt samen, dat de eenheid van de gemeente voor Paulus een heilig goed is. Maar heilig goed of niet, zij is moeilijk bereikbaar. Wij lezen zijn brief na bijna twintig eeuwen kerkgeschiedenis, vol schisma’s, scheuringen en splitsingen. Wij moeten wel erkennen dat de eenheid alleen bestaat in de idee ‘kerk’ en niet in de feitelijke kerk. Daarvoor zijn er te veel denominaties en modaliteiten. Toch is het mogelijk het perspectief om te keren. De veelheid springt in het oog, wanneer we kijken naar de menselijke kant van het verhaal. We worden het niet eens over belijdenisgeschriften, sacramenten, kerkorde en noem maar op. Maar eenheid vinden we in de gedachte dat God aan het begin van ons leven als gemeente van Christus staat. Juist deze gedachte is het, die Paulus te vuur en te zwaard verdedigt. Zijn hoge waardering voor de eenheid is voor onze huidige kerken een opdracht.
-
Paulus spreekt in deze passage over de rechtvaardiging door het geloof, een gedachte die in de theologiegeschiedenis een essentiële rol gespeeld heeft (b.v. Luther, Barth). In zijn ogen wordt de nieuwe gemeenschap gevormd door het geloof in Jezus Christus, niet door het houden van de wet. Onder ‘rechtvaardiging’ verstaat Paulus een positief oordeel door God bij de komst van zijn Rijk. In modernere taal: Paulus acht het geloof in Jezus Christus een noodzakelijke voorwaarde voor heil. Dit houdt uitdrukkelijk niet in, dat de gelovige ‘er is’. Het gaat Paulus om ‘geloof, door liefde werkende’. Dat betekent, dat het geloof van de christelijke gemeente door een actief handelen vanuit de liefde gestalte moet krijgen. Rechtvaardiging uit het geloof mag dus nooit worden opgevat als rechtvaardig bevonden worden op grond van het geloof. Het gaat om een levenshouding van geloof en werkende liefde.
-
In die levenshouding ontstaat de vrijheid waarover Paulus spreekt. ‘Waarlijk vrij’ zijn, dat is leven in de nieuwheid van het bestaan door het geloof in Christus. In onze hedonistische cultuur wordt vrijheid al gauw opgevat als ‘alles kunnen doen waar je zin in hebt’. Dat is uitdrukkelijk niet wat Paulus bedoelt. Het gaat hem om ‘alles doen wat ten goede leidt’. Ware vrijheid is een leven zonder angst. Het is tot een dergelijk leven dat Christus ons bevrijd heeft. Angst kan een mens hebben voor de dingen die hem/haar overkomen en voor de dingen die hij/zij zelf doet. Voor dingen die een mens overkomen is angst niet nodig: daar doe je namelijk niets tegen. Voor dingen die een mens zelf doet, is angst niet nuttig: je kunt beter zorgen in goede harmonie met God en medemens te leven en fatale fouten te vermijden. De bevrijding door Christus bestaat nu hierin, dat onze fatale fouten, als wij ze tenminste berouwen, ons niet eeuwig aangerekend, maar vergeven worden. Hierdoor ontstaat een nieuw leven, waarin liefde heerst in plaats van angst.
Liturgische aanwijzingen
-
Psalm 18:1,2,9
-
Gezang 33; 252; 485 (LB)