< Terug

De hemel van tutu

Kerk als kwestie van karakter

Juist in deze individualistische tijd kunnen we persoonlijke groei zoeken en vinden door ons te verbinden met anderen. Dat klinkt wellicht tegenstrijdig, maar is het dat ook?

Wanneer Desmond Tutu in 2013 te gast is in het televisieprogramma College Tour vertelt hij aan de studenten in de zaal het volgende verhaal: Als je een kijkje zou kunnen nemen in de hel, dan zou je zien dat er een enorm feest aan de gang is, met lange tafels vol met lekker eten. Elke feestganger heeft naast zijn bord een lepel. Die is zo lang is dat je ’m met geen mogelijkheid in je eigen mond kunt steken. Diep gefrustreerd probeert iedereen iets binnen te krijgen, wat natuurlijk niet lukt. Van al dat heerlijks krijgt niemand een hap naar binnen.

Dan mag je even kijken in de hemel. Zelfde tafereel: groot feest, heerlijk eten op mooi gedekte tafels en mensen met precies zo’n lepel met een lange steel. Maar daar hebben ze begrepen dat die lepel is bedoeld om degene tegenover je van voedsel te voorzien. Geen hap komt verkeerd terecht.

Eigenlijk moet je het Tutu hóren vertellen, met zijn kenmerkende dictie en aanstekelijke lach. Het is evident wat hij ermee wil zeggen, in een context van overwegend Amsterdamse seculiere studenten. Dit verhaal heeft een moraal. Je naaste zit soms tegenover je. We zijn geroepen om elkaar te voeden. En de belangrijkste dingen in het leven zijn niet maakbaar, maar moeten je door anderen geschonken worden.

Ik heb twee gedachten bij Tutu’s verhaal. Eén: hoewel universeel van strekking, heeft het een herkenbaar joods-christelijke oorsprong. De Bijbel vertelt dit verhaal. Zó zijn we bedoeld. De jongste generaties in onze samenleving krijgen van de bijbelse traditie nauwelijks nog iets mee. Een kans dus en een opdracht voor de kerk om deze verhalen te vertellen. Ethiek en moraal zijn vandaag meestal op principes of rechten gefundeerd. Maar die kunnen maar moeilijk bezielen. Verhalen kunnen dat veel beter. Tutu wist dat als geen ander.

Twee: wat was uiteindelijk het effect van dit verhaal? De studenten werden voor een ogenblik tot nadenken aangezet. Mogelijk heeft iemand van hen er later nog wel eens aan teruggedacht. Wat zou er gebeurd zijn als Tutu er ter plekke een oefensessie van gemaakt had? Met lange tafels, prachtig eten én die veel te lange lepels? Wat als de studenten, eerst giechelend maar allengs serieuzer, hun best hadden moeten doen om elkaar te voeden? Wat als het verhaal realiteit geworden was? Dan was er iets ontstaan dat geen van de aanwezigen ooit nog zou vergeten. Iets dat je karaktervorming zou kunnen noemen.

De jongste generaties nu krijgen van de bijbelse traditie nauwelijks nog iets mee

Opener dan ooit

De redactie van dit blad heeft me uitgedaagd om iets te schrijven over een paar statements in mijn recente boek Opener dan ooit. Nieuwe kansen voor kerken. Eén van de hoofdstukken handelt over hoe je commitment geeft aan een kerk (in de zin van christelijke gemeenschap). In mijn context, Amsterdam, heb ik een doelgroep van mensen die niks (meer) met kerk hebben. Dat klinkt negatief, maar het schept vooral ruimte. Feitelijk werk ik met studenten zoals Tutu ze voor zijn neus had en de generatie daarboven.

Ik hanteer een strategie die twee brandpunten heeft. Enerzijds laat ik mijn doelgroep heel veel ruimte om te bepalen óf ze een stap richting commitment willen zetten. Mijn publiek is over het algemeen individualistisch, gezond kritisch en zeer terughoudend om ergens bij te willen horen. Dat brandpunt zie je in de titel van het hoofdstuk terug: Misschien gewoon eens proberen? Ik push op geen enkele manier en ben niet teleurgesteld als mensen zeggen ‘nee, dank je’. Bij zo’n oprecht onbevangen houding hoort vervolgens wel een ander brandpunt. Een proeverij is heel vrijblijvend, maar werkt alleen als de aanbieder ervan overtuigd is dat er iets te proeven valt. Beter nog: als de aanbieder kan adviseren over smaken en combinaties.

Waarom geloof ik zelf in de kerk, of meer nog: waarom raakt het verhaal van Tutu mij? Tutu boort bij mij een verlangen aan. Een verlangen om te groeien in karakter. Ik denk dat er hele goede redenen zijn, juist ook voor meer individualistisch ingestelde mensen zoals ik, om zich met anderen te verbinden. Ik denk dat die redenen duidelijk en kernachtig onder de aandacht gebracht moeten worden. Ik zie bij de studenten – die Tutu’s kleinkinderen hadden kunnen zijn – hoe ze geraakt zijn door zijn verhalen en oneliners over een betere wereld waarin ruimte is voor iedereen en hoe God dat zo bedacht en bedoeld heeft.

In feite gebeurt hier wat de filosoof Charles Taylor vaak zegt: mensen zoals deze studenten kunnen veel en hebben veel. Maar wat onze cultuur je niet leert, is om contact te maken met morele en spirituele bronnen. De vragen wie ik ben, wat goed is om te doen of wat het hogere doel is, zijn niet (geheel) vanuit psychologie te beantwoorden. Bij het verhaal van Tutu over de lepels horen achterliggende vragen: raakt dit je? Lijkt onze samenleving op de hemel of de hel? Gelóóf je in Tutu’s hemel (wat natuurlijk primair een idee over de aarde is)? Hoop je er op? Durf je er van te ontvangen? Wil je er aan bijdragen?

Als Tutu die avond een Amsterdamse kerk gestart zou zijn, zouden heel wat studenten gezegd hebben: ik kom zeker kijken. Misschien gewoon eens proberen!

Mensen kunnen veel en hebben veel, maar leren niet contact te maken met morele en spirituele bronnen

Je met anderen verbinden

‘Naar de kerk gaan’ is geen uitdrukking die past bij deze tijd. ‘Je verbinden met anderen’ is dat zeker wel. Naar mijn idee komt de tweede omschrijving in de buurt van het nieuwtestamentische concept van een ‘gemeente’. Ik denk steeds vaker dat we die gemeente te heilig hebben gemaakt. Dat het in de kern gaat om mensen die zich met elkaar verbinden.

Opnieuw: er zijn goede redenen om dit te doen. In mijn boek noem ik er vier, die ik niet zelf bedacht heb, maar die ik ontleen aan een ‘aarts-individualist’, de New Yorkse journalist en televisiemaker David Brooks. Hij dacht lange tijd dat hij niemand nodig had. Hij kon het allemaal zelf wel. Pas toen hij in een diepe crisis belandde, die hem onder meer zijn huwelijk kostte, besefte hij hoezeer hij ‘los’ leefde, in de zin van onverbonden.

Je zat wat dat betreft dus in de hel, zou Tutu tegen hem zeggen. Brooks vond de hemel overigens letterlijk aan een tafel, te midden van tientallen andere mensen. Mensen stopten daar niet letterlijk lepels in elkaars mond. Wel zagen ze elkaar, luisterden naar elkaar, bemoedigden elkaar. Veel van die mensen zaten lager op de maatschappelijke ladder dan Brooks. Maar er is nog een andere ladder. Eentje die met echt mens-zijn te maken heeft. Op die ladder waren ze hoger geklommen dan hij. Hij was er nog niet aan begonnen, zegt hij zelf. Je hebt andere mensen nodig om jezelf te worden, om een doel te vinden, om een hoger level van vrijheid te vinden én om karakter te ontwikkelen. Ik licht de laatste twee nog wat nader toe.

Augustinus

Dat je andere mensen nodig hebt om des te meer vrij te zijn, klinkt voor hedendaagse mensen als vloeken in de kerk. Toch is het een oude gedachte, die teruggaat op de kerkvader Augustinus. Augustinus leefde lang volgens een patroon van ‘los van alles en iedereen’. Van je vader en je moeder. Van een specifieke levensbeschouwing of ethiek. Van God los ook.

Maar in zijn Belijdenissen, de eerste echte autobiografie uit de Westerse geschiedenis, schrijft hij hoe hij zich juist op die weg – ontsnappen aan alles – steeds meer gevangen begint te voelen. Zijn leven ging zelfgenoegzaam voelen, met de bijbehorende onrust over dat dit onmogelijk is. Je eigen hart zegt nóoit: nu is het wel genoeg. Het blijft onrustig. Totdat je je met iemand of Iemand anders durft te verbinden.

Als een hedendaagse Augustinus schrijft Brooks over hoe hij zijn hart heeft weggegeven. Aan een geliefde en aan God. Hoewel ik meer christen ben geworden, blijf ik joods én soms een atheïstische New Yorker, tekent hij daar eerlijk bij aan. Voor mij verhoogt dat zijn geloofwaardigheid. Immers, zelfs Augustinus zei dat aan deze zijde van de dood de onrust nooit geheel verdwijnen zal.

Een hand uitsteken naar iemand kan iedereen. Maar je nek uitsteken voor iemand?

Peter van Uhm

Ergens bij horen is karaktervormend. Dat ‘erbij horen’ geldt dan in diepere zin: je kiest ervoor om niet weg te lopen, zelfs niet als het lastig wordt. Denk aan Desmond Tutu die als Anglicaan een veel gemakkelijker leven in bijvoorbeeld Londen had kunnen leiden. Hij bleef in Zuid-Afrika, ook in de donkerste tijden voor zijn land. Zijn diepe wijsheid en genadige houding zijn in een lange reeks van jaren gegroeid en gevormd, juist onder de druk waar hij lange tijd onder leefde.

Generaal Peter van Uhm zegt het zo: ‘Een hand naar iemand uitsteken, kan iedereen. Maar je nek voor iemand uitsteken? Dat durven er maar weinig.’ Wat is meer een kwestie van karakter, de hand of de nek? De vraag stellen is haar beantwoorden. Door de – heel diverse – vormen van christelijke gemeenschap waarvan ik zelf onderdeel was of ben, is mijn karakter gegroeid. Ik heb meer geduld met mensen. Ik ben eerlijker over mezelf. Ik blijf soms, juist als het moeilijk is.

En vooral, mede door spannende werkprocessen waarin ik in deze tijd betrokken ben (het stichten van een community, het exploiteren van een 17e-eeuwse kerk): ik kan het volstrekt niet zelf. Ik ben diepgaand aangewezen op de vriendschap, de support, de feedback, de creativiteit en de trouw van anderen.

Wil je groeien in karakter? Verbind je dan diepgaand met andere mensen. Weet je niet precies hoe dat moet? Hopelijk is er een geschikte gemeente in je buurt. Je aarzelt nog? Begrijp ik. Doe ik zelf ook. En toch: misschien gewoon eens proberen. Juist nu.

Tim Vreugdenhil is predikant-directeur van Citykerk Amsterdam en daarnaast stadspredikant bij de Protestantse Kerk Amsterdam. In 2021 verscheen zijn boek Opener dan ooit. Nieuwe kansen voor kerken.

< Terug