< Terug

Een boek verslinden

We lezen dat Ezechiël een boekrol te eten krijgt. Deze bijdrage schetst de context van deze bijzondere handeling en vraagt naar haar betekenis. De profeet blijkt drager te worden van het zuchten van God, met voor hemzelf drastische consequenties. Aan het slot is er aandacht voor het boekje dat in Openbaring 10 gegeten wordt en krampen geeft.

Tussen de boeken van Jeremia en Ezechiël bestaan veel verbanden

Adri van der Wal is predikant in Hoofddorp. Van zijn hand verschenen diverse publicaties over oudtestamentische onderwerpen.

Twee profeten

Van twee profeten vertelt het Oude Testament dat zij de woorden van de Eeuwige ‘eten’: van Jeremia en van Ezechiël (Jeremia 15,16; Ezechiël 2-3). Beide profeten zijn afkomstig uit priesterlijke kringen. Ezechiël treedt op onder de Judese ballingen in Babel, Jeremia in Juda. Tussen de boeken van beide profeten bestaan veel verbanden. Betekent dit dat Ezechiël de profetieën van Jeremia heeft gekend en mogelijk van hem afhankelijk was? Of moet men, omgekeerd, zeggen dat Jeremia van Ezechiël afhankelijk was? Of moet men zeggen dat beiden uit eenzelfde bron hebben geput? Ik ben geneigd voor de laatste optie te kiezen. De tekst uit Jeremia 15 is een onderdeel van één van Jeremia’s ‘confessies’, Jeremia 15,10-21. De confessies zijn persoonlijke uitingen waarin de profeet zich beklaagt over de moeilijkheid waarin zijn profeet-zijn hem bracht. In vers 15 verwoordt Jeremia tegenover God dat hij vanwege Gods woorden belasterd wordt. Hij vraagt de Heer om zich om hem te bekommeren en wraak te nemen op zijn vervolgers. Hij roept tot God dat Hij niet zoveel geduld met zijn tegenstanders moet hebben dat het hem het leven kost. Hierop volgt in vers 16 de zelfrechtvaardiging van de profeet (NBG-1951):

Zo vaak uw woorden gevonden werden, at ik ze op, …

Om daarna te klagen over zijn eenzaamheid (v. 17). Uiteindelijk volgt een hernieuwing van de profetische roeping (vv. 19-21). Ezechiël krijgt bij zijn roeping tot profeet van God een boekrol te eten, van buiten en van binnen beschreven met klaagliederen, zuchten en weeklachten. Zo moet hij zich Gods woorden helemaal eigen maken, ze internaliseren.

Ezechiël krijgt bij zijn roeping tot profeet van God een boekrol te eten

Zenden

Deze roeping overkomt de priester Ezechiël, dan 30 jaar oud, in het vijfde jaar van de ballingschap (Ezechiël 1,2). Zijn roeping gaat gepaard met visuele, auditieve en fysieke ervaringen. In een Godsverschijning, waar hij totaal confuus van wordt (Ezechiël 1,28; 3,15), ontvangt de profeet zijn goddelijke zending. Er wordt hem geen mogelijkheid gelaten tot tegenspraak, zoals Mozes en Jeremia die wel hebben. Evenmin wordt hem een teken meegegeven, zoals Mozes en Jeremia wel krijgen. Het ‘Ik zend jou’ (Ezechiël 2,3.4; 3,5) en ‘ga’ (Ezechiël 3,1.4.11) moeten hem genoeg zijn.

Deze beide termen zijn belangrijke elementen van de profetische roeping. Frequent komen zij daarin voor. Abram hoort in Haran het goddelijke ‘ga’ (Genesis 12,1), gevolgd door zijn uitvoering van de goddelijke opdracht (12,4). In Exodus 3,10 klinken beide termen tot Mozes:

Nu dan, ga, Ik zend jou …

Ook Amos en Jona horen het goddelijke ‘ga’ (Amos 7,15; Jona 1,2). In het roepingsbericht van Jesaja, waarmee hij zich verdedigt naar aanleiding van de onheilswoorden in Jesaja 1-5, vinden we de woordverbinding van zenden en gaan in de vorm van een vraag (Jesaja 6,8; NBG-1951):

Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan?

In het roepingsbericht van Jeremia zijn de woorden zenden en gaan anders verbonden (1,7; NBG-1951):

… want tot een ieder, tot wie Ik u zend, zult gij gaan, …

Bij deze profeet wordt het begrip ‘zenden’ een argument in zijn confrontatie met tegenprofeten. In Jeremia 23,21 lezen we (NBG-1951):

Ik heb die profeten niet gezonden, toch hebben zij gelopen.

Ook in Jeremia 27,15 wordt dit uitgesproken. Jeremia gebruikt het argument vervolgens in zijn confrontatie met de profeet Chananja op het tempelplein in Jeruzalem, in 28,15 (NBG-1951):

Hoor nu, Hananja, de HERE heeft u niet gezonden, …

Met de opdrachten ‘Ik zend jou’ en ‘ga’ wordt Ezechiël als Godsgezant, als ware profeet, gelegitimeerd.

Dualiteiten

Ezechiëls roeping wordt ons verteld in Ezechiël 1-3. Dat is een afgerond geheel, omdat in hoofdstuk 4-5 een tekenhandeling volgt. De eerste drie hoofdstukken vertonen een bijzondere structuur. Horen en zien wisselen elkaar frequent af. De auteur bouwt zijn tekst op met mooie parallellieën. We zullen ze hier beschrijven.

Binnen de eerste drie hoofdstukken kan men enkele kleinere eenheden onderscheiden: 1,1-3,15; 3,16-21 en 3,22-27. Voor de afbakening van de eerste grote eenheid zijn verschillende argumenten aan te dragen. De naam Kebar (1,1; 3,15) en de uitdrukking ‘hand van de Heer’ (1,3; 3,14) omramen de tekst. Hoofdstuk 3,12-13 refereert in een korte – auditieve – passage aan wat in hoofdstuk 1 te zien was. Deze verwijzing wordt omraamd door de woordcombinatie ‘sterk gedreun’ (inclusie). Ten slotte, de tijdsaanduiding ‘zeven dagen later’ aan het begin van de tweede eenheid (3,16) geeft aan dat wat in 1,1-3,15 wordt verteld, zich in één gebeurtenis voltrekt. De dualiteit begint in Ezechiël 1,1-3, introductie op het boek als geheel en introductie op het roepingsverhaal. Hier vindt men twee berichten: vers 1, gesteld in de ik-vorm, is gericht op zien; vers 2-3, gesteld in de hij-vorm, is gericht op horen. Volgens Willien van Wieringen heeft de tweede introductie (1,2-3) de functie van autorisatie en borgt zij de authenticiteit van de tekst. Ezechiël 1 gaat verder op de lijn van vers 1, de lijn van het zien. De profeet ziet verpletterende beelden. Het bijbelboek begint met een schrikwekkend visioen. De profeet kan nauwelijks verwoorden wat hij ziet. Hij gebruikt beelden, benaderingen, vergelijkingen. Zo probeert hij het eigenlijk onzegbare toch te verwoorden. Op meerdere plaatsen blijft zijn visioensverhaal dan ook duister.

De profeet kan nauwelijks verwoorden wat hij ziet. Hij gebruikt beelden, benaderingen, vergelijkingen

Frequent wordt de Hebreeuwse wortel r’h (zien) gebruikt. We lezen bij herhaling de formulering ‘En ik zag’, alsmede het van r’h afgeleide zelfstandig naamwoord ‘aanblik’, ‘gezicht’. Deze visionaire beelden worden omraamd door het ‘En ik zag’ in vers 4 en het zien in vers 28. Het sterk op visualiteit gerichte hoofdstuk verwijst ook enkele keren naar een hoorervaring. In vers 3 wordt vermeld dat het woord van de Eeuwige tot Ezechiël kwam, in vers 24-25 wordt de kijkervaring onderbroken door een auditief gedeelte.

Dan volgt in vers 26-28 de tekening van de troon en de gestalte op de troon (‘als een mens’). Voor de aanstelling van de profeet verschijnt God in majesteitelijke luister. De regenboog wordt daarbij vermeld (vers 28), maar niet als teken van blijvende verbondenheid tussen God en de wereld (zoals in Genesis 9), maar als oorlogsboog, teken van de Heer. Zo wordt voorbereid dat de Heer in hoofdstuk 2-3 tegenstander is van zijn volk.

Ezechiël valt plat voorover onder de indruk van de glans die hij ziet, de heerlijkheid van de Eeuwige, en dan hoort hij weer (1,28):

En ik hoorde een stem die sprak.

Op deze auditieve lijn gaat de tekst in hoofdstuk 2 verder. Hier wordt dus de lijn van 1,2-3 opgenomen. Bij herhaling klinkt de zinsnede ‘Hij zei tot mij’ (2,1.3; 3,1.3.4.10), en 2,2 wijst terug naar de (stem) ‘die tot mij sprak’. In deze auditieve episode staat Ezechiël weer overeind. De Geest doet hem op zijn benen staan (2,2).

Tweemaal wordt een visueel element in deze auditieve passage ingebracht: Ezechiël ziet een hand naar hem uitgestrekt die hem een boekrol aanreikt (‘zien’ in 2,9 en 3,1). Daarna zet zich de auditieve lijn voort. De auditieve passage bestaat uit twee delen. De passages 2,3-3,3 en 3,4-11 kan men goeddeels als parallellen lezen. Beide passages beginnen met de aanspraak ‘Mensenkind’ gevolgd door een goddelijke opdracht: ‘Ik zend jou’ dan wel ‘ga’ (2,3; 3,4) en beide benoemen de geadresseerden: ‘de Israëlieten’ (2,3), het ‘huis van Israël’ (3,4.5). Dan wordt Israëls afvalligheid verwoord op een vergelijkbare wijze (2,3-7; 3,7). De profeet wordt bemoedigd en ertoe opgeroepen niet bevreesd te zijn en niet bang te zijn voor hun aanblik (2,6; 3,8-9). Hij moet tot zijn volksgenoten zeggen: ‘Dit zegt de heer’ (2,4; 3,11). Herhaaldelijk worden de Israëlieten getypeerd als ‘weerspannig volk’ (2,5.6.8; 3,9) en klinkt de zinsnede ‘of zij horen dan wel het nalaten’ (2,5.7; 3,11). Maar 3,5-6 heeft geen parallel: de profeet wordt niet naar vreemden gezonden, maar tot eigen volksgenoten. Vreemden zouden luisteren. Israël zal echter niet willen luisteren (3,7). Die sterke uitspraak voegt de tweede passage toe aan de eerste.

Dan verschijnt de Geest opnieuw (3,12.14). Hij omsluit de auditieve passage (vergelijk 2,2). De Geest tilt de profeet op en voert hem weg. Deze verblijft dan bij de ballingen, zeven dagen, zonder een woord te kunnen zeggen.

Op deze passage volgt in 3,16-21 een appel van de Heer op Ezechiël: jij moet mijn woord gezegd hebben, ongeacht of men het opvolgt of naast zich neerlegt. Deze passage kan men beschouwen als uitwerking van de herhaalde uitdrukking ‘of zij luisteren dan wel dat nalaten’ (2,5.7; 3,11). In deze passage komen de woorden ‘geven’ en ‘mond’ weer voor (3,17):

Er klinkt een derde opdracht, ‘eet’, naast het ‘Ik zend jou’ en het ‘ga’

Mensenkind, Ik geef jou als wachter aan het huis van Israël. Wanneer jij een woord uit mijn mond hoort, …

Ten slotte volgt in 3,22-27 een korte passage die als parallel kan worden beschouwd van 1,1-3,15. Vele elementen uit de eerste passage komen in deze korte passage ook voor. Men kan dus in de eerste hoofdstukken van Ezechiël diverse dualiteiten ontdekken, parallelle passages, twee draden door elkaar heen geweven. De dualiteit zal in het boek verder onder meer te vinden zijn in de tweeheid van Babel en Jeruzalem.

Ervaringen

Ezechiël doet dus bij zijn roeping een veelheid van zintuigelijke ervaringen op: visuele en auditieve, maar ook de ervaring van het eten van de boekrol met klaagliederen, zuchten en weeklachten. De boekrol is door God gegeven (2,8; 3,3). Er klinkt nu een derde opdracht, ‘eet’, naast het ‘Ik zend jou’ en het ‘ga’.

Beschouwt men de passages 2,3-3,3 en 3,4-11 als parallelle tekstgedeelten (zie boven), dan correspondeert de boekrolpassage met de woorden in 3,10, waar staat dat Ezechiël alle woorden die Hij tot hem zal spreken, in zijn hart moet opnemen. Ook daar wordt met gebiedende taal gesproken: ‘Neem op’, ‘hoor’. Met andere woorden, de profeet moet wat tot hem gesproken is in mond en hart bij zich dragen. Daarmee concretiseert zich in hem wat Mozes spreekt in Deuteronomium 30,14 (NBG1951):

Maar dit woord is zeer dicht bij u, in uw mond en in uw hart, …

Piet de Vries vergelijkt Ezechiëls roeping met de wijding van een priester. Hij schrijft: ‘Zoals een priester na zijn zalving van het offer mocht eten, moest Ezechiël na zijn roeping een boekrol eten (Ezechiël 3,1; Leviticus 8,31)’. Deze relatie kan zeker een rol spelen, van belang is in ieder geval dat de profeet zelf toonbeeld moet zijn van zijn verkondiging. Met vele tekenhandelingen heeft Ezechiël zijn verkondiging geïllustreerd. Hij moest gaan naar een opstandig en koppig volk, maar moest zelf niet weerbarstig zijn (2,8). Hij moest de uitzondering zijn.

De boekrol wordt ontrold. De profeet zal niet kunnen zeggen dat hij onwetend was van de inhoud. De boekrol blijkt van binnen en van buiten beschreven. Alleen de doorgaans beschreven binnenkant van de rol blijkt niet voldoende ruimte te hebben om alles te bevatten. De klachten, het zuchten, het zijn de weeklachten van God over zijn volk. Dat moet de profeet straks gaan verkondigen aan de mensen naar wie hij wordt gezonden. Het zijn de klachten van God die zijn hoop op Israël had gezet, maar daarin was teleurgesteld. Ezechiël krijgt duidelijk te verstaan dat hij een oordeels-en onheilsverkondiger moet zijn. Dat is hem – met het eten van de rol – eigen geworden. Hij mag er ook niets vanaf doen. Hij moet immers spreken met Gods woorden (3,4).

De ervaring van Ezechiël is dat de rol zoet smaakt, zoet als honing. Herhaaldelijk bezingen de Psalmen de zoetheid van de leefregels van de Eeuwige (19,11; 119,103). Het doen van Gods opdracht moet hem voldoening geven.

Beelden

Welk beelden rijzen hier op? In de overweldigende visuele en de indringende auditieve ervaringen manifesteert Israëls God zich als de soevereine God. Het boek Ezechiël onderstreept dat element zeker. Wij hebben nauwelijks woorden om Hem te tekenen. Deze God wordt door de profeet in deze hoofdstukken bij herhaling genoemd met zijn eigennaam jhwh, de God die de verbondenheid met en de bevrijding van mensen zoekt. Hij laat mensen hun vrijheid en verantwoordelijkheid: ‘of zij luisteren dan wel niet’. God breekt daar niet doorheen.

Israëls God blijkt ook om de ballingen bewogen. In de persoon van de profeet Ezechiël is Hij ook in Babel present. Ook al wordt zijn verbond niet geloofd, toch wil Hij met mensen verder.

De profeet wordt drager van het zuchten van God. Hij heeft Gods woorden in mond en hart. Door ze te eten worden zij een deel van hemzelf. Zo kan hij een tegenbeeld zijn van het volk, daarin door God bemoedigd.

Openbaring 10

Het verhaal van de boekrol van Ezechiël echoot na in Openbaring 10 te midden van een reeks andere Bijbelse verwijzingen. Menig element in dit hoofdstuk doet denken aan Ezechiëls roepingsbericht.

Gezien de opbouw van het boek Openbaring zou men in hoofdstuk 10 de zevende sjofar verwachten, maar deze wacht (Openbaring 11,15 vv). Er treedt een intermezzo in (Openbaring 10,1-11,14).

Ezechiël wordt drager van het zuchten van God. Hij heeft Gods woorden in mond en hart

De intro ‘En ik zag’ (Openbaring 10,1) doet denken aan het ‘En ik zag’ uit Ezechiël 1. Openbaring 10 begint met een indrukwekkende engelgestalte te tekenen die uit de hemel neerdaalt (Gabriël?), bekleed met een wolk, teken van Gods verborgen aanwezigheid, met de regenboog op zijn hoofd. Deze boog kennen we uit Ezechiël 1. Zijn gelaat is ‘als de zon’, zijn voeten (benen?) ‘als zuilen van vuur’. Hier vinden we eenzelfde tastende vorm van beschrijving als in Ezechiël 1. Hij heeft een geopend boekje in zijn hand. Dat contrasteert duidelijk met de verzegelde boekrol eerder in het boek (Openbaring 5,1). Deze verzegelde boekrol is net als de boekrol van Ezechiël van binnen en van buiten beschreven.

De engel plaatst zich op aarde en zee. Hij roept met luide stem, vergeleken met het brullen van een leeuw. Er klinken zeven donderslagen. Weer wordt iets verzegeld, want een hemelse stem gebiedt Johannes die openbaring te verzegelen en niet op te schrijven. Dan zweert de engel met woorden mede ontleend aan Daniël 12,5-7 dat nu het finale oordeel zal plaatsvinden. Het geheim dat God door tal van profeten heeft laten verkondigen – Gods overwinning op het kwaad, zijn koningschap – gaat nu gebeuren. Hier wijst de engel vooruit naar wat in Openbaring 11,15 en 12,10 gezegd gaat worden.

Dan gebiedt de hemelse stem Johannes om het geopende boekje te nemen uit de hand van de engel (‘ga’!). Hij vraagt het hem. Dan zegt de engel dat Johannes het moet nemen en het moet opeten. Daarbij noemt de engel de gevolgen: in zijn mond zal het zoet zijn, in zijn buik zal het krampen geven. Dat laatste is een plus ten opzichte van Ezechiël 3,3. De ziener eet het geopende boekje op en ondervindt de voorzegde gevolgen. Hier is de ziener tot profeet geroepen. Wat er ook aan verzegelde geheimen is, deze profeet mag aan volken, talen, koningen de uiteindelijke overwinning (het zoete) verkondigen die door grote verdrukking (het bittere) heen zal komen.

Literatuur

• Willien van Wieringen, ‘De verbeelding van een profeet’, in: Joep Dubbink (red.), Ezechiël (ACEBT 26), 2VM: Bergambacht 2011, 17-28.

• Piet de Vries, ‘Ezechiël: profeet van de naam en heerlijkheid van jhwh’, in: Joep Dubbink (red.), Ezechiël (ACEBT 26), 2VM: Bergambacht 2011, 1-16.

• Martin Klingbeil, Yahweh Fighting from Heaven: God as Warrior and as God of Heaven in the Hebrew Psalter and Ancient Near Eastern Iconography (OBO 169), Freiburg (Schw)/Göttingen 1999.

• Paul Joyce en Dalit Rom-Shiloni (red.), The God Ezekiel Creates (LHB/OTS 607), London 2014.

< Terug