< Terug

Gods scheppingswerk en de mens

Bij Genesis 1,1-2,4a

Tohoe wa bohoe. Verbazingwekkend leeg. Rasji vertaalt tohoe met ‘verbazingwekkend’, iets waar je met groot ontzag voor staat. Volgens het rabbijnse woordenboek van Jastrow betekent het woord tahah ‘to gaze, to be astonished, to be waste’. Rasji legt uit dat tohoe de reactie op bohoe, de leegte, is. De Kuzari verklaart: afwezigheid van vorm en orde wordt tohoe en bohoe genoemd.

Ramban (Nachmanides) interpreteert tohoe als een dunne substantie, zonder enige vorm, maar met potentieel. Het was de primaire materie die God uit het absolute niets schiep. De vorm die deze substantie uiteindelijk aanneemt wordt bohoe genoemd. Zij bestaat uit twee woorden: bo en hoe, ‘in het/hem (er is)’: in de leegte is reeds alles. Bij Jastrow betekent het woord bohoe ‘chaotic condition’. God differentieert dit potentieel uit; van dag één tot en met dag vijf staat nergens ‘scheppen’ of ‘vormen’. Hij ‘deelt’ het: in boven en beneden, licht en donker, land en water, dag en nacht. Tegendelen die bij elkaar horen. De differentiatie wordt steeds verfijnder. Er komen planten bij die nog in het licht van de eerste dag en niet in de zon groeien. Met zon en maan komt op de vierde dag de tijd tevoorschijn. Op dag vijf de dieren. De bewoners van de zee en de lucht worden gezegend en krijgen de eerste opdracht: vermenigvuldig je.

De mens

Op de zesde dag gebeurt het ingewikkeldste scheppingswerk: dat van de mens. God doet het anders. Er staat niet: ‘Laat de aarde (…) doen uitkomen, naar hun soort’ (Genesis 1,24), maar: ‘Laten wij (…) maken’ (Genesis 1,26). Om het contrast duidelijk te maken klinkt daarvoor wel tien keer ‘naar zijn/haar/hun aard’. God raakt er zeer persoonlijk bij betrokken. Dit wordt nu waar Hij naar uitkijkt. Dat ‘wij’ wordt in de joodse traditie verschillend geïnterpreteerd: God bespreekt het met de dieren om hen niet met een heerser te overvallen, Hij discussieert met de engelen die ertegen zijn of het is een pluralis majestatis die met zichzelf spreekt alsof God eerst een plan maakt voordat Hij tot schep- ping overgaat. God kent de mens voordat Hij hem schept. We ervaren iets over de aard van de mens: hij wordt in het beeld en de gelijkenis van God en mannelijk en vrouwelijk geschapen.

‘Beeld en gelijkenis’

Abraham Heschel zegt: de woorden tsèlèm en demoet verhullen meer dan zij duidelijk maken. In de Bijbel wordt telkens over God als compleet anders gesproken: ‘Ik ben God en geen mens’ (Hosea 11,9; zie ook Psalmen 89,7 en Numeri 23,19). Hoe kan de mens op Hem lijken? God is de schepper van hemel en aarde, ver verheven boven natuur en geschiedenis. Heschel legt uit dat de gelijkenis er niet in bestaat om onsterfelijkheid te bereiken, zoals in de dodencultus in Egypte of in Babylon, maar ‘heiligheid’ (Leviticus 11,44; 19,2; 20,7; 20,26). De Bijbel houdt zich nauwelijks bezig met de dood als probleem. Centraal staat niet hoe je aan de dood kunt ontsnappen, maar hoe je het leven kunt heiligen. De profeten proberen de mens te verstaan als partner van God die betrokkenheid en opdracht met God gemeen heeft. Volgens Heschel is de gelijkenis niet ‘de goddelijke vonk’, ‘het beste in de mens’ of ‘de eeuwige geest’. Het beeld is niet ‘in’ de mens, maar ‘is’ de mens.1
Abravanel (Portugal/Venetië, vijftiende eeuw) leidt tsèlèm af van tseel, schaduw. De mens moet God als een schaduw volgen. Zoals een schaduw verbonden is met de verlichte vorm, betekent tsèlèm volgens Julius Guttmann (Duitsland/Israël, negentiende/ twintigste eeuw) een persoonlijke, nauwe verbinding2 met God.

Er is maar één mens geschapen

De andere schepselen zijn in veelvoud geschapen, de mens als individu. Waarom? ‘Er is maar één mens geschapen om je te leren dat iedereen een wereld op zich is. Wie één ziel vernietigt, vernietigt een hele wereld en wie één ziel redt, redt een hele wereld’ (Misjna Sanhedrin 4:5). Iedere mens is beeld Gods, iedereen is even belangrijk en niemand is beter dan de ander. De Misjna gaat verder: ‘Er is maar één mens geschapen opdat er geen strijd onder de mensen ontstaat. Niemand kan zeggen mijn vader is groter dan de jouwe.’ En toch is geen mens gelijk aan de ander. Want ‘de Heilige-Hij-zij-gezegend stempelt elk mens met de stempel van de eerste en toch zijn er geen twee aan elkaar gelijk. Vandaar dat ieder mens moet zeggen om mijnentwil is de wereld geschapen.’ Dat is een grote waardering van het individu en een grote verantwoordelijkheid. Geen beeld Gods mag gedood, vernederd of zelfs beledigd worden, want anders is God in het geding.

De mens als laatste geschapen

De mens is niet alleen als individu, maar ook als laatste geschapen. De Talmoed verhaalt: als hij zich waardig toont, wordt tegen hem gezegd: alles is voor jou geschapen. Maar als de mens verwaand is wordt hem voorgehouden: let op, zelfs de mug is eerder geschapen dan jij (Talmoed Sanhedrin 38a). Waarom kan de mens verwaand zijn? Het is hem ‘bekend’ gemaakt dat hij in het beeld Gods geschapen is (Genesis 9,6).

Als de mens op God lijkt is hij begiftigd met intellect, met een vrije wil en met macht. Dat blijkt direct uit Genesis 1,28. De mens krijgt twee opdrachten: vermenigvuldig je en onderwerp. Een opdracht die hem met de natuur verbindt en één die hem daarbovenuit tilt. ‘Onderwerp’ begrepen als ‘Voer oorlog’ vernietigt waar het partner-zijn van God voor staat. Het betekent eerder: het potentieel van de wereld tevoorschijn halen, haar creatief en civilisatoir ontplooien. In feite doorgaan met Gods scheppingswerk.

Bij Genesis 1:1-2,4a

< Terug