< Terug

Het koningschap der hemelen: een volk van rechtvaardigen

Bij Jesaja 60,1-11.17-22, Psalmen 138, Openbaring 7,2-4.9-17 en Matteüs 5,1-12

Heerlijkheid

‘Duisternis over de aarde’: die woorden uit Jesaja (60,2) roepen de aanhef van Genesis in herinnering, maar de volgorde is omgekeerd, ‘duister en licht’ zijn ‘licht en duister’ geworden, om plaats te maken voor Gods heerlijkheid. Waaruit bestaat die heerlijkheid? Sla je ogen op en zie: je zonen, je dochters. Uit de zee dreigen geen overstromingen meer, maar komen ‘schatten’ en ‘de volkeren’ die zich naar je toekeren.

We horen woorden die we kennen van Epifanie: Midjan en Efa, Seba, goud en wierook. Geen geweld meer, geen verwoesting noch rampen. Je noemt je muren ‘Heil’, je poorten ‘Lof’ (Jesaja 60,18). Niet meer de zon of de maan, maar God zal je eeuwige licht zijn. Je volk zal geheel uit rechtvaardigen bestaan, een stekje dat God geplant heeft. Jubel die verstilt tot tederheid. Zo spreek Jesaja.

Dank en aanbidding

‘Met heel mijn hart wil ik U loven, tegenover de goden voor U zingen.’ Eerst in de intimiteit van het eigen ik, en dan in het bijzijn van de goden, de machten en krachten die in onze gang van zaken ook hun mondje roeren. En dan de naam van de Heer prijzen, ‘om uw goedertierenheid en trouw’ (Psalmen 138,2 – NBG ’51; de WV en NBV vertalen het Hebreeuwse chèsèd we ’èmèt met ‘liefde en trouw’). Kun je hier niet beter het woord ‘aanbidden’ gebruiken, om daarmee de diepe genegenheid en dankbaarheid van de psalmzanger vanuit de grond van zijn bestaan tot uitdrukking te brengen?

Alle heiligen

Het bijbelboek Openbaring, het troostboek van Johannes, vertelt ons in de grote beproeving die het leven van iedere dag kan zijn, dat wij als Gods knechten zijn zegel dragen. Die ‘wij’ blijken in eerste instantie de kinderen van Israël te zijn (Openbaring 7,4). Vervolgens horen we over ‘een grote schare die niemand kan tellen’ (Openbaring 7,9). Ze komen uit alle volken, stammen, naties en talen. Waar gaan ze/we naartoe? Zij verzamelen zich bij het Lam dat in al zijn kwetsbaarheid aangewezen blijkt om vrijheid en bevrijding te garanderen (vgl. Exodus 12,3.6; Johannes 1,29).

Met Allerheiligen gedenken wij al die mensen uit alle eeuwen en werelden die bij ‘God en zijn hemel’ horen, die mensen van alle tijden geworden zijn. Al die namen, zo veel verhalen, zo veel fragmenten, vertolken Gods heiligheid en de toewijding van mensen daaraan door de tijden. Verhalen en gevoelens daarbij die je kunnen meenemen en inspireren: zo veel mogelijkheden om je te verbinden met en op te gaan in waar de Heer thuis is.

Om gerechtigheid en Gods koningschap

Tot nu toe heeft Jezus in het Evangelie van Matteüs nog maar enkele zinnen gezegd. Bij de doop in de Jordaan heeft Hij tegen Johannes gezegd: ‘Laat het nu gebeuren, want aldus past het ons alle gerechtigheid te vervullen’ (Matteüs 3,15). Kort daarna herhaalt Hij, rondtrekkend door Galilea, de korte preek van de Doper: ‘Keer om, want het koningschap der hemelen is nabijgekomen’ (Matteüs 4,17). De woorden ‘gerechtigheid’ en ‘koningschap der hemelen’ – dat wil zeggen: Gods koningschap – dragen zijn eerste interventies. Ze zijn programmatisch. In Matteüs 5 begint de Bergrede, waarin Jezus drie hoofdstukken lang (5-7) vrijuit, programmatisch en testamentair spreekt. Deze woorden lichten zijn daden in Matteüs 8-9 toe.

Dit Evangelie is vanaf het begin op weg naar het einde, en daarom moeten deze ‘woorden en daden’ van het openbarende leven van Jezus volgens Matteüs ook vanuit dit einde gelezen worden. Jezus die zichzelf hier verwoordt, is degene die straks volgens de woorden van de engel ‘niet meer hier’ is, niet meer in het graf van voorbij (Matteüs 28,6). Hier en nu, op de berg, reiken deze woorden van Matteüs Hem aan en mogen wij Hem op zijn woord geloven.

De choreografie – berg op gaan, gaan zitten, de leerlingen komen naderbij – beschrijft meer dan alleen de houdingen van Jezus’ lichaam; ze geeft ook aan hoe de woorden van Jezus zullen klinken nu Hij als leraar zijn leerlingen toespreekt. Daardoor horen ook wij, lezers en toehoorders, die dragende woorden in een verheven gezelschap.

Gelukkig de armen, zachtmoedigen, treurenden

‘Wat ben je er gelukkig aan toe (…)’: Jezus beschrijft in zeven, acht modaliteiten de gelukkigen, de leerlingen, en geeft daarmee ook een portret van wie Hij is en hoe Hij als hun leraar is. We horen over de armen die zich nergens anders op (kunnen, willen, zullen) beroepen dan op de Geest die vanaf Genesis 1 hemel en aarde met elkaar verbindt (Matteüs 5,3). We horen over de zachtmoedigen. Dat zijn de leraar en de leerlingen die heel de wereld nog voor zich hebben, die de aarde zullen beërven (Matteüs 5,5). En tussen die armen en zachtmoedigen vinden we de treurenden, die niet opgeven maar blijven wachten op de komst van de Trooster, de Geest, die zichtbaar zal maken dat hemel en aarde tóch bijeen horen (Matteüs 5,4). Dat is waar God vanaf zijn woorden in Exodus 2,24 op uit is, waar de hemel zich druk over maakt: dat de aarde een aarde voor mensen kan zijn, en dat mensen zich mogen oprichten, mogen opstaan en gaan in het spoor van de beloften die de woorden aanreiken.

Dat zijn de eerste drie geroepenen in de eerste woorden op de berg, die wat komen zal samenvatten. Dat zijn degenen die hongeren en dorsten naar het geschieden van het woord, de barmhartigen, die loepzuiver hun ogen weten op te slaan naar de Hoge, die ijzer met handen breken om vrede te maken. Zo zoeken de woorden die het koningschap van de hemel (Matteüs 5,3.10) aandragen als een kader voor de gerechtigheid (Matteüs 5,6.10), het geschieden van het woord, van ‘wat Hem behaagt’, blij maakt (Matteüs 6,10).

< Terug