< Terug

Hoogleraar Erik Borgman: ‘diaconie laat zien dat er een andere wereld mogelijk is’

Erik Borgman (1957) is hoogleraar Theologie van de Religie en directeur van het Tilburg Cobbenhagen Center van de Universiteit van Tilburg. Ook is hij leken-dominicaan. In zijn denken is hij sterk beïnvloed door de katholieke bevrijdingstheologie. Vrij Nederland selecteerde hem in 2008 als een van de meest innovatieve denkers van Nederland. In 2012 werd hij uitgeroepen tot Theoloog des Vaderlands.

Zou u om te beginnen iets over uw leerstoel kunnen vertellen?

Formeel heet mijn leerstoel nog steeds Theologie van de Religie, in het bijzonder het Christendom. Men wilde de traditionele termen niet gebruiken, en tegelijkertijd de insteek vasthouden. In traditionele termen zou mijn leerstoel fundamentele theologie en dogmatiek heten.

Zelf ben ik op een gegeven moment gaan zeggen dat ik Publieke Theologie doceer. Ik zeg wel eens ironisch: ‘Ik heb mijn leven lang mijn best gedaan kamergeleerde te worden, maar dat is nooit gelukt.’ Ik ben op de een of andere manier altijd terechtgekomen op allerlei openbare plekken en discussies. In beginsel met vreugde: het is niet altijd leuk om op vreemde grond te staan, maar in beginsel is het goed. Vandaar: Publieke Theologie.

Nu is er veel discussie over wat Publieke Theologie is. Sommigen vinden dat theologen zich dan moeten aanpassen aan wat in een seculiere samenleving in de publieke ruimte gezegd kan worden. Ik vind wel dat we de theologie publiek moeten maken, maar precies als theologie. Mijn boek Leven van wat komt (2017) en al eerder Overlopen naar de barbaren (2011) zijn pogingen te laten zien wat de maatschappelijke impact van religie en theologie kan zijn. In mijn ervaring snijdt dat je niet van de publieke ruimte af. Rond deze boeken heb ik binnen veel maatschappelijke terreinen opgetreden.

Maar tegelijkertijd heb ik mijn oude vak eigenlijk nooit verlaten. Ik probeer nu in een drietal boekdelen een kleine dogmatiek te schrijven: een samenvatting van waar het christelijk geloof volgens mij over gaat, uitgelegd voor het forum van de hedendaagse cultuur: Alle dingen nieuw. Een theologische visie voor de 21ste eeuw.

‘Heel veel dingen, juist ook over religie en levensbeschouwing, weten we simpelweg niet’

Als ik u goed beluister, kijkt u naar de bijdrage die theologie kan leveren juist in de publieke ruimte. Kan die volgens u nog groter zijn dan die al is?

Inhoudelijk zeker. De theologie heeft iets belangrijks te zeggen. Maar ik ben zelf niet erg positief over de manier waarop we onszelf zijn gaan presenteren, de afgelopen tien jaar. Ik vind dat wij veel te veel onze oren hebben laten hangen naar wat we dachten dat de samenleving van ons vroeg.

In de gezondheidszorg kun je goed zien wat het probleem is. Wij dachten dat we geestelijk verzorgers niet meer kerkelijk moesten opleiden, maar dat we ze een eigen vak moesten geven. Voor je het weet verdwijnt dan juist het eigene van de geestelijk verzorger. De geestelijke verzorger ziet zichzelf steeds meer als functionaris in dienst van het ziekenhuis en vergeet dat zij of hij een levende herinnering is dat er niet alleen lichamen in het ziekenhuis liggen, maar ook zielen. Men wil weg van de kerk, maar denkt niet na over waar men naartoe beweegt.

We zeggen dan dat religie en zingeving niet meer afhankelijk zijn van instituties, maar hier blijkt dat ze van de ene institutie naar de andere gaan. Niet meer van de kerken, maar van het ziekenhuis. Is dat een goede ontwikkeling? En voor wie dan? Dit soort vragen worden nauwelijks gesteld.

Hoe kan de theologie haar bijdrage dan toch vergroten?

Door zich scherper te realiseren wat het betekent theologie te zijn. Natuurlijk moeten we niet simpelweg blijven doen of zeggen wat wij eerder deden of zeiden. Geestelijke verzorging, pastoraat, prediking: het is nu iets anders dan in de jaren 1980. Theologie is ook anders. Maar ze is geen religiewetenschap en we hebben onszelf ‘verreligiewetenschappelijkt’. Neutraliteit en breedte: we dachten dat daar vraag naar was en daar de studenten zaten. De ironie is dat zelfs dat laatste niet waar bleek: de religiewetenschappen hebben het helemaal niet makkelijk en op veel plaatsen doet de klassieke theologie het beter dan de opleiding religiewetenschap.

Veel te veel onze oren laten hangen naar wat we dachten dat de samenleving vroeg

Maar afgezien daarvan: ik vind echt dat er foute keuzes gemaakt zijn. Het is voor mijzelf een grote frustratie en ik ben hierover niet bepaald neutraal. Wij hebben op het verkeerde paard gewed en doen dat nog steeds. We willen mee met de ontwikkelingen binnen de academie, willen relevant zijn en gerespecteerd worden. We wilden ons deel aan gefinancierde onderzoeksprojecten. Het gevolg is dat we als discipline geen duidelijk identiteit hebben en dat we ook niet mee kunnen met andere disciplines. Ik vind dat heel pijnlijk. De theologie is nergens en dat is in belangrijke mate onze eigen schuld. We hebben dingen opgegeven die we nu niet meer terugkrijgen en we hebben niet opgelet op wat er met ons gebeurde.

Wat heeft u persoonlijk gedaan om de theologie de goede richting op te sturen?

Vanaf mijn inauguratie in 2008 heb ik gepleit voor een offensieve publieke aanwezigheid en heb die ook geprobeerd te realiseren.

De theologie is voor iedereen en dat geeft verplichtingen. Dat betekent dat we iets moeten zeggen dat te begrijpen is en niet alleen voor kerkmensen betekenisvol. Maar dat betekent niet dat we altijd op onze knieën moeten zitten. Als mensen niet zomaar meer begrijpen wat ‘genade’ is, dan moeten we niet besluiten dat woord maar niet te gebruiken. Dan moeten we beter uitleggen waar het voor staat. Ik heb theologie proberen te beoefenen als vanuit en met religieuze visies en ideeën denken. Religiewetenschap is denken over religie, theologie is religieus denken.

Nu is het thema van Handelingen deze keer ‘diaconaat’. Diaconaat laat zich op vrij letterlijke wijze vertalen als ‘zich dienstbaar opstellen’. In hoeverre stelt de theologie zich dan nu te dienstbaar op?

Je kunt christelijk gesproken niet makkelijk te dienstbaar zijn. Jezus waste op Witte Donderdag de voeten van zijn leerlingen en stelde daarmee een voorbeeld. Een van de misverstanden van moderniteit is echter dat mensen altijd weten wat ze nodig hebben. Maar dienstbaarheid is lang niet altijd doen wat mensen zeggen dat ze willen. Dat is de dienstbaarheid van de markt: als mensen blauwe auto’s willen maken wij blauwe auto’s. Uiteindelijk is dat geen dienstbaarheid, maar proberen voordeel te halen uit de situatie.

We denken maatschappelijk gezien veel te makkelijk dat we begrijpen wat er aan de hand is en dat we alleen maar de logische volgende stap hoeven te zetten. Maar heel veel dingen, juist ook over religie en levensbeschouwing, weten we simpelweg niet. Daar de manier waarop doorgaans onderzoek doen, weten we bijvoorbeeld heel goed wat mensen niet meer geloven, maar niet goed wat ze wel geloven. Daarom zien we overal secularisatie waar die misschien wel helemaal niet is.

Ik waarschuw diaconale groepen altijd op te passen als ze te populair worden’

Ten tijde van de coronacrisis gebeuren dingen die ons aan het denken zouden moeten zetten. In de Mariakapel van de kerk waar ik naast woon, in een wijk in Utrecht, werden bij het begin vna deze crisis heel veel kaarsjes opgestoken. Hoe moet je dit soort latente volksreligiositeit middenin een geseculariseerde wijk van gegoede burgers begrijpen? Dienstbaarheid is in ieder geval niet de clichés over onze culturele ontwikkeling bevestigen.

Wat is dienstbaarheid volgens u dan wel?

Dienstbaarheid is naar mijn mening juist dat je mensen helpt om beter te weten wat ze nodig hebben en wat ze verlangen. Als wij als theologen niet meer begrijpen dat dit niet steeds aan de dag ligt, dan laat dat zien dat wij ons eigen vak niet kennen. Het traditionele idee dat geloof op openbaring gebaseerd is, bewaart het besef dat wij wat fundamenteel is voor ons leven niet zomaar kennen en doorzien. Natuurlijk moeten we vervolgens nadenken en discussiëren over wat ‘openbaring’ dan is en in onze situatie kan zijn, maar een christendom dat niet gelooft in dienst te staan van een waarheid die van God is en dat alleen deze waarheid ons kan vrij maken, is haar kern kwijt. Jezus’ lijden, dood en verrijzenis onthult het mysterie van de kosmos: daar begint de christelijke theologie te denken. Je kunt dat begin niet ongestraft overslaan.

Slaat het diaconaat dat begin over?

Dat gevaar is er. Ik waarschuw diaconale groepen altijd op te passen als ze te populair worden. Als de gemeentelijke overheid ineens naar de kerken toekomt en zegt dat ze zo belangrijk zijn. De gemeente heeft iets anders voor ogen dan jij als kerk voor ogen zou moeten hebben. Maar er is aan de kerk een enorme verslaving aan belangrijk gevonden worden. Alsof je pas van betekenis bent als gemeenteambtenaren het belang zien van wat je doet. Maar de gemeente kijkt vooral naar de kerken omdat ze weet dat kerken aan vrijwilligers weten te komen, terwijl dat bestuurders en beleidsmakers vaak niet lukt. Maar de kerken moeten natuurlijk niet de vrijwilligersleveranciers van de gemeente zijn.

Moet de kerk de gemeente dan ontwijken?

Nee, maar de kerk moet zich niet aan de gemeente – of aan welke overheid dan ook – overleveren. Beide hebben een fundamenteel ander doel. De gemeente is er voor om de sociale orde te handhaven. Geen overlast, geen opstand, harmonie en sociale cohesie. Gezien vanuit de kerk is diaconie symbolisch handelen. In kerkelijke zin is diaconie geen hulp, in de zin van dat we denken dat we de armoede de wereld uit kunnen en moeten helpen – al zou dat heel mooi zijn, natuurlijk. Diaconie laat zien dat de orde in het Koninkrijk van God heel anders is dan de wereld nu in elkaar zit. Dat daar de buitenstaanders geen buitenstaanders zijn, maar degenen waar het om draait. Concreet diaconaal werk is een manier om te laten zien dat een andere wereld mogelijk is, en beter en in zekere zin zelf logischer dan de bestaande wereld.

‘De uiteenlopende vormen van presentiepastoraat laten goed zien dat de betekenis van diaconie in de symbolische sfeer ligt’

Dat diaconie niet hetzelfde is als sociale hulp, dat zijn we in het kielzog van de opbouw van de verzorgingsstaat misschien wel goeddeels vergeten. De diaconie is zichzelf in de jaren 1970 en 1980 steeds meer gaan zien als vorm van sociale hulp en is grotendeels het gevoel kwijtgeraakt voor het symbolische aspect van wat zij doet. Maar je ziet ook dat succesvolle diaconale activiteiten dat symbolische aspect sterk hebben. Een opvanghuis voor daken thuislozen dat goed functioneert, doet bijvoorbeeld veel meer dan mensen aan bed, bad en brood helpen. Ze laten zien dat mensen die om wat voor reden dan ook nergens wonen, er wél bij horen. Zij worden als mensen aangesproken die ook een bijdrage te leveren hebben en niet alleen als een probleem benaderd.

De uiteenlopende vormen van presentiepastoraat laten goed zien dat de betekenis van diaconie in de symbolische sfeer ligt. Blijven, belangstelling hebben, mensen opzoeken opdat je ze moeite waard vindt en ja, als ze dan een probleem hebben, dat probleem helpen aanpakken. Maar het is natuurlijk altijd makkelijker om een project te schrijven waarin je concrete problemen aanwijst die je vervolgens belooft op te lossen.

In de jaren 1970 en 1980 kon je zo gemakkelijk aan geld komen en veel diaconale organisaties werden heel goed in het schrijven van succesvolle subsidieaanvragen. Maar in feite bouwden ze zich zo in feite natuurlijk om naar het beeld dat de subsidiegevers van ze hadden. Vervolgens trok de overheid zich in de jaren 1990 als financier terug, omdat er geen geld meer was. Wat eerst zelfdragende organisaties van vrijwilligers waren, bleken toen echter niet meer te kunnen functioneren zonder subsidiegelden. Ze waren hun eigen stuur kwijtgeraakt en hadden klaarblijkelijk het hart van hun werk verloren. Dat hart heeft ermee te maken dat ‘God anders kijkt dan een mens’, zoals de Bijbel het zegt. Waar de hulpverlening probleemgevallen ziet, ziet de diaconie als het goed is kinderen van God met een oneindige waardigheid en een ongekend potentieel.

Zijn mensen vandaag de dag dan nog wel ontvankelijk voor zo’n symbolische benadering van diaconie?

Ja, maar niet zomaar. Als je de samenleving en de kwesties die erin spelen goed analyseert, zie je eigenlijk een enorme behoefte aan symbolen. Op dagen als Koningsdag zie je dit altijd weer. Kijk ook naar de acties die tijdens de coronacrisis de waardering voor zorgverleners uitdrukken. Kijk naar de stille tochten bij uitbarstingen van geweld.

Dus ja, mensen zijn erg gevoelig voor symboliek. Maar dat betekent natuurlijk wel dat je er ook een verhaal bij moet hebben, dat er een visie onder moet liggen. Dat betekent zeker niet dat je alles moet uitleggen, maar je symboliek moet wel doorzichtig zijn. De vraag is dus niet of er behoefte is aan symboliek en of we als kerk betekenisvolle symbolen in huis hebben. De vraag is hoe wij die symbolische realiteit in de huidige context geloofwaardig kunnen communiceren. En daarbij moeten we nagaan of we zelf nog wel geloven in wat we symboliseren. Doe iets waarvan je zelf gelooft en duidelijk kunt maken dat het betekenisvol is. Dat zal hoe dan ook communiceren. In de huidige coronacrisis zien we de kerken ook weer op een heel andere manier in beeld komen. Het gelovige geluid klinkt aan tafel bij de bekende praatprogramma’s.

Dus we gaan mee in het marktdenken van vraag en aanbod, terwijl we er ook mee zouden moeten breken.

Voor een deel is het onvermijdelijk dat we erin meegaan. Onze samenleving is als een markt georganiseerd. Daar kunnen we niet zomaar mee breken.

Het wordt pas echt ingewikkeld wanneer het marktdenken naar binnen slaat: als je zelf gelooft dat je alleen van belang bent als anderen je van belang vinden. Moet iemand anders ons nou gaan vertellen wat van waar wij ons leven aan wijden van belang is? Het is mooi wanneer anderen het belang zien van wat ik doe, maar ik doe het omdat ik geloof dat het van belang is, niet omdat ik er applaus voor krijg.

Ik denk echt dat we hier worden geconfronteerd met de naweeën van de verzorgingsstaat. Tijdens de opbouw daarvan gingen de kerken zich profileren als het ‘publieke geweten’ van de verzorgingsstaat. In de jaren 1970 ging Nederland zichzelf op een nieuwe manier zien als een morele samenleving, een voorbeeld van sociale betrokkenheid voor de rest van de wereld.

De kerken werden daar de stem van. Daarom kwam op dat moment ook de oecumene goed van de grond, want voor die functie deden de klassieke kerkelijke verschillen er niet meer toe. De kerken vonden dat samenwerking ze meer slagkracht gaf.

Inmiddels is de verzorgingsstaat ingestort en weten de kerken niet goed meer wat ze zijn en hoe zij zich moeten profileren. Het idee uit de jaren 1970 dat de kerk relevant moet zijn, gaat ervan uit dat de kerk een macht is en de samenleving op sturing vanuit de kerk zit te wachten. Het grote verschil tussen toen en nu is dat de kerk geen macht meer is en de samenleving nergens meer op zit te wachten. Zij heeft allerlei nieuwe sturingsmechanismen ontwikkeld. Veel kerkmensen willen nog altijd de samenleving dienen op een jaren-zeventig-manier. Dat is gedoemd te mislukken.

Juist nu moeten we ons niet aan de gebruikelijke manier van denken onderschikken en daarbinnen dan van betekenis zijn. Waar de huidige samenleving suggereert dat er maar één manier van kijken mogelijk is, moeten kerk en theologie duidelijk maken dat er alternatieve manieren van kijken zijn die een ander zicht opleveren, andere bestaansmogelijkheden suggereren en mensen anders naar zichzelf laten kijken dan als meer of minder nuttig of productief. Dat moet de diaconie aan het licht brengen en de theologie onderbouwen.

Tom Lormans is historicus en geestelijk verzorger. Hij is als promovendus werkzaam bij het Expertisecentrum Palliatieve Zorg Utrecht.

< Terug