< Terug

Hosea en Amos

Inleiding

Hosea en Amos horen bij de twaalf kleine profeten. Tegelijk zijn Hosea en Amos, als we hen even opvatten als de schrijvers van de gelijknamige boeken, niet alleen profeten maar ook meesters in het debat. Ze uiten zich fel in hun oppositie tegen heersende misstanden en zijn bevlogen in hun heilige verontwaardiging. Ze mikken niet op een adequate beschrijving van oorzaak en gevolg, maar presenteren een diagnose en schilderen een sfeer van verschrikking die ten doel heeft het volk te doordringen van de risico’s van hun huidige levenswandel. Het respecteren of negeren van het verbond, leven en dood, ondergang en perspectief, worden als twee alternatieven naast elkaar gezet. Vaak is er een laatste tot ommekeer.

De boeken Hosea en Amos worden vaak in één adem genoemd omdat ze er binnen het twaalfprofetenboek in twee opzichten uitspringen. Ze zijn gesitueerd in ongeveer hetzelfde tijdvak, de periode tussen 750 en 722 voor Christus. Daarmee zijn Hosea en Amos de vroegste schriftprofeten en de eersten wier woorden schriftelijk verzameld en vastgelegd zijn.

Beide boeken spelen zich bovendien af in het Noordrijk. Dat is uniek omdat de overige profetische geschriften alle cirkelen om Juda en Jeruzalem en een prominente plaats inruimen voor tradities verbonden met de tempel en het davidisch koningschap. In Amos en Hosea vinden we andere sfeerbepalende elementen. Hier draait het om , de hoofdstad van het tienstammenrijk, en het koningshuis aldaar. Ook gaat het over plaatselijke heiligdommen, zoals en Gilgal, waar door het volk een ontaarde cultus wordt gepraktiseerd. Hosea en Amos wijzen in dit verband op de bloeiende offercultuur die gepaard gaat met een gebrek aan barmhartigheid en waarlijke inzet voor het verbond. Een zeker accent op de fundamenten van Israëls geloof – en de bedreigingen daarvan – is dan ook typerend voor beide boeken. Op de achtergrond speelt de dreiging van Assur een rol: de grootmacht uit het noorden die in 722 een einde zal maken aan het zelfstandig bestaan van het Noordrijk.

Structuur van Hosea

HOOFDSTUK 1-3 NARRATIEF

1:1-2:25

Eerste schets van oordeel en herstel

1:1-2:3

accent op kinderen

2:4-25

accent op vrouw

als geheel: theologisch en niet tijdsgebonden accent

3:1-5

Tweede schets van oordeel en herstel

3:1-5

accent op de lange periode ‘los van God’

als geheel: politiek en tijdsgebonden accent

Israël zonder staat – heil na de ballingschap

HOOFDSTUK 4-14 DISCURSIEF

4-6

Eerste ronde van aanklachten jegens Israël

Adres: volk Israël in het algemeen

Terminologie: hoererij, echtbreuk, ontrouw zijn

7:1-9:9

Tweede ronde van aanklachten

Adres: toplaag (o.a. koningshuis) in

Terminologie: Israël terug naar af – uit het land – naar Egypte en Assur

9:10-11:11

Derde ronde van aanklachten

Adres: Israël in het algemeen

Vier panelen over de bijzondere band tussen JHWH en Israël

(9:10-17; 10:1-8; 10:9-15; 11:1-11)

12:1-14:1

Afsluitend requisitoir

Israëls verleden van bedrog – Efraïm ten dode opgeschreven

14:2-9

Uitnodiging tot verzoening

Heropleving en nieuwe bloei van Israël

14:10

Naschrift

De beslissende keuze tussen respecteren of verbreken van het verbond

Op het vlak van de literaire vormgeving zijn er grote verschillen tussen beide boeken. In de eerste plaats zijn de eenheden in het boek Amos in het algemeen langer en duidelijker van structuur dan in het boek Hosea. In de tweede plaats zijn de klassieke profetische genres met hun vaste bestanddelen, zoals aanklacht, aankondiging van heil of oordeel, in Amos goed herkenbaar. In de derde plaats neemt bij Hosea de afwisseling van beeldspraak de plaats in van de afwisseling van genres die in Amos de eenheden onderling afbakent. Hosea presenteert de lezer een veelvoud aan woordspel, contrasten en cabareteske metaforen die in een flits iets aanduiden en bij langer stilstaan prikkelende betekenissen blootleggen. een voorbeeld te noemen:

Efraïm zit in de verdrukking (…)

want hij stond erop achter het ijdele aan te gaan.

Maar Ik ben als een mot voor Efraïm

als een aanvreter voor het huis vanJuda. (…)

Als een leeuw zal Ik mij keren tegen Efraïm

als een leeuwenjong tegen het huis vanJuda:

Ik verscheur ze (…) en niemand ze redden.

Hosea 5:11-12 en 14

Het contrast tussen de twee omschrijvingen voor JHWHis frappant. In vers 12 wordt Hij vergeleken met een mot en een aanvreter: twee kleine insecten die langzaam en onzichtbaar hun doelwit aantasten. Twee verzen later wordt het beeld neergezet van JHWHdie als een leeuw zijn prooi voortvarend overmeestert. Twee uitersten uit de dierenwereld staan hier naast elkaar. Mot en leeuw zijn respectievelijk een klein insect en de koning der dieren, machteloos en machtig, langzaam en snel, onzichtbaar en heel zichtbaar. De tekst zet deze twee beelden naast elkaar, zodat ze elkaar aanvullen en versterken en de lezer even doen ontsporen. De lezer moet met beide beelden aan de slag en hun uiteindelijke betekenis vaststellen.

De vergelijking met Amos leert dat de studie van Hosea en van de beeldspraak in dit boek vooral op kleinschalig niveau vruchtbaar is. Op het niveau van de grotere tekstonderdelen zijn patronen en samenhang vaak ver te zoeken. Je zou kunnen zeggen dat Hosea te vergelijken is met eenjongleur die verschillende beelden tegelijk in de lucht houdt alsof het kegels zijn, en Amos met een regisseur die zijn invallen, visioenen en confronterende boodschappen ook van structuur voorziet. In beide gevallen echter worden brede registers van de taal opengetrokken om het gehoor aan te spreken, te schokken en tot nieuw inzicht te brengen. De rol van een profeet is wel eens vergeleken met die van een straatartiest die ergens op een drukbezochte plek optreedt en uit een breed repertoire verschillende middelen aanwendt om zijn gehoor te raken: pakkende oneliners, korte symbolische verhaaltjes, nieuwe uitdrukkingen en ter onderstreping en illustratie van zijn woorden heeft hij een koffertje bij zich vol treffende voorwerpen. Dat is een creatieve voorstelling van zaken die helpen om boeken zoals Hosea en Amos beter te begrijpen.

Structuur van het boek Hosea

Het boek Hosea bestaat uit twee delen. Het eerste deel, Hosea 1-3, is narratief van aard en introduceert als personages de profeet en zijn ontrouwe echtgenote die als bindmiddel fungeren door deze drie hoofdstukken heen. Het tweede deel, Hosea 4-14, is discursief van aard en bestaat uit een verzameling kortere eenheden met een ogenschijnlijk onduidelijke samenhang. Introducerende of afsluitende formules ontbreken vrijwel geheel. Uitgangspunt voor het structuurvoorstel op de pagina hiernaast is het gegeven dat de tekst na deverhalende proloog de vorm heeft van een rechtsgeding (zie 4:1; 12:3). Beschrijvingen van het handelen van het volk worden afgewisseld met reacties van JHWH, die in het algemeen dreigend en kritisch van toon zijn, soms beloftevol. Een tweede criterium is de subtiele verschuiving van vocabulaire en inhoud in de loop der hoofdstukken.

TOELICHTING

In de eerste drie hoofdstukken van het boek wordt het verbond tussen God en Israël vergeleken met een huwelijk. De profeet Hosea krijgt de opdracht te trouwen met een overspelige vrouw (1:2). De relationele perikelen die daarop volgen hebben de bedoeling te illustreren hoe ingrijpend het is wanneer Israël het verbond tussen God en volk ondermijnt door zich te engageren met andere goden. Ondanks het felle oordeel dat dit gedrag oproept, hernieuwt de goddelijke partner zijn betrokkenheid met het volk (2:16-25). Deze introductie zet de toon voor de rest van het boek Hosea en, volgens sommigen, voor het hele twaalfprofetenboek. De inzet van de twaalf profeten zou dan zijn om het volk te confronteren met zijn ontrouw aan het verbond met de God van Israël en het op te roepen tot ommekeer. De beeldspraak van een verbroken en herstelde liefdesrelatie is daarbij van groot belang omdat die de profetische kritiek van een bepaalde kleur voorziet.

Het is duidelijk dat in Hosea vooral het eerste gebod – gij zult geen andere goden hebben voor mijn aangezicht – in het geding is. Met dit gebod staat of valt de roeping van Israël. Vandaar dat accent op het woord ‘hoereren’ dat als een rode draad door de proloog in Hosea 1-3 en ook door het vervolg heenloopt. Het is geen fatsoenlijk of neutraal-beschrijvend vocabulaire maar een term die helemaal gekleurd is door het uitgangspunt dat de relatie tussen God en Israël bijzonder en uniek is en niet inwisselbaar.

De samenhang tussen de proloog in Hosea 1-3 en Hosea 4-14 is gegeven door een aantal kenmerkende motiefwoorden. Deze motiefwoorden duiden ook meteen enkele grote thema’s van het boek aan. Ik noem er vijf: hoereren (1:2; 2:7; 3:3; 4:10-18; 5:3; 9:1), echtbreuk plegen (3:1; 4:2.13.14; 7:4), liefhebben (3:1; 11:1.4; 14:5), kennen van JHWH(2:22; 4:1.6; 5:4; 6:3.6) en omkeren (2:9; 3:5; 5:4; 6:1; 7:10; 11:5; 12:7; 14:2.3.8). Daarnaast vormt het woordveld afgods-beelden/baäls een rode draad in het boek.

Lopen we de verschillende delen van het boek even na. In Hosea 4-6 gaat het over wandaden gepleegd in de heiligdommen van Israël (Gilgal, Bet-Awen, Mispa, Tabor, ). Contrasten zoals tussen dood en leven (4:2-3; 5:14-15 en 6:1-2), tussen de rechte wandel verwacht van het volk en hun gestruikel (4:5; 5:5), tussen ontuchtig en onrein zijn en de heilige toenadering in de cultus (4:13.19; 5:6; 6:6) bepalen de sfeer. Er komen veel termen voor die wortelen in de huwelijksbeeldspraak (hoereren, echtbreuk plegen, trouweloos handelen, o.a. 4:11-14; 5:3.7; 6:7). Het gaat in één woord om de ongerechtigheid van Israël, die verspreid is door heel het land en over alle bevolkingslagen. De laatste verzen van hoofdstuk 6 tekenen in escalerende termen de ongerechtigheid van het volk:

In het huis van Israël

heb Ik ondenkbaar vreselijke dingen gezien;

het is ontucht wat de klok slaat in Efraïm

en Israël verontreinigt zich.

Hosea 6:10

In de tweede ronde van aanklachten verschuift de aandacht naar de politieke ontrouw van het volk. De hoofdstad en de koningen en leidslieden aldaar functioneren als onderwerp van kritiek (7:3; 8:4). Verder komt het paar Egypte-en-Assur vaak voor (7:11; 9:3 en vgl. 7:16; 8:9.13; 9:6). Israël koopt politieke en militaire steun van deze mogendheden. Het keert zich daardoor af van het vertrouwen op JHWHen levert zich uit aan de spot en macht van het buitenland. In de ogen van de profeet is dit een heilloze weg.

In de derde ronde van aanklachten vinden we vier panelen waarin een positieve beginsituatie wordt gecontrasteerd met een heilloos vervolg. Israël is geplant als een weelderige wijnstok maar:

hoe talrijker zijn vruchten,

(a)

des te talrijker maakte hij zijn altaren;

hoe welvarender zijn land,

(b)

des te welvarender maakte hij zijn wijstenen.

Hosea 10:1

De vier panelen worden in 11:11 afgesloten door de slotformule ‘luidt het woord des Heren’.

In Hosea 12:1-14:1 vinden we twee lange epilogen, één over aartsvader Jakob als prototype van de wankele betrouwbaarheid van Israël en één over Efraïm waarin de noodlottige verering van zelfgemaakte beelden aan de orde komt. De motiefwoorden ‘bezoeken’ en ‘vergelden’ (12:3.15) zetten de toon. Een dramatisch dieptepunt wordt bereikt door de sfeer van dood en verderf: Israël is door het vergeten van JHWHten prooi aan verwoestende machten en staat met beide benen in het graf: het graf van een doodgelopen geschiedenis (13:14-14:1).

Hosea 14:2-9, ten slotte, slaat een heel andere toon aan. Na een liturgie van boetedoening volgt hier een poëtische beschrijving van de wederzijdse toenadering tussen God en volk. Bloemrijke beelden roepen de sfeer op van het Hooglied, van twee geliefden die elkaar aanvullen als ‘lelie’ en ‘dauw’. Het vocht van de dageraad doet de tuin bloeien en op zijn mooist verschijnen. Het verrassende slotvers, 14:10, wijst de lezer op de actualiteit van het boek: het gaat om meer dan profetie van toen en ooit, het gaat steeds opnieuw om het vinden van een rechte, begaanbare levensweg.

Stijlkenmerken in Hosea

Kenmerkend voor Hosea is de overvloedige beeldspraak. De kern van beeldspraak is dat twee verschillende sferen met elkaar vergeleken worden zodat er iets nieuws gezegd worden dat uitgaat boven het reeds bekende. Dit nieuwe wordt niet abstract gedefinieerd maar in steeds verschuivende beelden gezegd, waardoor een soort kaleidoscopisch effect ontstaat. Het nieuwe bij Hosea bestaat dus niet uit een voortgaand betoog maar uit beelden die het reeds bekende – de verwilderde en scheefgegroeide verhoudingen in het verbond – van nieuwe nuances voorzien.

De beeldspraak heeft vooral betrekking op de situatie van Israël en op de tegenreactie van JHWH. Soms wordt een beeld kort neergezet en al snel opgevolgd door een volgend beeld (7:8-12), soms wordt het uitgebouwd (11:1-4) en gebruikt als basis voor ermee samenhangende andere beelden (2:4-25). De beelden van vergelijking komen vooral uit de agrarische wereld, de dierenwereld en de wereld van de elementaire menselijke relaties. Zo wordt JHWHmetaforisch neergezet als echtgenoot (2:4), moeder of vader (11:1-3), arts (7:1), boer (10:11) of vergeleken met een leeuw (5:14), mot (5:12), panter (13:7) maar ook met dauw (14:6) of een altijd groene boom (14:9). Israël wordt onder meer vergeleken met een wijnstok (10:1), kind (11:10), duif (7:11), wilde ezel (8:9), ontrouwe vrouw (2:7; 3:1) en een verdorde plant (9:16). Opvallend zijn ook de metaforen die het handelen van het volk vergelijken met het proces van zaaien en oogsten (8:7; 10:12) of die gebruikmaken van beelden uit de meteorologie (6:4; 13:3; 6:3). Een voorbeeld uit Hosea 6:

Wat moet Ik met jou Efraïm,

wat met jou Juda?

Jullie genegenheid is als een ochtendwolk,

als dauw die in de vroegte verdwijnt.

Daarom heb Ik erop ingehakt met de profeten,

heb Ik ze dodelijk getroffen met woorden uit mijn mond:

de gerichtswoorden over jou zijn als licht dat doorbreekt.

Hosea 6:4-5

De beelden van ochtendwolk en dauw duiden op onbestendigheid en korte duur. Daartegenover staat dat de rechtsbeslissingen over Israël zo vast en onweerlegbaar zijn als het daglicht dat doorbreekt. Met een enkel beeld wordt zo een sterk contrast neergezet tussen het onbestendige van de genegenheid van het volk en het onweerlegbare harde oordeel daarover.

Op het niveau van de grotere eenheden blijkt dat de literaire eenheden vaak aaneengeregen zijn door middel van overname van een motiefwoord – het principe van concatenatio -of door een gedachteassociatie. Hoofdstuk 7 bijvoorbeeld bestaat uit drie secties (1-7, 8-12 en 13-16) waarbij het motiefwoord ‘boosheid, kwaad’ een rode draad vormt (vv. 1-2.3.15). Bij nadere lezing blijkt dat binnen deze nogal losse verzameling spreuken toch wel verbanden en motiefwoorden zijn aan te wijzen.

Thematiek van hosea

Een centrale notie in het boek Hosea is het verbond tussen JHWHen Israël. Het woord ‘verbond’ komt vijf maal voor (2:20; 6:7; 8:1; 10:4; 12:2) maar staat ook op de achtergrond van de aanklacht van ‘hoererij’ en ‘overspeligheid’. Twee andere begrippen zijn onmiddellijk verbonden met dit beginsel: thora en land. Het woord ‘thora’, onderwijzing (4:6), is onderdeel van het verbond en omvat meer dan wet en regels. Het gaat om richtlijnen die aan Israël zijn gegeven om bevrijd te leven. De thora is vooral ook programma om het leven in het beloofde land vorm te geven in een nieuwe stijl. Omdat verbond en land bijeenhoren als de plek waar het experiment van de trouw en loyaliteit ter hand genomen worden, impliceert de verzaking van het verbond ook het verlies van het land. Het land verandert bij het verbreken van het verbond in een anti-land (4:1-3) en een woestenij (9:6). Israël daar dan niet blijven maar moet terugkeren naar Egypte (8:13; 9:3). Duidelijk wordt dat het land niet zomaar een vanzelfsprekend gegeven is. Voor Hosea is het een dynamische categorie, een uitdaging, iets dat je krijgt en kwijt kunt raken, waar je iets van kunt maken,het is je voorland en tegelijk je enige bestaansgrond. Ballingschap en het verlies van land zijn daarom meer dan een nederlaag: het is het kwijtraken van een droom.

Een tweede facet dat opvalt in Hosea is de bijna encyclopedische interesse en het gebrek aan precieze informatie. De tekst noemt geen specifieke koningen, situaties of locaties. Wel is er ruime aandacht voor het begin van Israëls geschiedenis: de uittocht uit Egypte en de verbondssluiting in de woestijn, het begin van het koningschap (13:10), aartsvader Jakob (12) en de eerste confrontatie met een afgod genaamd Baäl-Peor (9:10). Hosea zet de spanning tussen het afkeren en omkeren van het volk zo in een principieel daglicht. Hij trekt de lijnen door naar het begin van Israëls geschiedenis en maakt duidelijk dat de overspeligheid van het volk geen incident is maar een lange voorgeschiedenis heeft.

Kenmerkend is ook dat het boek Hosea vooral bestaat uit gerichtswoorden. Ongekend fel is de aankondiging van de consequenties van Israëls gedrag:

moet boeten

omdat het weerspannig is geweest tegen zijn god.

Door het zwaard zullen zij vallen,

hun zuigelingen worden te pletter geslagen

en zijn zwangere vrouwen opengereten.

Hosea 14:1

Dergelijke beelden zijn schokkend en kunnen de indruk wekken dat het hier gaat om macabere fantasieën van een dichter die zich wentelt in beelden van dood en verderf. Toch is dat niet het geval. De vervloekingen in het boek Hosea blijken te putten uit een stan-daardvoorraad van vervloekingen die zijn gerelateerd aan de instelling van het verbond (zie Deut. 28-32).

In de vierde plaats is er één woord dat als refrein door heel het boek heen klinkt. Dat is het werkwoord ‘omkeren’. Dat de situatie van het volk vraagt om verandering en vernieuwing is na alle profetische kritiek geen verrassing. Ommekeer is iets anders dan de terugkeer naar oude ordeningen – het gaat om een ommekeer vanaf een heilloze weg en het inslaan van een nieuwe toekomst. Op drie plaatsen is de oproep tot ommekeer op indringende wijze geformuleerd: Hosea 6:1-3, 12:7 en 14:2-3. Dit zijn kernteksten in het geheel. De laatste tekst luidt:

Bekeer je, Israël, tot JHWH je God

want inje ongerechtigheid benje gestruikeld.

Neem in de offerdienst woorden met jullie mee

die je omkeer markeren naar JHWH

en zeg tegen Hem:

Vergeef al wat ongerechtigheid is en neem aan wat goed is;

wij zullen onze woorden geven als offerdieren.

Hosea 14:2-3

Dit appèl tot ommekeer is niet gratuit. In het licht van de naderende catastrofe, de ondergang van in 722, gaat het om beslissende zaken en is het erop of eronder.

intertekstuele verbanden

Het slotvers van het boek Hosea richt zich direct tot de lezer.

Wie wijs is, geve hierop acht,

wie verstandig is, erkenne het:

de wegen vanJHWH zijn recht;

rechtvaardigen wandelen daarop,

maar overtreders struikelen daarop.

Hosea 14:10

Het lijkt op een vingerwijzing van de samensteller over hoe je dit moeilijke boek moet lezen. Je moet het uiteindelijk verstaan als het voorleggen van een alternatief. En iedere lezer is betrokken in dit alternatief en in het maken van een keuze (‘wie is wijs…?’). Het gaat om de levensstijl van de rechtvaardige of de overtreder. De wegen van JHWHzijn recht, doeltreffend en betrouwbaar. Wie daarmee in zee gaat, heet ‘rechtvaardig’ en komt tot zijn bestemming. Wie daar afbreuk aan doet, raakt op een onvaste koers en belandt nergens (vgl. Spr. 4:12).

Opvallend is de overeenkomst tussen dit vers en Psalm 107:43. Deze psalm besluit met de woorden:

Wie is wijs? Die deze dingen bewaart

en acht slaat op de gunstbewijzen van JHWH.

Een dergelijk slot geeft het voorafgaande een onverwachte actualiteit en blijvende relevantie, want wie wil er nu niet wijs worden?

Uit het oogpunt van intertekstualiteit is Hosea een interessant boek. Er is namelijk een vloed van verwijzingen naar andere teksten in het Eerste Testament. Te denken is aan teksten zoals Hosea 1:9 (verwijzing naar de godsnaam in Ex. 3:14) en Hosea 12 (verwijzingen naar de Jakobcyclus in Gen. 27-33). Ook grijpt Hosea veelvuldig terug op de exodus-en-woestijntraditie (2:16; 9:10; 11:1; 12:10 en 13:4). Maar ook de intochttraditie en de verhalen rond Achor en Gibea (2:17; 9:10; vgl. Joz. 7 en Ri. 19) worden bekend verondersteld, evenals de tijd van het vroege koningschap. Hosea lijkt her en der op een résumé van de geschiedenis van Israël.

Vaker dan gedacht wordt Hosea geciteerd in het Nieuwe Testament. Het meest opvallend is het hergebruik van de volgende vier teksten.

  • De positieve verandering van de kindernamen in Hosea 2:1-3 wordt geciteerd in Romeinen 9:26-27 en I Petrus 2:10.

  • De slagzin ‘in liefde heb ik behagen en niet in slachtoffers’ (Hos. 6:6) wordt geciteerd in Matteüs 9:13; 12:7 en staat op de achtergrond van Marcus 12:33.

  • De tekst ‘uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen’ (Hos. 11:1) wordt hernomen in Matteüs2:15.

  • De oproep ‘dood, waar is uw prikkel?’ (Hos. 13:14) wordt in I Korintiërs 15:55 herhaald, overigens in een heel andere context: van dood en opstanding.

Een bijzondere doorwerking heeft ten slotte Hosea 6:1-3 gehad. Het motief van de oprichting ‘ten derde dage’ is vaak gelezen als een van de inspiratiebronnen voor de opwekking van Jezus ‘ten derden dage’ (zie o.a. Mat. 16:21). Deze verzen uit Hosea hebben dan ook een plaats verworven in de klassieke liturgie van de paasnacht. Tegelijk moet men oppassen met het leggen van een te direct verband; er zijn ook andere teksten die het motief van de drie dagen kunnen verhelderen (vgl. Ex. 19:16).

Het beeld dat oprijst uit deze schriftuurlijke dwarsverbanden is dat het boek Hosea geen bijwoner is in de canon maar daarin een wezenlijke rol vervult, als noordelijke tegenhanger van de zuidelijke Jesaja, als openingsboek van het twaalfprofetenboek en als profeet van de blijvende passie van JHWHvoor Israël.

< Terug