< Terug

Jobs perfecte wereld beproefd

Bij Job 1

‘Er was eens een man.’ Het verhaal van Job wordt niet aan een bepaalde tijd of een bekend oord gekoppeld. Job wordt als gigantisch rijk beschreven, hij heeft het volmaakte aantal van tien kinderen en gelooft in God, terwijl uit niets blijkt dat hij tot het joodse volk behoort. Velen zien daarom het boek Job als een grote parabel.

Zijn kinderen zijn volwassen, hebben hun eigen huishoudens en kunnen goed met elkaar overweg. Ze vieren iedere dag feest met elkaar (Job 1,4). Job maakt daarvan geen deel uit. Opvallend genoeg praat hij niet met zijn kinderen. Zij moeten bij hem komen om gereinigd te worden. Hij brengt ongevraagd offers voor hen, voor het geval zij God in hun hart vervloeken. Het Hebreeuwse werkwoord barakh, ‘zegenen’, wordt hier als eufemisme gebruikt voor ‘vervloeken’ (Job 1,5). Job heeft kennelijk weinig vertrouwen in het geloof van zijn kinderen en behandelt hen niet als de volwassenen die zij zijn. Job gedraagt zich meer als priester dan als vader.1 Hij brengt geen offers voor zichzelf. Niemand kan toch van zichzelf zeggen dat hij helemaal rechtvaardig is?! Job is bijna te perfect om waar te zijn.

Haast messiaans tafereel

Als we de scène in het licht van een parabel bekijken, staan de kinderen voor toekomst. De oude rabbijnen stellen zich het hiernamaals voor als een groot festijn. Deze kinderen leven, zo lijkt het, in een wereld van aldoor feestvieren. Ma’ayan Ganim (midrasjcommentaar uit 1196) ziet hen zelfs zeven dagen van de week feestvieren, ook op sjabbat. De sjabbat wordt gezien als een zestigste van de komende wereld. Hier is hij niet meer nodig en we vangen er misschien een glimp mee op van een messiaans tafereel.
Maar met deze perfecte, bijna messiaanse wereld van Job gaat iets gebeuren. Daarvoor worden we meegenomen naar de hemel, naar God toe. Daar vindt een grote vergadering plaats, waar de benei ha’elohim voor God komen te staan (Job 1,6). Rasji en Ramban identificeren hen als de engelen die één keer per jaar op Rosj Hasjana voor de goddelijke rechtbank verschijnen om over de verdiensten en het falen van mensen te discussiëren. Deze keer komt ‘midden onder hen’ (Hebr.: betokhem) ook de satan binnen. Hij komt in het middelpunt te staan.

Satan

God negeert satan niet. Hij geeft hem permissie om te praten door hem een vraag te stellen (Job 1,7). Wie is deze satan of wat is een satan? In het woordenboek staat ‘tegenstander’. In het Nieuwe Testament wordt hij ‘verzoeker’ genoemd. Ellen van Wolde noemt hem ‘aanklager’.2 Josy Eisenberg gaat diezelfde kant op, maar zegt dat satan een functie is en geen persoon.

Eisenberg (supra, n. 1), 38

Ook Moshe Eisemann abstraheert het begrip: een satan is een obstakel.

M. Eisemann, Iyov / Job, ArtScroll Tanach Series, New York 1994, 11.

Een obstakel dat iets aan het licht moet brengen, iets moet uitlokken, bij God en bij Job.

De confrontatie

Satan geeft bijna flierefluitend een vaag antwoord op Gods vraag. Daarmee lokt hij God uit zijn reserve. God schijnt ongerust over iets te zijn. Er lijkt iets op het spel te staan. Satan confronteert Hem met de these dat aan de basis van alle menselijk gedrag het voor-wat-hoort-wat-beginsel staat. Job is dus alleen maar vroom omdat het hem goed gaat (Job 1,9-10). God denkt dat Job vroom is en daarnaast ook rijk. De satan stelt God op de proef door te zeggen dat Job rijk is en daarom vroom. Dus als God er niet voor zorgt dat alle mensen welgesteld zijn, zullen zij zich van Hem afkeren. Ooit bij de schepping gaf Hij de mens de opdracht om de aarde te beheersen, dat wil zeggen: ervoor te zorgen dat alles en iedereen tot zijn recht kan komen en zich volgens zijn of haar talenten en mogelijkheden kan vervolmaken. Daarmee gaf God iets van zijn macht weg. Hij wilde de mens als partner bij zijn scheppingswerk betrekken, zo verwoordde Abraham Joshua Heschel het. Maar als de mens zich van Hem afkeert, zijn zijn handen gebonden, want in Noachs tijd heeft Hij beloofd om het met deze mensen te doen en niet opnieuw te beginnen. Voor God staat dus alles op het spel.

Job

Job is zo perfect, hij staat al met één been in de messiaanse tijd. Maar is hij dat uit eigen vrije wil? Satan beargumenteert tegenover God dat God Job heeft gekozen. God heeft alles voor hem gedaan en hem niets gevraagd – zoals vader Job zijn kinderen niets vroeg. Maar kon Job ooit zijn eigen keuze maken? Josy Eisenberg en Elie Wiesel laten satan insinueren dat God met Job geen persoonlijke relatie meer heeft, maar die van een werkgever tegenover een werknemer. Het zou alleen gaan om zakelijke interesses. De intieme Godsnaam JHWH wordt hier alleen tegenover de engelen genoemd, bij Job staat altijd ’elohim.

Job krijgt op een gruwelijke manier de gelegenheid om zijn vrije keuze voor God te bewijzen. Daarom is het minder verontrustend om het boek Job als parabel te zien, een les in het zich niet laten verlammen door catastrofes, hoe erg ook; maar om in beweging te komen, al is het maar door het scheuren van zijn kleren (Job 1,20), vervolgens te komen tot protest, in dit geval tegen God, en zijn eigen overtuiging te leren kennen door te discussiëren tot hij erbij neervalt: daarvoor moet Job zijn perfecte wereld, waar hij alles met rituelen probeert op te lossen, achter zich laten. Hoe wanhopig zou anders God niet moeten zijn om zo’n drama op iemands hoofd neer te laten komen?

< Terug