< Terug

Preekschets Lucas 5:1,5

Lucas 5:1, 5

Vierde zondag na Epifanie

Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als u het zegt, zal ik de netten uitwerpen.

Schriftlezing: Lucas 5:1-11

Het eigene van deze zondag

De tijd van Epifanie is een periode tussen de geladen tijden van advent en kerst aan de ene kant en de veertigdagentijd uitlopend op Pasen aan de andere kant. In die tijd klinkt de vraag naar de identiteit van Jezus. Die vraag klinkt in elk geval in het kielzog van de berichten aangaande wonderen. Zo horen we in het evangelie dat omstanders bevangen werden door grote schrik en tegen elkaar zeiden: ‘Wie is hij toch, dat zelfs de wind en het meer hem gehoorzamen?’ (Mar. 4:41). Die vraag loopt deze zondagen mee bij de behandeling van vier wonderberichten.

Uitleg

Deze perikoop wordt doorgaans aangeduid als de ‘wonderbare visvangst’. Een betere typering zou zijn ‘De roeping van de eerste leerlingen’ (kbs) of ‘Göttliche Berufung zum Jüngerdienst’ (Schweizer, 65). Dergelijke opschriften doen in elk geval meer recht aan de opbouw van dit evangelie en de plaats van deze perikoop in dat geheel. In hoofdstuk 4 proclameert Jezus de heilstijd (4:14-29) om vervolgens met het gezag van dat heil te spreken en te handelen (4:15-43). In hoofdstuk 5 gaan de berichten over genezing en bevrijding door. Nu betrekt Jezus leerlingen bij de beweging van Gods heil. Dat gebeuren begint met de roeping van Simon Petrus en drie anderen en loopt uit op de opsomming van de twaalf apostelen (6:12-16). De roeping van de leerlingen begint met de ‘berufende Blick Jesu’ (Bovon, 22).

De lezing van vandaag is de eigen bewerking van Lucas van wat hij vond bij Marcus (Mar. 1:16-20). Opvallend zijn de overeenkomsten en parallellen met Johannes 21:1-11 (Meier, 896-904).

De perikoop begint met het onderricht door Jezus van het ‘woord van God’. Die uitdrukking heeft in het dubbelwerk van Lucas de theologische lading van het goede nieuws aangaande Gods koninkrijk (Luc. 4:43). In het evangelie duidt de uitdrukking daarbij op het geheel van de prediking van Jezus en in Handelingen verwijst deze naar het apostolisch kerugma. ‘Das “Wort Gottes” ist bei Lukas also der Ort, wo Gott sich nach außen als der lebendige und gnädige Gott manifestiert’ (Bovon, 23). In de oude kerk werden catechumenen die zich na een voorbereidingsperiodevan drie jaar opmaakten voor de doop ‘hoorders van het woord’ genoemd (Just, 203).

Na het onderricht van Jezus aan de schare, krijgt Petrus de opdracht de netten (opnieuw) uit te zetten. De ervaren visser Petrus schikt zich nolens volens in het woord van Jezus. De vangst is verbazingwekkend en zelfs angstaanjagend. Het gebeuren brengt Petrus op de knieën. De belijdenis die de eerste leerling daarbij uitspreekt, heeft een andere klank dan het opbiechten van moreel falen. Het gaat om het besef van de afstand tussen God en mens en de vervreemding tussen beiden. Deze vervreemding maakt dat mensen Gods genadige toewending niet in hun midden kunnen verdragen. In het slechtste geval wordt Hij hardhandig verwijderd wanneer Hij te na komt (Berkhof, § 27). De reactie van Jezus (‘vreest niet’) overbrugt die vervreemding. Die reactie is bij Lucas eigen aan Epifanieberichten (1:13; 30; 2:10). ‘Damit ist die gottesferne Mensch wieder gottesnahe geworden’ (Schweizer, 69).

Het gebruik van hetzelfde werkwoord ‘vangen’ in vrijwel alle gangbare Nederlandse vertalingen in de verzen 5, 9 en 10 (StV, nbg, kbs, nbv) kan hoorders en lezers op het verkeerde been zetten en onaangename referenties oproepen van geloofspropaganda en bekeringsdrift. In vers 10 staat echter een ander Grieks werkwoord, zoogreoo, dan in vers 5 en 9, (sul)lambanoo. De Naardense Bijbel geeft dit verschil weer met ‘meenemen’ (5:5, 9) en ‘mensen vangen ten leven’ (5:10). In de lxx klinkt in zoogreoo van vers 10 de gedachte mee ‘van de ondergang redden’ (Num. 31:15, 18; Deut. 20:16; Joz. 2:13; 6:25; 9:20; 2 Sam. 8:2; 2 Kron. 25:12; 2 Mak. 12:35). Een alternatieve vertaling van deze verzen zou kunnen luiden: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets meegebracht. (…) Hij was verbijsterd (…) over de enorme hoeveelheid vis die ze bijeen hadden gebracht. (…) “Wees niet bang, voortaan zul je mensen opvangen ten leven”’.

Aanwijzingen voor de prediking

In de jongste geschiedenis is vooral de naam van Rudolf Bultmann (1884-1976) verbonden met het zoeken naar een nieuwe manier van interpreteren van de wonderberichten, het zogeheten ‘programma van ontmythologiseren’. Bultmann wil alle mythologische inkleding van de berichten ‘afpellen’ om de verkondigende kern, het zogeheten kerugma, over te houden. In een preek naar aanleiding van Lucas 5:1-11 valt hij met de deur in huis. ‘Het verhaal van de visvangst van Petrus vertelt over een wonder en stelt ons daarmee voor de vraag: Wat is het christelijke geloof in wonderen? (…) Hoort het tot het christelijk geloof om de wonderbaarlijke verhalen uit het Nieuwe Testament, en dus ook ons verhaal, als ware gebeurtenissen te beschouwen? We leven toch in een tijd waarin we dergelijke wonderen niet alleen niet meer meemaken, maar ook voor absoluut onmogelijk houden.’ Deze preek sprak Bultmann uit op 13 juli 1941 in een academische kerkdienst in Marburg. Mogelijk neemt hij daarom ruim de tijd (twee pagina’s) om de vreemdheid te benoemen die deze berichten hebben voor zijn gehoor. ‘En het is niet verwonderlijk dat niet alleen veel mensen die zich van het christelijk geloof hebben afgekeerd, maar ook veel anderen die oprecht christen willen zijn, de wonderbaarlijke verhalen uit het Nieuwe Testament als ongeloofwaardig bestempelen’ (Bultmann, 361). De auteur maakt vervolgens duidelijk wat wonderen wel en niet voor hem zijn. ‘Het christelijk geloof is het geloof in Gods genade, zoals die voor ons zichtbaar is geworden in Christus. Het eigenlijke werk van Christus echter was, zoals Luther al zei, dat hij de wet en de dood heeft overwonnen’ (idem).

Vanuit dat uitgangspunt relativeert Bultmann de betekenis van de historiciteit en de ‘feitelijkheid’ van de wonderen. Want wat dit wonderbericht ‘ons leren wil, dat leert het ons hoe dan ook – of het nu het relaas van een historische gebeurtenis of een verzinsel is’. En hoewel dit bericht voor hemzelf een ‘vroom verzinsel’ is, houdt het waarde door het op te vatten ‘als een gelijkenis, waarin de wonderbaarlijke macht tot uitdrukking wordt gebracht die Jezus over een mensenleven krijgen kan’ (Bultmann, 363). Jezus laat de vreesachtige zondaar Petrus die macht beleven, want ‘het eigenlijke wonder is precies dit: dat Jezus de zondaar tot zich roept, hem in zijn dienst stelt, dat hij hem verandert, hem nieuw en zuiver maakt’ (Bultmann, 369).

Frederik O. van Gennep (1926-1990) interpreteert het wonderbericht uit Lucas 5, net als Bultmann, als ‘enacted parable’. Maar anders dan Bultman, blijft het bij hem niet bij abstracties. Zo wijst Van Gennep heel concreet de plek aan waar volgens hem het aanstootgevende zit van dit wonderbericht, en wel de grootte van de vangst. ‘Het is duidelijk dat datgene wat mensen voorhanden hebben niet genoeg is om de genadegaven van God te kunnen bergen. Onze netten, onze boten kunnen het niet aan. En wij zelf, wij kunnen het ook niet aan. Want na dat niets van vannacht komt nu ineens het alles van Jezus. Wat moet je daarmee als visser, als boekhouder, arbeider of werkgever. Je voelt je uitgeschakeld als visser. Niet jij hebt het gedaan, maar Hij. Wat heb je aan zo’n wonder. Het vernedert je als mens. (…) Ik wil wel twintig vissen vangen, maar geen duizend, waarvan het volkomen duidelijk is, dat ik ze nooit gevangen kan hebben. (…) Ik zou heel graag willen, dat u iets begrijpt van wat zo’n wonder in het Nieuwe Testament betekent. (…) Het gaat niet om die vissen, maar je moet weten dat je leeft van Gods genade.’ Van Gennep maakt in een tweede beweging duidelijk dat dit bericht niet blijft staan bij het ‘genadige vernederen’ van een mens. Dat knoopt hij vast aan de toepassing van dat ‘mensen vangen’. Dat is volgens hem allesbehalve ‘zieltjes winnen’. Het is veelmeer te verstaan als ‘opgenomen worden in de beweging van Gods liefde, zodat alles wat je doet niet meer jouw verdoemelijke eigen prestatie is, waar je doodmoe van wordt, maar Gods grote, genadige werk, dat door jouw leven heen in de wereld gestalte krijgt. Mensen vangen, dat is mensen opvangen, omvangen, begrijpen, moed geven. Het is een beweging, die wij ternauwernood zelf verrichten, maar die door ons leven heen aan anderen wordt verricht. Het is een beweging, die door de gemeenschap met Christus mogelijk wordt’ (Van Gennep, 41). Van Gennep volgt het interpretatieve spoor van Bultmann’s ontmythologisering, maar komt dicht bij de leefwereld van zijn hoorders.

Liturgische aanwijzingen

Wanneer in de preek aandacht wordt gegeven aan het genadekarakter van het wonder, kan een tweede lezing gekozen worden uit de brieven van Paulus, bijvoorbeeld Efeziërs 2:8-10. Rondom het thema roeping kunnen als liederen gezongen worden Gezang 47:1 en 463:2.

Geraadpleegde literatuur

Als inleiding op de wonderberichten: Abraham van de Beek, Wonderen en wonderverhalen, Nijkerk 1991; Rein Bos, De vinger Gods. Wonderberichten in de kerkelijke praktijk, Zoetermeer 2008; John P. Meier, A Marginal Jew: Rethinking the Historical Jesus Vlm. 2. Mentor, Message, and Miracles,New York 1994. Bruikbare en nuttige exegetische informatie wordt geboden door de commentaren van François Bovon, Das Evangelium nach Lukas 1 (ekk III/1), Zürich 1989; Arthur A. Just, Luke (Concordia Commentary), St. Louis 1996; John Nolland, Luke 1-9:20 (wbc Vlm. 35A), Dallas 1989; Eduard Schweizer, Das Evangelium nach Lukas (ntd), Göttingen 2000. Voor de belijdenis van Petrus zie § 27 in Hendrikus Berkhof, Christelijk Geloof. Een inleiding tot de geloofsleer, Nijkerk 19855. De preek van Rudolf Bultmann is gepubliceerd in Marburger Predigten, Tübingen 1956, 137-147 en is hier geciteerd naar de Nederlandse vertaling, opgenomen in Jaap H. van der Laan (red.), Van God gesproken. De mooiste preken sinds de Bergrede, Amsterdam 2007, 360-371. De preek van Frederik O. van Gennep is opgenomen in de bundel Naam geven wat ik zoek, Baarn 1991.

< Terug