< Terug

Preekschets Marcus 10:14 – Bediening van de Heilige Doop

Marcus 10:14

Laat de kinderen bij mij komen.

Het eigene van de dienst

De context van de doopdienst resoneert in het bijzonder met het kindmotief in Nijhoffs poëzie. De bekende ‘dooptekst’ uit Marcus 10:14 figureert in de aanhef van het gedicht De kinderkruistocht. Ouders die hun kind ten doop houden, beleven – vaak in diepe ontroering – een grensmoment. Leven en dood zijn in het geding. Het ritueel van de doop bepaalt de gemeente bij alle kinderen in haar midden, zichtbaar en onzichtbaar: ook bij de ongeboren, de ontijdig verloren en noodgedwongen losgelaten kinderen. Een doopdienst vraagt om gevoelvolle, verbindende taal. Wellicht kan de dichter daarbij helpen.

Uitleg

We luisteren ‘stereo’ naar de bijbeltekst en het gedicht. Dat vraagt om een dubbele beweging in de uitleg. In beide komt een bepaald ‘kindbeeld’ naar voren dat onze bezinning op kind-zijn in relatie tot God en mensen uitdaagt. Wat betekent het ‘kind’ te zijn, in het geestelijke en het reële leven?

In het Joodse milieu van de eerste eeuw heeft het kind in sociaal opzicht een marginale positie. Kinderen worden door hun ouders weliswaar in vreugde ontvangen – vruchtbaarheid is de eerste concretisering van de zegen in Genesis – maar in de gemeenschap telt een kind pas mee als de jongen religieus volwassen is geworden (zoon der wet) of het meisje oud genoeg is om uitgehuwelijkt te worden. Voor beiden geldt dat dit vanaf 12 / 13-jarige leeftijd het geval is. Paidia (vs. 13) duidt op kinderen van 0 tot 12 jaar. Voor Farizees besef heeft zo’n kind nog geen verdienste voor God. Het kan niet het ‘juk van de Thora’ op zich nemen door zich te houden aan de geboden en het uitspreken van het Hoor Israël (Deut. 6:4). Wellicht is deze betekenisloosheid de reden dat de leerlingen de kinderen uit de buurt van Jezus willen houden. Hij reageert echter pijnlijk getroffen en verontwaardigd omdat de leerlingen niet bedacht zijn op het perspectief van het Koninkrijk, dat is de zeggenschap van Gods liefde (vgl. 8:32, 33 en 14:6). Juist in hun onaanzienlijkheid horen kinderen bij de Heer. Het ‘houd ze niet tegen’ is sinds de Vroege Kerk in verband gebracht met de kinderdoop (‘verhinderen’ als technische term voor doopbeletsels, vgl. Hand. 8:36). Jezus doorbreekt het denken in verdiensten van de patriarchale samenleving door de kinderen direct te betrekken bij het – in Hem presente – Rijk van God. Vervolgens maakt Hij er een les voor de leerlingen van: het kind als beeld voor een houding van ontvankelijkheid (vs. 15). De zin is geen voorwaarde, maar een voorbeeld. Het beeld is niet romantisch te verstaan, maar existentieel. Zoals een kind feitelijk op ontvangen is aangewezen, zo kan het Koninkrijk alleen ontvangen worden, niet verdiend.

Met een sprekend gebaar laat Jezus zien dat de kinderen werkelijk bij Hem horen: Hij omarmt ze, legt ze de handen op en zegent ze. De handoplegging is een fysieke concretisering van de woorden van de zegen. Het is een teken van gemeenschap en aanvaarding. ‘Zo dichtbij als die hand op je hoofd, zo dicht zal Ik bij jou zijn.’ Zegenen is meer dan bidden of wensen. Het is met volmacht namens God zeggen dat Hij het goede schenkt (vs. 16 kateulogein, met versterkende prefix, letterlijk: goeds-toespreken). Het goede is in dit verband: dat het leven tot ontplooiing komt, dat kinderen hun bestemming in de liefde vinden. Bij de zegen gaat het niet om het buitengewone, het wonderlijke, maar om de ontwikkeling van het gewone leven. Waarbij bedacht moet worden, om met Noordmans te spreken, dat de zegen van Jezus onder het kruis doorgaat.

Nijhoffs gedicht ‘De kinderkruistocht’ (uit de bundel Vormen 1924) is opgebouwd uit achttien tweeregelige strofen met gepaard rijm. Het ademt de sfeer van een middeleeuwse ballade. Naar eigen zeggen van de dichter gaan de strofen 1 tot en met 6 over het vertrek van de kinderen en de strofen 8 tot en met 13 over hun aankomst: Nijhoff is gefascineerd door de overgangsmomenten. Direct aansluitend geven de strofen 7 en 14 ‘meditaties’ bij het grensmoment: ‘Want iedereen blijven Gods woorden vreemd / Behalve hem die ze van God zelf verneemt. -’ en ‘Wie alles verlaat vindt in vaders huis / Dat vele woningen heeft, zijn thuis’. De strofen 15 t/m 18 vormen een ‘Ausklang met de Latijnse smeekwoorden’. Typerend voor de balladevorm loopt de vertelling uit op gebed.

Historisch gezien is de kinderkruistocht met nevels omhuld. Het verhaal gaat dat in 1212, na het mislukken van de vierde kruistocht (het falen van de ouders!), tienduizenden kinderen uit Duitsland en Frankrijk op weg gingen naar het Heilige Land om het van de Saracenen te bevrijden. Hun onschuld zou hen onkwetsbaar maken. In werkelijkheid zou het zijn gegaan om bewegingen van ontheemde boeren (pueri, foutief vertaald als kinderen), die ellendig eindigden in de rosse buurt en op de slavenmarkt. Thea Beckman heeft het verhaal eigentijds bewerkt in de jeugdroman Kruistocht in spijkerbroek (1973; verfilmd in 2006 Crusade in Jeans).

Nijhoff analyseert het fenomeen in een boekbespreking uit 1931 (zie VWII 674-676). Hij kritiseert het naïeve geloof in de kinderlijke onschuld en merkt op: ‘… ook Christus had zijn Judas, en wij kunnen erover mijmeren, of de ware onschuld niet eerst ontstaat, wanneer zelfs de bewustheid van onschuld vernietigd wordt door een overweldigende schuld van buiten. Er is in deze ontmoeting van goedheid met slechtheid, die goedheid eerst waarlijk goed maakt, om met Dante te spreken, een laatste wijsheid en een eerste liefde.’ In het gedicht concentreert Nijhoff zich op de radicale ontvankelijkheid en overgave van de kinderen aan de ‘stem in het licht’. Het kindmotief heeft een zuiver aspect dat aan het hemelse refereert en tegelijk op aarde wordt gerealiseerd. Zo wijst het degenen die zich eenzijdig op een aardse of hemelse positie richten, op hun tekorten (Dorleijn, Lexicon 8). Nijhoff zoekt het hemelse in het aardse, of poëticaal uitgedrukt: hij zoekt het transcenderende vermogen van de poëzie in gewone omgangstaal. Daarvoor vindt hij steun en uitdrukking in het christologisch dogma: ‘God is in de realiteit, of Hij bestaat voor ons niet. Het Christelijk geloof is alleen nog aldus te aanvaarden: God heeft zijn Zoon (d.i. zijn voor mensen kenbare openbaring) in de wereld, in de werkelijkheid, gezonden. Daar is Hij nog, of Hij is nergens’ (VW II, 258).

Een verbindend thema dat tussen bijbeltekst en gedicht resoneert, is de dynamiek van roepstem en antwoord. Jezus roept kinderen tot zich en wij worden kinderen in de overgave van het gebed dat Hij zijn leerlingen meegaf voor onderweg, het Onze Vader. Het gaat om besef dat je kind van deze Vader bent. De doop beeldt uit dat we onze bestaansgrond in God hebben – vóóraf aan enige verdiensten weten wie je roept en waar je thuiskomt. Gelovige opvoeding cirkelt rond dit verborgen weten.

Aanwijzingen voor de prediking

Preken worden met woorden gemaakt. Daarom komt het eropaan eerst taal te verzamelen uit de bronnen van exegese, pastoraat en cultuur en vervolgens deze taal in een proces van schikken, schrijven en schrappen zo te ordenen, dat de ontmoeting met het kind en de Heer voelbaar wordt. Bruikbaar taalmateriaal in de context van een doopdienst is te vinden op geboortekaartjes en in gesprekken met de doopouders. Hoe verwoorden zij hun verlangen en zorg met het oog op hun kinderen? Kruistocht in spijkerbroek kan anekdotisch taalmateriaal leveren over (naïeve) ontvankelijkheid, goedgelovigheid en echt vertrouwen.

De structuur van de preek kan het gedicht volgen: afwisselend vertellend en meditatief. Na een meditatieve passage valt een stilte die de kracht heeft van een ‘witregel’. De predikant zwijgt om zelf op adem te komen en om de gemeente ruimte te laten voor haar eigen overwegingen. Tegelijk kan in deze stiltes de Naam zelf present worden. Daarover beschikt geen mens, maar wie preken houdt en hoort, hoopt daar wel op.

Liturgische aanwijzingen

Het zegenlied Psalm 67 (berijmd door Nijhoff) is een passende openingspsalm. De kinderliederen awn I, 21 en Zing het Woord 41 sluiten aan bij het evangelie. Geschikte doopliederen zijn ZG V,77; ZG VIII, 68 en maw 17. De tekst van De kinderkruistocht is op muziek gezet door Antoine Oomen in Vijfentwintig liedjes en liederen op Nederlandse poëzie. Er is een rijmprent uit 1926 met een houtsnede van A. van der Vossen.

Geraadpleegde literatuur

Commentaren: M.N. Bolkestein pnt (1977), J. Gnilka ekk II/2 (1979). Over Nijhoff: C. (Cor) Bregman, Gedicht belicht [uitgave Wartburg College, Rotterdam 2002]; Kees Bregman, De stem uit de oneindigheid. Over de talige vormgeving van preken in het licht van poëzie en poëtica van Martinus Nijhoff, Zoetermeer 2007; G.J. Dorleijn, ‘M. Nijhoff. Vormen’, in: Lexicon van literaire werken, afl. 26, Groningen 1995; ‘Bijbels-theologisch over het kind’: C.J. den Heijer en P. Schelling, Symbolen in de bijbel, Zoetermeer 2000, trefwoord Kind; H.-R. Weber, Jezus en de kinderen, Kampen 1979.

< Terug