< Terug

Tijd van hoop op het naderende oordeel

Tijd van hoop op het naderende oordeel

Bij Jesaja 2,1-5 en Matteüs 24,32-44

Gieren, kadavers, dagen van verschrikking en valse messiassen zetten de toon voor de Adventstijd. De evangelielezing voor de eerste zondag ervan is genomen uit de ‘rede over de laatste dingen’ (Mat. 24,1-25,46), die Jezus houdt tijdens zijn laatste optreden in Jeruzalem (21,1-25,46).

Dat juist deze lezing, die narratief gezien voorbereidt op Jezus’ kruisiging en dood, haar plaats heeft gevonden op de eerste zondag van de tijd die naar het feest van Jezus’ geboorte toe werkt, kan verbazen. De keuze is echter logisch als je bedenkt dat men de gedachtenis van Christus’ komst in de wereld vanaf het begin heeft gevierd vanuit de hoop op diens wederkomst. Alleen al daarom is het feest iets anders dan een goedkope kopie van een midwinter- of Mithrasfeest. Kerstmis is daarmee een feest van hoop op het naderende oordeel en het richten (‘recht maken’) van de schepping.

Twee verhaallijnen

Dit brengt met zich mee dat in het lectionarium twee verhaallijnen naast elkaar en over elkaar heen lopen: de verhaallijn van Maria’s zwangerschap, gevierd op 25 maart, exact negen maanden voor Kerstmis, en Jezus’ geboorte; en de verhaallijn over het einde der tijden, samengesteld uit profetische oud- en nieuwtestamentische teksten. De twee lijnen kennen een onderlinge kruisbestuiving: het karakter van Gods oordeel wordt nader bepaald door Gods menslievendheid zoals die verschijnt in de geboorte van Christus (Tit. 3,4), terwijl het ‘romantische’ verhaal van Jezus’ geboorte de dimensie van oordeel over de schepping meekrijgt. Dat dit laatste allesbehalve vergezocht is, blijkt ook uit de verhaallijn van het Lucasevangelie met ‘het’ kerstevangelie: Jezus’ optreden houdt ook een oordeel over de maatschappij van zijn tijd in, met name over de machtsstructuren van het Imperium Romanum. Jezus’ verkondiging van de heerschappij, het ‘Koninkrijk’ van God, heeft trouwens helemaal een nadrukkelijk eschatologische gevoelswaarde. Daarbij horen ook Jezus’ geboorte en het daarnaar toeleven: zie bijvoorbeeld de lofzangen van Maria, Zacharias en Simeon en hun eschatologische perspectieven (Luc. 1,46-56; 1,68-79; 2,29-32).

Hiermee wil ik markeren dat Matteüs 24,32-44 op de eerste Adventszondag deel uitmaakt van een breder liturgisch- en Bijbels-theologisch geheel. Behalve binnen hun oorspronkelijke literaire en/of historische verband moeten deze woorden ook binnen dat bredere geheel worden verstaan. Anders zou dit wel een exegese van Matteüs 24,32-44 worden, maar niet van het evangelie van de eerste zondag van de Advent.

Wanneer zal de Mensenzoon terugkomen?

Matteüs 24,32-44 zelf handelt over een reële onzekerheid van de vroege kerk: de vraag naar waar Gods verlossende Gezalfde (Messias) nu is. Uit de eerste eeuw zijn talrijke messiaanse gestalten bekend die volgelingen om zich heen verzamelden om land en volk in Gods naam te bevrijden; zie bijvoorbeeld Theudas en Judas de Galileeër (Hand. 5,36-37). De opmerking dat een Messias in de woestijn te vinden zou zijn, past daarbij: het lijkt erop dat sommige ‘messiaanse’ leiders zich in de woestijn of een ontoegankelijk gebied terugtrokken. De grote vraag was daarbij natuurlijk of iemand werkelijk Gods Messias was. Zoals Gamaliël zegt: als het mensenwerk is, zal het ten onder gaan, als het van God komt, niet – en dan is het te respecteren en te vrezen (Hand. 5,38-39). Met andere woorden: the proof of the pudding is in the eating.

Zo’n houding geeft ook Jezus in Matteüs 24 aanleiding tot terughoudendheid ten opzichte van messiaanse figuren. Hij lijkt echter op nog iets anders in te steken: wanneer de Messias komt, zal dit zo overweldigend zijn dat het volstrekt duidelijk is. Jezus verwijst naar een gebeurtenis van kosmische dimensies – meer dan ‘alleen maar’ de ‘grote tekenen en wonderen’ van valse messiassen (24,24): ‘Want zoals de bliksem vanuit het oosten komt en tot in het westen zichtbaar is, zo zal het zijn met de komst van de Mensenzoon’ (24,27). Zolang het onzeker is of iemand de Messias is, lijkt Jezus te suggereren, is hij het waarschijnlijk niet. Dit is een geruststellende boodschap.

Een nieuwe gemeenschap van uitverkorenen

Tegelijkertijd verbindt Jezus er nog een andere boodschap aan: voor de ‘uitverkorenen’ zal het een verlossende gebeurtenis zijn. ‘Dan zal Hij zijn engelen uitzenden onder luid trompetgeschal, en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiteinde van de hemel tot aan het andere’ (24,31). Zo lijkt de tekst enerzijds gericht op het wegnemen van onzekerheid en anderzijds op het bieden van troost en hoop: de komst van de Messias, die zo verschrikkelijk lijkt – de beeldspraak liegt er niet om – zal voor de uitverkorenen een verlossing zijn. Deze verlossing heeft ook een specifieke vorm: de uitverkorenen zullen van alle kanten worden samengebracht. Daarmee sluit deze profetie van Jezus over de komst van de Messias nauw aan bij de verwachting van Israël dat aan het ‘einde der tijden’ het godsvolk zal worden hersteld, waarbij alle volkeren tot de gemeenschap van de God van Israël zullen toestromen (Jes. 2,2), en de gehele schepping zal worden vernieuwd, een verwachting die ook in de visioenen van de Openbaring van Johannes tot uitdrukking komt.

Ook tegen deze achtergrond is de uitdaging om over Matteüs 24,24-32 in de Adventstijd te preken er niet minder om geworden. Tegelijk biedt juist de vorm van de verlossing – gemeenschap – een uitgangspunt en een hermeneutische lens om te zien hoe oordeel geboorte en geboorte oordeel kan zijn. In beide gevallen is het springende punt dat door Gods ingrijpen in de wereld, in Messias Christus, mensen op een nieuwe manier tot gemeenschap met God worden samengebracht. Dat is de kern van het ‘oordeel’ en de bredere betekenis van Gods menswording in Christus, zoals die zich in Jezus’ leven en in dat van de kerk ontwikkelt – als begin van een nieuwe schepping en als oordeel over alles wat mensen van elkaar scheidt.

Peter-Ben Smit

< Terug