< Terug

Wie is Kuyper?

Abraham Kuyper (1837–1920), fragment uit Tasten naar God[1]

De invloed van Kuyper in Nederland is enorm: het strekt zich uit van kerk tot politiek tot academie. Kerkelijk gezien was hij de organisator en stuwende kracht achter de Doleantie in 1886, waardoor een orthodox-confessioneel deel van de Hervormde Kerk een nieuw zelfstandig kerkverband vormde: de Gereformeerde Kerken in Nederland.[2]

Politiek gezien was hij de oprichter van de eerste officiële politieke partij in Nederland: de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Hij was bijna 50 jaar politiek actief en van 1901 tot 1905 minister-president. Op academisch vlak was hij vooral de stichter van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) in 1880.

Kuyper in de derde persoon over zijn eigen relaas: ‘Zelf, onder de leiding van Scholten en Kuenen, opgevoed in een geheel anderen sfeer van theologische gedachten (…) vond hij noch voor zijn hart, noch voor zijn denken rust, dan toen zijn oog open ging voor de diepte, den ernst en de schoonheid der Gereformeerde belijdenis, tot ons gekomen uit die geestelijk zoo rijke dagen, toen het calvinisme niet slechts op theologisch, maar ook op sociaal en politiek gebied, nog een wereldmacht was.

Juist dit echter deed hem de sterksprekende behoefte inzien, om de Gereformeerde theologie, die als zoodanig reeds sinds het midden der vorige eeuw den slaap der tragen sliep, weer wakker te schudden en in rapport te brengen met het menschelijk bewustzijn, gelijk zich dit aan het einde der 19e eeuw ontwikkeld heeft.’

Abraham Kuyper in zijn Encyclopaedie der heilige godgeleerdheid[3]

portret Abraham Kuyper
Kuyper in 1905

Kuypers theologische opvattingen liggen aan de basis van al deze activiteiten en ontsluiten daarom voor een belangrijk deel de betekenis van de laatste. Zijn theologische weg start in Leiden, waar hij onder Scholten studeerde. Aanvankelijk stemde hij in met het modernisme, maar zou het uiteindelijk via meerdere religieuze crises de rug toekeren. Het contact met vrome gelovigen in de traditie van de Nadere Reformatie en Kohlbrugge tijdens zijn predikantschap in Beesd werkt met name katalyserend. Hier ontmoet hij een diepgeworteld, allesbepalend geloof dat hij zelf mist. Hij gaat daarom op zoek naar een theologie die dit beter recht doet dan Scholten en vindt een nieuw thuis bij Calvijn. Deze theologische beweging die Kuyper hier maakt, van Scholten, via de Nadere Reformatie, naar Calvijn maakt een aantal dingen duidelijk:

  • De scherpe lijnen die bij deze reformatorische traditie worden getrokken tussen God en mens, tussen zonde en genade, worden onderdeel van het DNA van Kuypers theologie. De allesbepalende vraag is of je wedergeboren bent of niet, en Kuyper werkt deze noodzaak als theologische scheidslijn uit op alle levensgebieden.
  • Zowel de Nadere Reformatie als Calvijn benadrukt dat het gehele leven onder het Woord van God moet komen te staan. Voor Kuyper is dit essentieel: de wedergeboorte maakt dus niet alleen persoonlijk alles uit, maar die geldt voor alle levensterreinen. Een wezenlijk onderdeel van Kuypers programma is om die doorvertaling van het calvinistisch-christelijk perspectief kerkelijk, politiek en wetenschappelijk uit te werken.
  • Ik zei hierboven bewust ‘allesbepalend’. Het wijst namelijk op hoe Kuyper denkt in beginselen: die vormen het vertrekpunt voor hoe je naar kerk en samenleving kijkt. Vanuit die beginselen worden alle lijnen uitgezet. Eigen aan Kuyper (en zijn volgelingen) is dus de systematische benadering waarmee hij dit alles aanpakt. De hele wereld kan in één groot gereformeerd systeem een plekje krijgen. Daarin lijkt hij op Calvijn, maar ook op Scholten, die net zozeer een systeembouwer was.[4]

‘Houdt daarom bij geen halfheden u op. Zo waarachtig als elke plant een wortel heeft, schuilt onder elke levensuiting een beginsel. Die beginselen hangen onderling samen en vinden hun moederkiem in een grondbeginsel, en uit dat grondbeginsel ontwikkelt zich logisch en systematisch dat geheel van heersende begrippen en denkbeelden, dat feitelijk onze levens- en wereldbeschouwing uitmaakt. Met zulk een beginselvaste, wel ineengesloten wereld- en levensbeschouwing treedt thans Modernisme tegen het Christendom op, en daartegen nu kunt gij uw Christendom niet verweren, of gij moet even principieel, in even deugdelijke saamhang en even helder uitgewerkt, er uw levens- en wereldbeschouwing tegenover plaatsen (…). Dit nu staat met teruggaan op het Calvinisme gelijk. Keuze is hier niet.’

Abraham Kuyper in Het Calvinisme[5]

  • Deze systematiek bracht een intellectuele nadruk die in de context van het calvinisme leidde tot een accent op de rechte leer en belijdenis. Meer dan in bijv. de ethische theologie bezit de essentie van het geloof bij Kuyper daarom een confessioneel karakter.
  • Kuyper wilde niet alleen calvinistisch zijn, maar ook eigentijds, en geloofde uitbundig in de zin en zeggingskracht van het gereformeerde wereldbeeld voor de moderne samenleving. Net als Scholten wilde ook hij Calvijn ‘in rapport brengen’ met zijn eigen tijd.[6] Daarom spreekt men in dit opzicht van neo-calvinisme, en is Kuyper, hoe rechtzinnig ook, ergens een typisch progressief en modern theoloog.[7]

Laten we meer naar de inhoud gaan. Kuypers woorden, uitgesproken tijdens de openingsrede van de Vrije Universiteit in 1880, zijn misschien wel zijn bekendste geworden en een logisch startpunt:

Och, geen enkel stuk van onze denkwereld is hermetisch te scheiden van de andere deelen; en geen duimbreed is er op heel ’t erf van ons menschelijk leven, waarvan de Christus, die áller Souverein is, niet roept: ‘Mijn!’[8]

Dit is het basisbeginsel: Gods soevereiniteit over alle terreinen van het leven. Daarmee is de hele werkelijkheid religieus geladen en bestaat er geen ‘seculier’ of neutraal terrein: iets gehoorzaamt wel of iets gehoorzaamt niet aan Christus’ claim ‘Mijn!’. Deze claim levert voor Kuyper op dat alle levensgebieden vanuit een specifiek calvinistisch perspectief kunnen worden opgebouwd, want God heeft over alle wat te zeggen. De hoofdlijnen hiervan voor o.a. wetenschap, kunst, religie en politiek legt hij neer in zijn beroemde Stone Lectures van 1898 onder de titel Het Calvinisme. Het calvinisme is hier geen theologische stroming of denominatie, maar ‘een geheel eigene, alomvattende, wereld- en levensbeschouwing’.[9]

Het directe gevolg hiervan is dat er een fundamentele tweedeling door de gehele wereld loopt: voor of tegen Christus. Kuyper noemt dit het principe van de antithese.[10] De verzuiling die Nederland de eerste helft van de 20e eeuw kenmerkte, is een gevolg van dit uitgangspunt, want er is geen neutraal terrein. Dit ontstaat dus allemaal vanuit de eerdergenoemde Kuyperiaanse nadruk op de noodzaak van wedergeboorte (ook wel: palingenesie), in combinatie met wat hij ‘soevereiniteit in eigen kring’ noemt. Dit laatste drukt uit dat ook al is elk levensterrein religieus bepaald, het heeft zijn eigen onafhankelijkheid. Zo heeft de staat geen gezag over de kerk of de kerk over de academie (de Vrije Universiteit). Elk volgt zijn eigen principes (maar wel steeds ingegeven vanuit de wedergeboorte).[11]

‘Let wel, ik zeg niet het conflict tussen geloof en wetenschap. Dat bestaat niet. Alle wetenschap gaat van geloof uit, en omgekeerd geloof, waaruit geen wetenschap opkomt, is wangeloof of bijgeloof, maar geloof is het niet. Alle wetenschap onderstelt geloof aan ons ik, in ons zelfbewustzijn; onderstelt het geloof aan de juiste werking onzer zintuigen; onderstelt het geloof aan de juistheid der denkwet; onderstelt het geloof aan het generale in de speciale verschijnselen; onderstelt het geloof aan het leven en onderstelt bovenal het geloof in de beginselen waarvan men uitgaat.’

Abraham Kuyper in Het Calvinisme[12]

Tegen de achtergrond van dit denken staat de calvinistische predestinatieleer, die de wereld ook indeelt in verkozenen en verworpenen. Kuyper verbreedt dit echter tot criterium over allerlei terreinen. Samen met het Réveil is hij kritisch op de Franse Revolutie (Anti-Revolutionaire Partij) en haar autonomie-denken, want het beginsel is gehoorzaamheid aan Christus.[13] Ook is hij kritisch op de idee van een volkskerk, want deelnemen aan de kerk is niet een zaak van geboorte, maar van wedergeboorte. Dus ook binnen de kerk loopt er een scheidslijn tussen ware en valse gelovigen (en dus zal er een punt kunnen komen dat de wedergeborenen zich gaan afscheiden van de valse gelovigen, zoals ten tijde van de Doleantie). Daarmee is het christendom ten diepste een innerlijke realiteit van wedergeboorte (net als de verkiezing een onzichtbare realiteit is) en kan het dus ook niet geïdentificeerd worden met een instituut of instelling, maar heeft het een organisch karakter, dat zich als een organisme door de samenleving heen verspreidt. Daarin ligt ook zijn kracht en toekomst.[14] Met deze gedachte sluit Kuyper ook wezenlijk aan bij de optimistische tijdgeest van cultuurontwikkeling. De kiem van de wedergeboorte werkt zich namelijk bij hem uit in een gereformeerd cultureel leven, dat met zijn heiliging doordringt in alle lagen en uithoeken van de samenleving. Daarin neemt Kuyper de realiteit van de zonde veel ernstiger dan de modernen (het is geen tussenstation zoals bij Scholten, maar een fundamenteel, blijvend probleem), maar de ontwikkeldrang en het optimisme zijn in veel opzichten formeel vergelijkbaar.[15]

Ondanks laatstgenoemd punt is duidelijk dat Kuyper de tegenstelling tussen christen en wereld theologisch op de spits drijft. Daarmee komt echter zijn wens diezelfde wereld tegemoet te treden met een eigentijds calvinisme natuurlijk onder druk te staan. Kuyper zal theologisch dus moeten gaan compenseren om deze spanning op te lossen. Dat doet hij door het leerstuk van de ‘gemeene gratie’ (i.e. ‘algemene genade’). Deze genade houdt restanten van Gods goede schepping, die aanknopingspunten kunnen vormen voor reformatie, in stand. Deze algemene genade heeft een voorbereidende functie: de bijzondere of particuliere genade bouwt daarop voort om de wedergeboorte tot stand te brengen. Dit geldt zowel voor het menselijk individu alsook voor de structuren in de samenleving. Dat schept ruimte voor (o.a. politieke) samenwerking met niet-gereformeerden. Waar Kuyper in de breedte van de dogmatiek in veel opzichten de kerkelijke traditie volgt, is deze notie van algemene genade een eigen, originele bijdrage aan die traditie. Juist het leerstuk dat de weg baant voor Kuyper om zijn eigen tijd te bereiken, komt voor een belangrijk deel van zijn eigen hand.[16]

Evert Leeflang studeerde theologie aan de Evangelische Faculteit te Heverlee (België). Hij is opleidingscoördinator Theologie en docent Systematische theologie en Hermeneutiek van het Evangelisch College in Zwijndrecht. Deze blog komt uit zijn boek Tasten naar God: een introductie in de moderne theologie.

Noten

[1] Evert Leeflang, “Moderne theologie in het Nederlands protestantisme” in Tasten naar God (Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2022): 332-337. Noten 2 t/m 16 uit dit artikel zijn in feite noten 63 t/m 77 van het desbetreffende hoofdstuk.

[2] Doleren komt van ‘zich beklagen’, ‘pijn lijden’, en wel om de valse leer die in de oorspronkelijke kerk is binnengedrongen. De kerken van de Doleantie zouden zich al gauw verenigen met die van de Afscheiding. Daaruit ontstonden de Gereformeerde Kerken in Nederland (waar in 1944 de Vrijmaking zou plaatsvinden) en daarnaast de Christelijke Gereformeerde Kerken (het restant van de Afscheiding dat niet meeging in de fusie).

[3] Kuyper 1908:vi.

[4] De Jong 1972:351.

[5] Kuyper 1959:160 cursief origineel.

[6] Kuyper 1908:vi; Rasker 1981:171-2.

[7] Vgl. type 2 van pag. 18.

[8] Kuyper 1880:35.

[9] Kuyper 1959:144; vgl. 160-1.

[10] Vgl. ibid. 21-23.

[11] Zowel de idee van een religieuze wortel van al het menselijk kennen als ‘soevereiniteit in eigen kring’ zijn sleutelconcepten in de reformatorische wijsbegeerte. Met name Dooyeweerd heeft dit in de lijn van Kuyper uitgewerkt (Van Woudenberg 2004:55, 74, 112). In de VS zie je dezelfde invloed bij Carl F. Henry en het presuppositionalism (zie pag. 186).

[12] Kuyper 1959:107.

[13] Hij deelt dan ook Bilderdijks gedeeltelijk positieve evaluatie van Kant: deze doorzag de gevallen staat van het menselijk kennen, maar sloeg de plank mis (vanwege zijn eigen onwedergeboren denken) met zijn alternatieve metafysica (Haitjema 1964:229-30).

[14] Kuyper 1959:47-52; Van de Beek 2009:71.

[15] Rasker 1981:192-6; vgl. Kamphuis 2020:122-3.

[16] Van de Beek 2009:70.

< Terug