Menu

Premium

Biddag voor gewas en arbeid

Bij Marcus 4,1-9

Verhaal

Een klein boertje in Brabant had langgeleden een stukje verarmde heidegrond gekocht. Jaren achtereen had hij zijn beste krachten besteed aan dat weerbarstige lapje grond. Zijn inspanningen bleven niet zonder succes. Op een mooie zondagmiddag loopt hij tevreden en trots over zijn akker, waarop het volle graan zachtjes meebuigt op de golven van de wind. Zo ziet de dorpspastoor hem staan. Hij complimenteert de boer: ‘De oogst staat er schoon bij. God en gij hebben goed werk geleverd.’ Waarop de boer de zaken rechttrekt door te antwoorden: ‘Had ge eens moeten komen kijken, mijnheer pastoor, toen God het hier nog alleen deed!’

(Harry Mourits in Open Deur 1999)

Gebed

Wij bidden voor uw schepping
die ten onder dreigt te gaan
door onze hebzucht.
Wij bidden voor hen die honger hebben.
Voor mensen die behoefte hebben
aan voedsel en liefde.
Leer ons delen van wat we hebben
en geven om elkaar.
Dan zult U zijn als
een bron van levend water,
een bloeiende tuin,
genoeg om van te leven,
genoeg voor iedereen.
Amen

Wellicht ook interessant

None

In Echo’s van het goede nieuws weerklinken de historische evangeliën in een nieuw geluid

Theologen en wetenschappers buigen zich al eeuwenlang over de betekenis van de evangeliën. In duizenden naslagwerken en commentaren voorzien ze de verhalen over het leven en de missie van Jezus van context. Het lijkt daardoor lastig om nog met vernieuwende en originele perspectieven te komen. Toch weet Geurt-Henk van Kooten met zijn boek Echo’s van het goede nieuws de evangeliën opnieuw te laten spreken. Door ze in hun historische context te plaatsen, brengt hij hun boodschap op een verrassend actuele en relevante wijze dichtbij.

Deuteronomium 6:4 in het Hebreeuws
Deuteronomium 6:4 in het Hebreeuws
Basis

Sjema

In het boek Deuteronomium is de hoogste joodse geloofsbelijdenis te vinden: “Hoor, Israël, de Heer onze God, de Heer is één!’, in het Hebreeuws uitgesproken als ‘Sjema Jisraël, Adonai Elohénoe, Adonai echád’ (Deuteronomium 6:4). Zonder dit vers, dat naar het eerste woord bekendstaat als het sjema, is het hele joodse monotheïsme ondenkbaar. Dit vers ‘leeft’ als geen ander. De gelovige staat ermee op en gaat ermee naar bed. Met dit vers op de lippen blaast hij ook de laatste adem uit. Het is dan ook niet voor niets dat juist deze tekst als een soort vademecum te vinden is in de mezoeza en de tefilien.

Nieuwe boeken