Autobiografische bijbelinterpretatie

Na 25 jaar de balans opgemaakt

Inleiding

Een aspect van contextuele Bijbelinterpretatie, dat in het Nederlandse taalgebied recent in de belangstelling is gekomen, is de rol die ‘het persoonlijke’ van de lezer speelt in het proces van interpretatie. Met ‘het persoonlijke’ bedoel ik niet alleen de biografie van de lezer, zoals die zich ontwikkeld heeft met name in relatie tot interpretatieve en zingevende gemeenschappen, etnische en maatschappelijke verhoudingen, lichaam, gender en seksualiteit, maar ook – en vooral – hoe de lezer zelf tegen haar biografie aankijkt, deze waardeert en meeneemt (bewust of onbewust) in haar interpretatie van Bijbelteksten.[1]

In het Engels- en het Duitstalige gebied heeft de aandacht voor het persoonlijke in de exegese al vijfentwintig jaar geleden geleid tot het ontstaan van het begrip ‘autobiografische Bijbelinterpretatie’.[2] In 1995 werd het begrip namelijk geïntroduceerd als een parapluterm voor allerlei min of meer persoonlijke manieren om Bijbelse teksten te interpreteren.[3] Meteen daarna is de autobiografische benadering in het Engelstalige gebied goed opgepakt.[4] Ongetwijfeld heeft dit te maken met de ‘autobiografische hausse’, de enorme groei van het aantal autobiografische romans die in diezelfde tijd op gang kwam.[5] Ook in het Duitstalige gebied was er aandacht voor, zij het in mindere mate.[6] In Nederland is er pas vrij recent aandacht voor gekomen.[7]

Wie op voorhand al bang mocht zijn dat een autobiografische benadering leidt tot oncontroleerbare en hyperindividuele interpretaties, wil ik graag geruststellen

In deze bijdrage wil ik de balans opmaken. Waar liggen de wortels van de autobiografische benadering? Wat voor benaderingen schuilen onder de parapluterm? Hebben ze wat nieuws gebracht? Is er iets van een systematisering mogelijk? En is er iets bij waar we, juist nu, dankbaar en met vrucht gebruik van zouden kunnen maken?

In het volgende zal ik eerst een schets geven van het ontstaan van autobiografische Bijbelinterpretatie en daarbij tevens het veld verkennen, met name voor wat betreft de Nederlandse situatie. Op grond daarvan zal ik een definitie voorstellen van wat volgens mij autobiografische Bijbelinterpretatie is, of althans zou moeten zijn, wil het echt een onderscheidend begrip zijn. Op basis van mijn definitie wil ik daarna bespreken wat je met autobiografische Bijbelinterpretatie in de praktijk kunt doen. Daarbij zal ik ook enige voorbeelden geven, in de hoop het nut van een autobiografische aanpak inzichtelijk te maken.

Wie op voorhand al bang mocht zijn dat een autobiografische benadering leidt tot oncontroleerbare en hyperindividuele interpretaties, wil ik graag geruststellen. Ook voor autobiografische Bijbelinterpretatie gelden de gebruikelijke wetenschappelijke criteria van intersubjectiviteit, controleerbaarheid en relevantie. Waar het om gaat is een onderzoek naar het persoonlijke element, dat in objectiverende interpretaties geen expliciete plaats heeft, maar niettemin toch een rol speelt. Wanneer het verzwegene benoemd wordt en ook openstaat voor een kritische discussie, kan dit bijdragen tot een meer bewuste en daarmee wellicht kritischer lezing van de Bijbel. Tegelijk kan het ook bijdragen tot een stuk volwassenwording van de lezer ten aanzien van de verschillende contexten waarin zij zich bevindt.

Een stukje geschiedenis

Laat ik dan eerst een schets geven van de wortels van autobiografische Bijbelinterpretatie en daarbij tevens het veld verkennen. Als ik het goed zie, komen er in de autobiografische aanpak tenminste vier sporen samen:

  1. Onderzoek naar autobiografie als genre;
  2. onderzoek naar autobiografische elementen in de tekst;
  3. onderzoek naar contextualitei; en
  4. onderzoek naar zelf-representatie.

1. Onderzoek naar autobiografie als genre

Het eerste spoor, onderzoek naar autobiografie als genre, kwam op in het begin van de negentiende eeuw en is verbonden met de naam van Friedrich Schleiermacher. Als een reactie op het Verlichtingsdenken concentreerde Schleiermacher zich op het gelovige bewustzijn. Dit bracht Wilhelm Dilthey tot het voorstel alle bestaande literaire autobiografieën te onderzoeken vanuit de vraag hoe mensen in de loop van de geschiedenis hebben gedacht.[8] Het eerste resultaat van dit project was het werk van Dilthey’s leerling Georg Misch, die in 1907 twee delen uitgaf over Griekse en Romeinse autobiografie.[9] Het project bleek te omvangrijk, zodat het daarna stilviel.

Weliswaar hebben we van de schrijvers van de Bijbelboeken geen literaire autobiografieën, maar de gedachte dat je moest lezen vanuit het bewustzijn van de auteur was wel sterk

In de Bijbelexegese heeft deze benadering een belangrijke rol gespeeld. Weliswaar hebben we van de schrijvers van de Bijbelboeken geen literaire autobiografieën, maar de gedachte dat je moest lezen vanuit het bewustzijn van de auteur was wel sterk. Zo heeft Krister Stendahl in 1963 uitgelegd hoezeer in de loop van de geschiedenis een auteur als de apostel Paulus gelezen werd vanuit een autobiografisch leesmodel.[10] Stendahl sprak van een ‘introspective conscience’, een naar binnen gericht bewustzijn, dat hij via Luther en de Augustijnse traditie herleidde tot het zelfonderzoek van Augustinus in diens autobiografische Confessiones.

Een theologische aanzet tot het werken met bestaande autobiografieen, zie ik bij Johan Goud. Hij pleit voor het gebruik van autobiografische romans, waarin de discipline van het literaire schrijven, met distantie en raffinement, helpt om ‘de meest intieme belevenissen’ te onderzoeken: de literaire vorm ‘dwingt […] tot een onbevangen vertolking van uiteenlopende gezichtspunten en tot het opdelven van wat vergeten en verdrongen is.[11] Daarbij ziet Goud een rol voor autobiografisch schrijven om te ‘helpen om afstand te nemen, onbevangen te kijken, vele en uiteenlopende stemmen toe te laten.’ Goud vindt aldus in autobiografische romans voorbeelden van wat het kan opleveren om ook zelf autobiografisch te werken.

Goud benadrukt dus twee aspecten, namelijk de uiteenlopende gezichtspunten of stemmen in jezelf en de aandacht voor wat je verdrongen hebt of vergeten bent (wat ik het ‘verzwegene’ heb genoemd). Deze beide aspecten lijken mij inderdaad kenmerkend voor een autobiografische benadering.

2. Onderzoek naar autobiografische elementen in de tekst

Het tweede spoor richt zich op autobiografische elementen in de tekst. Al hebben we geen autobiografieën van Bijbelse auteurs, we kunnen wel zoeken in de tekst naar elementen die helpen een auteur in beeld te brengen. Zo zijn er in sommige Bijbelboeken tekstelementen te vinden die naar de auteur zelf lijken te verwijzen, zoals de ‘wij-passages’ in het boek Handelingen of verwijzingen in de brieven van Paulus.

Om op deze manier een tekst te lezen, op zoek naar autobiografische elementen, moet je wel op voorhand aanvaarden dat de auteur op een betrouwbare manier over zichzelf vertelt, of tenminste de bedoeling heeft dat te doen.[12] Theoretisch gezien is het echter een bijzonder riskante onderneming om uit de tekst informatie over de auteur te destilleren. Daarmee vervaagt het onderscheid tussen de verteller als narratologisch gegeven en een auteur die we alleen maar door de tekst kennen en die dus het resultaat is van interpretatie. Het is bovendien nog maar de vraag of de verteller een betrouwbare verteller is.

In alle gevallen loop je het risico dat de auteur die het resultaat is van interpretatie terugkeert naar de tekst als een vaststaand gegeven en dat je de tekst weer gaat interpreteren op basis van wat je eerst uit de tekst over de auteur hebt afgeleid. De ‘auteur’ zou zo wel eens een heel eigentijdse auteur kunnen blijken, ontdaan van het volstrekt vreemde dat je ook mag verwachten van een auteur van lang vervlogen tijden.[13]

In de jaren tachtig van de vorige eeuw is binnen Vrouwenstudies Theologie onderzoek gedaan naar elementen in Bijbelteksten die zouden kunnen wijzen op een vrouwelijke auteur, met name door Fokkelien van Dijk-Hemmes en Athalya Brenner.[14] De basis van dit onderzoek was een ‘dubbele hermeneutiek’. Enerzijds verzetten vrouwen zich tegen een exclusief mannelijke lezing van de Bijbel, waarin vrouwenstemmen, en daarmee de ervaringen van vrouwen, onhoorbaar waren geworden. Anderzijds zochten zij naar inspiratie en legitimatie vanuit de Bijbel voor een eigen ervaren als vrouwen.[15] Je kunt zeggen dat de basis voor dit onderzoek een autobiografische relatie tot de teksten is, althans voor zover je als lezer een relatie aangaat met de auteur van de tekst.

Het onderscheid tussen de verteller als narratologisch gegeven en een auteur die we alleen maar door de tekst kennen vervaagt

Geïnspireerd door de colleges van Van Dijk-Hemmes heb ik in mijn onderzoek geprobeerd delen van Lukas 1-2 te lezen vanuit de hypothese dat de auteur een vrouw was.[16] Daar zijn geen historische aanwijzingen voor (al is er wel een historische discussie over waarin met name Adolf Harnack een rol heeft gespeeld), maar de hypothese kan helpen het traditionele beeld van de mannelijke auteur te veranderen. Daarmee creëer je dan tegelijk voor jezelf een andere autobiografische relatie tot de tekst, want ik reageer misschien wel anders op een vrouwelijke auteur dan op een mannelijke auteur. Dat wil zeggen dat de idee van een vrouwelijke auteur mij op een andere manier laat lezen en mij daarmee stimuleert mijn mentale autobiografie te veranderen.

3. Onderzoek naar contextualiteit

In het derde spoor dat naar autobiografische Bijbelinterpretaties leidt, ligt de focus op de contextualiteit van tekst en lezer. Dit spoor is in de jaren zeventig ontstaan binnen de literaire kritiek.[17] Uitgangspunt is dat de lezer zelf verantwoordelijk is voor het toekennen van betekenis aan de tekst en dat de context waarin de tekst en de lezer zich bevinden daarbij doorslaggevend is. Beroemd is het voorbeeld van Stanley Fish, waarin een groep studenten een collegezaal betreedt en op het bord een aantal namen ziet. Hoewel de studenten het niet precies begrijpen, menen zij uit de vreemde woorden en de wijze waarop die op het bord staan af te kunnen leiden dat het een gedicht is met een bijzondere religieuze lading. Dat is immers het onderwerp van het college waarvoor zij gekomen zijn. Maar het zijn slechts namen van auteurs in de linguïstiek, het onderwerp van het vorige college. De namen waren op het bord blijven staan.[18] In dit voorbeeld zijn het de lezers die van de woorden een betekenisvolle tekst maken. Daarbij zijn zij als lezers niet alleen af hankelijk van de context waarin de woorden op dat moment staan, maar ook van hun eigen verwachtingen en ervaringen.

Dit spoor viel min of meer samen met de inzet van bevrijdingsbewegingen en de feministische literaire kritiek. De strijd voor bevrijding en gelijke rechten vindt immers plaats in gedeelde contexten, op basis van gedeelde persoonlijke ervaringen. De persoonlijke ervaring is daarmee ook steeds een groepservaring, zoals de beroemde leus uit die tijd zei: ‘the personal is political’.[19] In de feministische exegese van de jaren zeventig en tachtig heeft dit geleid tot een groot aantal studies waarin het autobiografische steeds krachtig aanwezig was, zowel als uitgangspunt (gedeelde ervaring), alsook als doel (bevrijding).

Ik noem uit het Engelstalige gebied slechts Texts of Terror van Phyllis Trible, waarin ieder hoofdstuk was gewijd aan een oudtestamentische vrouw (Hagar, Tamar, de Naamloze Vrouw en de Dochter van Jephta) en werd ingeleid met de afbeelding van een grafsteen met de naam van de ‘heldin’ en een grafschrift waarin haar treurig lot werd samengevat, zodanig dat het de ervaring van moderne vrouwen reflecteerde.[20] In het Nederlandse taalgebied kun je denken aan Mieke Bal, Fokkelien van Dijk-Hemmes en Grietje van Ginneken, En Sara in haar tent lachte. Iedere exegese in deze bundel begon met een persoonlijke ervaring en eindigde met een toepassing van het uit de Bijbelinterpretatie gewonnen perspectief op de moderne maatschappelijke situatie.[21] Zo was er een gedeelde persoonlijke ervaring die steeds politiek was en ingebracht werd om de context te veranderen.

Het zijn de lezers die van de woorden een betekenisvolle tekst maken

Contextueel Bijbellezen heeft sindsdien een eigen ontwikkeling doorgemaakt, waarbij steeds meer aandacht is ontstaan voor de ontmoeting met verschillende culturele contexten, terwijl gender een belangrijke focus is gebleven.[22] In autobiografische Bijbelinterpretaties van de afgelopen jaren zien we veel van het contextuele spoor. Daarbij is het belangrijk vast te stellen dat autobiografische Bijbelinterpretatie geen versmalling van de context is tot het (strikt) persoonlijke. Eerder is het zo dat in autobiografische Bijbelinterpretatie de veelheid van contexten waarin je je bevindt het uitgangspunt is. De vraag is hoe je je verhoudt tot de diverse contexten die onderling ook nog eens op gespannen voet kunnen staan. Zo kan een autobiografische benadering groepsvorming en politieke bewustwording bewerken, juist door het besef van gedeelde ervaring.

Maar tegelijk is die gedeelde ervaring, hoe belangrijk ook, toch tevens partieel, dat wil zeggen in een bepaald opzicht. Je bent ook nog een unieke persoon met een eigen lichaam, waarmee je in ieder geval grotendeels op een geheel eigen manier ervaringen opdoet. Daarmee deconstrueert een autobiografische benadering ook het contextuele, omdat iedere context in de eerste plaats persoonlijk ervaren wordt. Maar met deze opmerking ben ik al op het vierde spoor gekomen.

4. Onderzoek naar zelf-representatie

Het vierde spoor is dat van de ‘zelf-representatie’. Reeds in 1957 heeft Rudolf Bultmann, een eminent historisch-kritisch theoloog, aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen exegeet, tekst en context. Volgens Bultmann heeft een lezer al een voorafgaand begrip van de tekst, dat samenhangt met de context waarin zij zich bevindt. Verandering in context zal steeds weer tot nieuwe betekenissen leiden, waardoor het proces van interpretatie nooit afgesloten is.[23] Het is echter van belang op te merken dat je als interpreet niet in één context leeft, maar altijd in meerdere contexten tegelijk die onderling niet per se altijd goed samengaan. Denk maar aan de contexten van gezin, school, universiteit, kerk, land of streek, gender, kleur en sociale positie.

Je kunt je voorstellen dat je verhouding tot die verschillende contexten ook nog eens verschuift in de loop van de tijd. Zo kan ik wel met mildheid en zelfs iets van nostalgie terugdenken aan het kerkelijke klimaat van mijn jeugd, maar tegelijk ben ik mij er terdege van bewust dat ik de geloofstaal van toen nu niet meer van harte kan en wil spreken. Soms voel ik zelfs wel eens schaamte voor vroeger. Toen was ik niet ‘ik’, denk ik dan. Dat was ik toen natuurlijk wel, maar ik zie mijzelf nu anders. Dat heeft voor een groot deel te maken met ontwikkeling en volwassen worden en met leren omgaan met veranderende contexten waarin ik zelf ook steeds weer verander.

Tegelijk met mijn verandering echter, veranderen ook weer mijn contexten. Niet alleen omdat ik ze anders leer zien, maar ook omdat ik er deel van ben en door mijn verandering mijn contexten mee veranderen, hoe subtiel ook.[24] In Nederland heeft Ad Willems al in een vroeg stadium een vurig pleidooi gehouden voor ‘het goed recht van de persoonlijke ervaring, ook in zaken van geloof en theologie’.[25] Daarbij heeft hij in gedeeltelijk autobiografische vorm geschreven over de manier waarop de persoonlijke ervaring (die tot dat moment, in de jaren zestig, onder meer onder invloed van Karl Barth streng werd afgewezen) een plek kon krijgen in het opbouwen van een theologie. Met name stelde Willems de vraag of en hoe ervaring kon worden doorgeven naar nieuwe contexten. Kerk beschouwde hij als een context waar persoonlijke ervaringen worden uitgewisseld, in saamhorigheid worden beleefd en soms tot krachtige daden leiden.

Toen was ik niet ‘ik’, denk ik dan. Dat was ik toen natuurlijk wel, maar ik zie mijzelf nu anders

De manier nu waarop je voor jezelf stem geeft aan jouw bewustzijn van al die contexten, wie jij daarin bent, hoe je er mee omgaat en er weer verandering in aanbrengt, valt onder wat ik autobiografie als zelf-representatie noem.[26] Zelf-representatie is niet een genrematig en min of meer gepolijst verslag van je eigen leven. Het is eerder een mentaal proces dan een schriftelijk eindresultaat. Paul Ricoeur legt uit dat op het moment waarop je verslag doet van de manier waarop je leest, je zelf ook weer verandert, in een voortgaand proces[27]

Toch schrijft Ricoeur daarover nog best wel abstract in zijn intellectuele autobiografie. Op het moment waarop hij moet uitleggen wat het voor hem betekende toen hij als weeskind erachter kwam dat zijn vader, in de eerste wereldoorlog oorlog omgekomen en voor hem een held, eigenlijk gewoon voor niks was gestorven, laat hij het in zijn mentale reflectie afweten.[28] Kennelijk is autobiografie voor hem dan toch primair een intellectuele zaak waarin de lichamelijk ervaren emotie van pijn en verdriet met moeite een plaats vindt.

In de feministische literaire kritiek werd de vraag naar het lichaam in relatie tot zelf-representatie wel gesteld, onder andere door Adrienne Rich. Dat gebeurde mede onder invloed van het werk van Maurice Merleau-Ponty, die het lichaam als een bron van kennis zag.[29] Inderdaad kun je het lichaam zien als de centrale plaats waar contexten in elkaar grijpen, op grond waarvan mij betekenissen worden toegekend en op basis waarvan ik betekenissen ervaar. Zo word ik op grond van mijn mannelijk lichaam benaderd volgens de verwachte gedragspatronen die daarbij zouden horen, terwijl ik tevens geleerd heb mij tot mijn verschillende contexten te verhouden als man.

De ervaring, opgeslagen als lichamelijke kennis, dat er ‘iets niet klopt’ kan voor mij de reden zijn mijn contexten opnieuw te bezien. Bijbelse teksten kunnen daarbij werken als katalysator. Door vergelijking van tekst en contexten in het licht van mijn zelf-representatie, kunnen alle drie veranderen: de tekst die ik anders ga lezen, mijn contexten die voor mijn ogen veranderen en mijn zelf-representatie, die ik herschrijf tot een mentale autobiografie.[30]

Je kan het lichaam zien als de centrale plaats waar contexten in elkaar grijpen, op grond waarvan mij betekenissen worden toegekend en op basis waarvan ik betekenissen ervaar

Dit vierde spoor verscheen in de Bijbelexegese in 1995 met de publicatie van Jeffrey Staley’s Reading with a Passion. Hierin verbond Staley zijn eigen biografie, onder andere zijn jeugd in een Navajo ‘reservaat’, met het lijdensverhaal van Johannes 18-19. Samen met Janice Capel Anderson verzorgde Staley in datzelfde jaar Taking it Personally: Autobiographical Biblical Criticism, waarmee de term autobiografisch voor zover ik weet voor het eerst formeel gebruikt werd voor een exegetische werkwijze.[31]

Een definitie

Als je de autobiografische Bijbelinterpretaties van de afgelopen vijfentwintig jaar overziet, moet je wel vaststellen dat de diversiteit aanzienlijk is. Sommige zijn vooral verklarend: aan de hand van de eigen biografie legt de schrijver uit waarom zij een bepaalde Bijbeltekst leest zoals zij doet, wat zij persoonlijk met de tekst of met een Bijbels personage heeft, of hoe een Bijbeltekst tastbaar, ervaarbaar en werkbaar is in haar eigen leven.[32] Andere interpretaties gaan een stapje verder en laten een wisselwerking zien tussen, aan de ene kant, het begrijpen van een Bijbelse passage en, aan de andere kant, het verwerven van inzicht in wie je zelf bent en hoe je zelf bent.[33]
Tenslotte zijn er ook autobiografische interpretaties waarin de wisselwerking tussen de tekst en je ervaring van jezelf zo intens is dat ze allebei, tekst en ‘zelf’, beginnen te veranderen.[34] Wat al deze benaderingen gemeen hebben is dat je als lezer bewust en beredeneerd een verbinding legt tussen enerzijds hoe je jouw eigen leven ziet en anderzijds de manier waarop je de Bijbel leest.

Veel publicaties die als autobiografisch gepresenteerd zijn durf ik echter nauwelijks autobiografisch te noemen. Eerder bevatten ze affectieve leesreacties of ze zijn wel persoonlijk maar ondertussen geenszins beredeneerd. Daarmee ontstaat het gevaar van een zekere naïviteit, waardoor de tekst verwordt tot een kapstok voor leeservaringen en de leeservaringen niet de kans krijgen in een nieuw licht te komen staan. Dergelijke persoonlijke verslagen zijn eigenlijk getuigenissen, op zichzelf genomen interessant, maar in de Bijbelexegese kun je er weinig mee. Voor een autobiografische Bijbelinterpretatie lijkt het me essentieel dat er sprake is van een bewust proces waarbij de exegese voldoet aan wetenschappelijke criteria van intersubjectiviteit, controleerbaarheid en relevantie en waarbij de interpreet zich niet alleen kwetsbaar opstelt, maar ook zelf onderwerp is van interpretatie en groeiend inzicht.

Je legt als lezer bewust en beredeneerd een verbinding tussen enerzijds hoe je jouw eigen leven ziet en anderzijds de manier waarop je de Bijbel leest

Om het begrip ‘autobiografische interpretatie’ af te bakenen van allerlei zeer persoonlijke en breed-contextuele benaderingen, stel ik de volgende definitie voor:

Autobiografische interpretatie is een manier om de tekst te lezen, waarin je systematisch zoekt naar overeenkomsten en verschillen tussen enerzijds de manier waarop je de tekst leest en anderzijds de manier waarop je jouw eigen levenservaringen begrijpt, teneinde op controleerbare wijze rekenschap te geven van jouw interpretatie in termen van intersubjectiviteit en relevantie en tegelijkertijd jouw eigen zelf-verstaan uit te breiden.

Het punt is dat je niet alleen je eigen positie en ervaring inbrengt, maar dat je ook bereid bent die onder kritiek te laten stellen en te laten bevragen, juist in relatie tot de Bijbeltekst, zodanig dat jouw perceptie van de tekst verder verandert omdat je immers zelf verandert. Dat is niet de tekst laten buikspreken, noch is het een vorm van psychologiseren. Integendeel, het is de tekst juist veiligstellen. Je legt namelijk de verantwoordelijkheid voor wat je leest bewust bij jezelf in plaats van betekenissen ‘objectief’ aan de tekst op te leggen, terwijl er allerlei verzwegen vooronderstellingen, verlangens of interesses meespelen.

Je exegese blijft dus controleerbaar op basis van de gebruikelijke wetenschappelijke criteria, terwijl je als interpreet ook zelf bevraagd kan worden. De interpreet moet zelfs bevraagd worden en zich ook laten bevragen, terwille van een intersubjectieve lezing van de tekst. Het risico van eenzijdigheid ligt ondertussen wel op de loer, maar daar staat tegenover dat door het gesprek een correctie op eenzijdigheid mogelijk is. Het is, kortom, een continu hermeneutisch proces waarbij de lezing van de tekst en zelf-representatie in wisselwerking veranderen.

Mogelijke toepassingen

Wat zijn de mogelijke toepassingen van een autobiografische benadering? Ik denk dat je een autobiografische benadering in de Bijbelinterpretatie op drie manieren kunt toepassen. Daarbij zeg ik meteen dat die drie manieren vloeiend in elkaar over kunnen lopen. Het zijn eerder drie aspecten dan onderscheiden methoden.

Het eerste aspect is verklarend. Onder dit aspect gebruik je je autobiografie om je bewust te worden hoe je de tekst leest en waarom je de tekst leest zoals je doet. Onder het verklarende aspect zoek je vooral naar inzicht.

Het tweede aspect noem ik heuristisch. Nu gebruik je je autobiografie om betekenissen aan de tekst te ontlokken die je anders misschien over het hoofd zou hebben gezien. Tegelijk kan het lezen jou helpen je bewust te worden van elementen in je autobiografie die je verdrongen had, niet wilde zien of misschien niet kon zien. Onder het heuristische aspect kan veel boven tafel komen. Maar het moet ook getest worden. Klopt het exegetisch wel wat ik zeg? Ben ik wel eerlijk naar mijzelf en mijn contexten toe met wat ik nu over mijzelf te weten meen te komen?

Het derde aspect noem ik transformatief. Dit aspect volgt bijna vanzelf op het heuristische aspect. Wanneer ik nieuwe betekenissen in de tekst heb gevonden, zal mijn verhouding tot de tekst veranderen. Daarmee zal mijn autobiografie veranderen en bijgevolg zullen ook mijn contexten veranderen. Onder een heuristisch aspect zal dit ongetwijfeld als vanzelf gebeuren, maar onder een transformatief aspect ben er ik bewust op uit. In het volgende wil ik een paar voorbeelden geven van deze drie door mij voorgestelde aspecten.

Eerste aspect: verklarend

Onder een verklarend autobiografisch aspect versta ik de houding waarin je je eigen interpretaties onder kritiek durft stellen vanuit de vraag: ‘wat is er in mij dat ik het zo heb willen doen?’ Die vraag kun je stellen om verschillende redenen. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat je tot de conclusie komt dat jouw interpretatie jou op een of andere manier zo verdacht bekend voorkomt dat je moet vrezen dat je iets aan de tekst hebt opgelegd dat er eigenlijk niet zo in staat.

Zo maakte ik voor mijn onderzoek een interpretatie van het verhaal van Zacharias in de tempel (Lukas 1). De context was een genderonderzoek. Ik ging ervan uit dat hij een priester was en dat hij dus wel een man in optima forma moest zijn, een man zonder gebreken en op het moment van zijn dienst geheel rein. Op een gegeven moment drong het echter tot mij door dat dit alles mij vagelijk bekend voorkwam, maar dat het niet in de tekst stond en dat onze kennis van de priesters in de tempel van Jeruzalem in die tijd onvoldoende is om zulke conclusies te kunnen trekken.

Het is moeilijk aan te geven hoe je dergelijke inzichten kunt oproepen. Het is een traag proces in de zin dat het proces zichzelf geleidelijk versterkt

Toen ik erover na begon te denken waarom ik dit gedaan had, zag ik ineens dat ik een heel specifiek type priester in de tekst had ingevoegd. Het was een type priester waar ik in mijn jeugd mee geconfronteerd was doordat mijn moeder mij voorlas uit het boek Augustinus de zielzorger van Frits van der Meer.[35] Ik dacht dat ik, nadat ik predikant was geworden, daar wel voldoende afstand van had genomen, maar blijkbaar zitten conventies die in je jeugd gevormd zijn diep en kunnen ze zelfs een wetenschappelijke interpretatie van een Bijbeltekst danig in de weg zitten.

Het is moeilijk aan te geven hoe je dergelijke inzichten kunt oproepen. Het is een traag proces in de zin dat het proces zichzelf geleidelijk versterkt. Naarmate je je bewust wordt van stukjes biografie (en ze dus autobiografie beginnen te worden), zal het samenhangende bouwwerk van je bestaande interpretaties meer scheuren gaan vertonen en steeds verder gedeconstrueerd raken. Dat zal ook in jou als interpreet weer dingen losmaken. Daarmee zijn we dan meteen bij het heuristische aspect gekomen.

Tweede aspect: heuristisch

Met een heuristisch aspect bedoel ik dat er een wisselwerking op gang is gekomen tussen tekst en ‘zelf’ waarin je zowel in de tekst als in jezelf nieuwe betekenissen vindt. Een voorbeeld is de betekenis van de woorden ‘kind, waarom heb je ons dit aangedaan?’ (Lukas 2:48). Deze woorden, gesproken door mijn moeder tegen mij als opgroeiende en ongetwijfeld niet heel makkelijke puber, waren voor mij geassocieerd met gevoelens van machteloosheid en onbegrepen zijn.

Op zichzelf genomen is dat een ideale basis voor een vlotte exegese van het verhaal van de twaalfjarige Jezus in de tempel, waarbij je als interpreet de kaart trekt van het onbegrip van de lief hebbende moeder. Dat is althans wat je in tal van moderne commentaren kunt vinden. Commentaren uit de Byzantijnse periode en de Middeleeuwen hebben echter het besef dat er pijn in de tekst zit. Dit verschil in hermeneutische receptie was voor mij de aanleiding de tekst te onderzoeken op pijn.

Het resultaat van mijn onderzoek was dat er in het Grieks termen gebruikt worden die wijzen op intens verdriet en het besef dat je voorgoed afscheid moet nemen. Pas toen kwam het in mij op dat mijn moeder misschien wel bang was dat ze mij zou verliezen. Ze had al eerder een kindje verloren en de angst te verliezen was diepgeworteld. Mijn perspectief, een kinderlijk gevoel van onbegrepen zijn, veranderde: ik kon het verdriet en de angst van de ander zien. Maar het verhaal veranderde ook. Het verhaal van de twaalfjarige Jezus in de tempel begon mijn verhaal te worden, over een kind dat opgroeit, leest, studeert en vragen stelt.[36]

Derde aspect: transformatief

Met mijn heuristische voorbeeld heb ik meteen al een voorbeeld gegeven van het transformatieve aspect. Het vinden van nieuwe betekenissen leidt als vanzelf tot het veranderen van jezelf in relatie tot (con)tekst. Een stukje van mijn autobiografie veranderde, oude pijn veranderde in mildheid, mijzelf nam ik niet langer kwalijk dat ik was wie ik dacht te zijn. Voor mijzelf heb ik dat benoemd als het afleggen van een in wezen kinderlijk perspectief en een zoektocht naar een zelfstandig en volwassen oordeel. Daarbij heb ik mij laten inspireren door het pleidooi van Susan Neiman voor een op Kant gebaseerd rationeel volwassen oordeelsvermogen.[37]

Een vergelijkbaar pleidooi vind ik bij Goud.[38] Volgens Goud is voor de omgang met bevestigende of traumatiserende gebeurtenissen een lange weg van zelfreflectie nodig. Wanneer theologie de plaats wordt om levenservaringen te duiden (een uitdaging die ook al verwoord werd door Ad Willems), lijkt een (auto)biografische theologie voor de hand te liggen. Goud ziet daarbij een overeenkomst tussen de eigen ziel en God: het is welhaast onmogelijk ze te kennen en toch kom je juist door de details in de buurt. Daarmee is ook voor Goud de kindertijd voorbij en is transformatie de uitdaging waar je voor staat en die je niet mag ontlopen.

Het vinden van nieuwe betekenissen leidt als vanzelf tot het veranderen van jezelf in relatie tot (con)tekst

Ook bij Kim Schoof, die onderzoek doet naar hedendaagse autobiografische literatuur, vind ik een verwoording van de transformatieve waarde van autobiografie. Autobiografie komt volgens Schoof vooral tot bloei in tijden van culturele breukmomenten.[39] Het transformatieve aspect heeft dan betrekking op de manier waarop je omgaat met verhalen, waarden en vooronderstellingen die beginnen te schuiven. Zo zien we in de autobiografische roman van Maarten van der Graaff, Wormen en engelen, hoe de hoofdpersoon, Bram, een nieuwe verhouding zoekt tot het oude Christelijke verhaal. Bram citeert dan Augustinus’ Confessiones om uit te leggen waarom hij autobiografie schrijft: niet voor God, maar voor zijn medemens, ‘om mijzelf en iedere lezer te laten bedenken uit welke diepte er tot u geroepen moet worden’.[40]

Ik denk dat dit misschien nog wel het meest kenmerkend is voor een transformatieve autobiografische kritiek, dat je een volwassen keuze maakt door het gesprek aan te gaan. De gedachten en herinneringen komen en gaan zoals ze willen, ze kunnen je drijven, verontrusten en eenzaam maken, misschien zelfs verongelijkt, maar het is een keuze om daar iets mee te doen. Daarin is autobiografische Bijbelinterpretatie weliswaar persoonlijk, maar ook intersubjectief en tevens een vorm van reflectie die consequenties heeft voor je handelen binnen de contexten waarin je verkeert.

Perspectief

In het voorafgaande heb ik willen laten zien dat een autobiografische Bijbelinterpretatie een heel belangrijke bijdrage kan leveren aan een exegese die zich rekenschap wil geven van vragen rond contextualiteit. Wat voegt autobiografische Bijbelinterpretatie toe? In ieder geval is het van belang om onuitgesproken vooronderstellingen, driften en verlangens, het verzwegene, te benoemen als een drijfveer achter je interpretaties. Daarmee bewijs je een kritische exegese een dienst. Ook als je ze verzwijgt spelen ze immers een rol. Je kunt het dan maar beter hardop zeggen, dat vergroot de discussieruimte.

Daarnaast is ook van belang dat je verandering in jezelf toelaat, mede door het gesprek aan te gaan. Ik noem dat de vorming van een volwassen oordeel, omdat je daarmee je eigen plaats in de verschillende contexten waarin je verkeert bewust kunt innemen en leert omgaan met de spanningen tussen die contexten. En niet alleen dat, het morele aspect dat altijd aan je handelen zit betekent dat je je contexten ook een dienst bewijst: zij veranderen mee, dat is jouw bijdrage.

Het is van belang om onuitgesproken vooronderstellingen, driften en verlangens, het verzwegene, te benoemen als een drijfveer achter je interpretaties

Je kunt zeggen dat in autobiografische Bijbelinterpretatie alles samenkomt: mijn ‘zelf’ met handen en voeten aan dit lichaam gebonden, mijn plaats in verschillende gemeenschappen, de tekst die steeds mijn achtergrond is en de ontmoeting als een voortdurend transformatief proces. Dat is het materiaal waarvan theologie gemaakt wordt, zeker als ik Ontmoeting schrijf met een hoofdletter.

Ari (dr. A.C.) Troost is docent klassieke talen en culturen en doet onderzoek op het kruispunt van Nieuwe Testament, gender studies, hermeneutiek en autobiografie.

Noten

[1] Ik continueer niet graag de gewoonte uitsluitend mannelijk voornaamwoorden te gebruiken. Anderzijds veronderstelt een verwijzing met ‘hij of zij’ een genderbinariteit waar veel lezers zich ook niet in zullen herkennen. In ieder geval herken ik mijzelf daar niet in. Ik kies er daarom voor ‘hij’ en ‘zij’ af te wisselen. Als dat tot enige verwarring leidt bij de lezer is dat alleen maar goed, omdat verwarring en onzekerheid over gender ook in autobiografische Bijbelinterpretatie een belangrijke rol speelt.

[2] Ik gebruik het begrip ‘autobiografische Bijbelinterpretatie’ als een weergave van het Engelstalige ‘Autobiographical Biblical Criticism.’ Met mijn vertaling wil ik benadrukken dat het hier gaat om een academische benadering, iets wat met een vertaling als ‘autobiografisch Bijbellezen’ misschien minder duidelijk is. Niettemin neem ik publicaties onder de noemer ‘autobiografisch Bijbellezen’ in deze bijdrage wel mee, omdat zij de brug slaan tussen academisch onderzoek enerzijds en meer ‘alledaagse’ omgang met de Bijbel anderzijds.

[3] In: Janice Capel Anderson en Jeffrey L. Staley (red.), Taking it Personally: Autobiographical Biblical Criticism (Semeia 72), Atlanta: Scholars 1995.

[4] Athalya Brenner en Carole Fontaine (red.), A Feminist Companion to Reading the Bible: Approaches, Methods and Strategies, Sheffield: Sheffield Academic Press 1997, waarin een sectie met autobiografische artikelen; Ingrid Rosa Kitzberger (red.), The Personal Voice in Biblical Interpretation, London: Routledge 1999; idem, Autobiographical Biblical Criticism: Learning to Read between Text and Self, Leiden: Deo 2002, met een theoretische beschouwing; Fiona C. Black (red.), The Recycled Bible: Autobiography, Culture, and the Space Between (Semeia Studies 51), Atlanta: Society of Biblical Studies 2006, in zekere zin een vervolg op Anderson en Staley, Taking it Personally.

[5] Een omvattend overzicht van de ‘autobiografische hausse’ of ‘memoir boom’ geven Sidonie Smith en Julia Watson, Reading Autobiography: A Guide for Interpreting Life Narratives, Minneapolis: University of Minnesota Press2 2010. Een bespreking van de recente Nederlandse situatie geeft Kim Schoof, ‘Alle geloven uitgeprobeerd,’ De Groene Amsterdammer 143 (44) 31 oktober 2019, 60-63.

[6] Eve-Marie Becker, ‘“Autobiographie” als Herausforderung an die neutestamentliche Wissenschaft’, in: idem (red.), Neutestamentliche Wissenschaft. Autobiographische Essays aus der Evangelischen Theologie, Tübingen: Francke 2003, 1-6; idem, ‘Die Person des Exegeten. Überlegungen zu einem vernachlässigten Thema’, in Oda Wischmeyer (red.), Herkunft und Zukunft der neutestamentlichen Wissenschaft. (Neutestamentliche Entwürfe zur Theologie 6), Tübingen: Francke 2003, 207-243; Oda Wischmeyer, Hermeneutik des Neuen Testaments. Ein Lehrbuch (Neutestamentliche Entwürfe zur Theologie 8); Tübingen: Francke 2004, 113-125; Peter-Ben Smit, ‘Biblische Hermeneutik im Spannungsfeld persönlicher und kirchlicher Identität’, Internationale Kirchliche Zeitschrift 96 (2006) 135-151, met een reactie van Ari Troost, ‘Is There an Old Catholic Exegesis? A Case for Autobiographical Biblical Criticism’, Internationale Kirchliche Zeitschrift 109 (2019) 132–147.

[7] Recente publicaties die zich expliciet bezighouden met autobiografie en Bijbellezen zijn: Johan Goud, Onbevangen. De wijsheid van de liefde, Zoetermeer: Meinema 2015; Ari Troost, Exegetical Bodybuilding: Gender and Interpretation in Luke 1–2 [Proefschrift Universiteit Utrecht], 2019, 199-240; Bert Dicou (red.), Mijn held en ik: Autobiografisch bijbellezen, Middelburg: Skandalon 2020. Verder was er nog het symposium van het Arminius Instituut en Doopsgezind Seminarium onder de titel ‘Bijbel–Context–Autobiografie’, in november 2020.

[8] Wilhelm Dilthey, ‘Das Erleben und die Selbstbiographie (1910)’, in: Der Aufbau der geschichtlichen Welt in den Geisteswissenschaften, Frankfurt am Main: Suhrkamp 1981, 235-251; Günter Niggl (red.), Die Autobiographie. Zu Form und Geschichte einer literarischen Gattung, Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft2 1998, 21-32; Jerome H. Buckley, The Turning Key: Autobiography and the Subjective Impulse Since 1800, Cambridge: Harvard University Press 1984; Becker, ‘“Autobiographie”’, 1-6; Becker, ‘Die Person des Exegeten’, 207–243.

[9] Georg Misch, A History of Autobiography in Antiquity (Oorspr. Duits), 1907; Cambridge: Harvard University Press3 1951.

[10] Krister Stendahl, ‘The Apostle Paul and the Introspective Conscience of the West,’ Harvard Theological Review 56 (1963) 199-215.

[11] Goud, Onbevangen, 24.

[12] Philippe Lejeune, een van de grondleggers van de moderne autobiografiestudie, noemt dit een ‘autobiografisch pact’ tussen schrijver en lezer. Philippe Lejeune, Le pacte autobiographique, Paris: Seuil 1975; idem, Signes de vie: Le pacte autobiographique 2, Paris: Seuil 2005.

[13] Als voorbeeld noem ik de bijdrage van Lense Lijzen, ‘Mensenkind, sta op uw voeten: In het spoor van Ezechiël’, in: Dicou, Mijn held en ik, 89-100. De profeet Ezechiël wordt hierin een herkenbaar iemand op grond van wat de tekst zelf aanreikt, maar juist in het herkenbare zit het probleem: hij wordt er wel heel eigentijds door.

[14] Fokkelien van Dijk-Hemmes, Sporen van vrouwenteksten in de Hebreeuwse bijbel. Faculteit der Godgeleerdheid, Universiteit Utrecht 1992; Athalya Brenner en Fokkelien van Dijk-Hemmes, On Gendering Texts: Female and Male Voices in the Hebrew Bible (Biblical Interpretation Series 1), Leiden: Brill 1993.

[15] De begrippen ‘vrouwelijk’ en ‘mannelijk’ zijn sinds het verschijnen van de studie van Brenner en Van Dijk-Hemmes in 1993 verder onderzocht en geproblematiseerd. Een korte introductie van de problematiek, met literatuurverwijzingen, heb ik gegeven in Ari Troost, ‘Mannelijkheid in het Nieuwe Testament’, Handelingen: Tijdschrift voor Praktische Theologie en Religiewetenschap 47/4 (2020) 7-15.

[16] Ari Troost, ‘Reading for the Author’s Signature: Genesis 21.1-21 and Luke 15.11-32 as Intertexts’, in: Athalya Brenner (red.), A Feminist Companion to Genesis, The Feminist Companion to the Bible 2; Sheffield: Academic Press 1993, 251-272; Troost, Exegetical Bodybuilding, 35-101.

[17] Met literaire kritiek bedoel ik wat in de Engelstalige literatuur wordt aangeduid als ‘literary criticism,’ het onderzoek naar literaire teksten zoals dat in de literatuurwetenschap wordt beoefend. In het geval van Bijbelwetenschappen is de vooronderstelling van literaire kritiek dat de teksten in de eerste plaats aan de hand van literaire codes gelezen worden en niet aan de hand van theologische codes.

[18] Stanley Fish, Is There a Text in This Class? The Authority of Interpretive Communities, Cambridge: Harvard University Press 1980, 322-337.

[19] Carole Mccann en Seung-Kyung Kim, Feminist Theory Reader: Local and Global Perspectives, London: Routledge 2013, 191. De leus is bekend geworden als de titel van een essay van Carol Hanisch, ‘The Personal is Political,’ Notes from the Second Year: Women’s Liberation, 1970, herdrukt in Radical Feminism: A Documentary Reader, Barbara A. Crow (red.), New York: University Press 2000, 113-117. Volgens Hanisch was deze titel echter een toevoeging van de uitgevers, Carol Hanisch, The Personal Is Political: The Women’s Liberation Movement classic with a new explanatory introduction, 2006. Online als http://www.carolhanisch.org/CHwritings/PIP.html.

[20] Phyllis Trible, Texts of Terror: Literary-Feminist Readings of Biblical Narratives, Philadelphia: Fortress 1984.

[21] Mieke Bal, Fokkelien van Dijk-Hemmes en Grietje van Ginneken, En Sara in haar tent lachte: Patriarchaat en verzet in Bijbelverhalen, Utrecht: HES 1984.

[22] In Nederland wordt onderzoek hiernaar samengebracht door het Centrum voor Contextuele Bijbelinterpretatie (CCBI), in samenwerking van de Vrije Universiteit Amsterdam en de Protestantse Theologische Universiteit, met de Dom Hélder Câmara leerstoel aan de VU. Een toegankelijk overzicht is te vinden in Klaas Spronk en Peter-Ben Smit, Contextueel bijbellezen, Schrift 285 (2017) 51-58. Meest recent is Peter-Ben Smit, ‘Gender and Fullness of Life for All: Contextuality as a Catalyst for Rereading Sources’, in: Ellen van Stichel, Thomas Eggensperger, Manuela Kalsky, Ulrich Engel (red.), Fullness of Life and Justice for All. Dominican Perspectives, Adelaide: ATF 2020, 175-192. Ik ben geneigd ook onderzoek naar de samenhang tussen geloof en biografie tot dit spoor te rekenen, zoals in M. de Baar, Y. Kuiper en H. Renders (red.), Biografie en religie: De religieuze factor in de biografie, Amsterdam: Boom 2012.

[23] Rudolf Bultmann, ‘Ist voraussetzungslose Exegese möglich?’, Theologische Zeitschrift 13 (1957) 409-417; herdrukt in: idem, Neues Testament und christliche Existenz: Theologische Aufsätze (Hrsg. Andreas Lindemann) Tübingen: Mohr Siebeck 2002, 258-266; Engelse vertaling ‘Is Exegesis without Presuppositions Possible?’, in: idem, Existence and Faith (ed. Schubert Miles Ogden), London: Collins 1964, 342-352. Een doordenking van de mogelijkheden van Bultmanns positie voor een autobiografische kritiek geeft Smit, ‘Biblische Hermeneutik’, 135-151.

[24] Smit heeft in het bijzonder aandacht gevraagd voor de rol die geloofsidentiteiten spelen in Bijbelse hermeneutiek: Smit, ‘Biblische Hermeneutik’. Voor de vraag naar de samenhang tussen autobiografie en kerkelijke identiteit, en de wijze waarop je als interpreet ook weer je context verandert, zie de reactie op Smit in Troost, ‘Is There an Old Catholic Exegesis?’, 132–147.

[25] Ad Willems, Terug naar de ervaring: Geloof tussen vrijheid en bevrijding (Oekumene 11/4), Baarn: Ten Have 1980, 10.

[26] Ik ben mij bewust dat ik mij hier beperk tot het verbale. Het is heel goed mogelijk, bijvoorbeeld, hier ook lichamelijke ervaring bij te betrekken, zoals in bibliodrama gebeurt. Zie hiervoor Bas van den Berg en Theo van Leeuwen, ‘Spelend verstaan: Bibliodrama als weg naar levensoriëntatie’, Handelingen 42/3 (2015) 3-8; T. Tromp, ‘Een nieuwe versie van jezelf uitproberen op een bijbels podium’, Handelingen 42/3 (2015) 43-51.

[27] Paul Ricoeur, ‘The Hermeneutical Function of Distanciation’, in: From Text to Action, London: Northwestern University Press 1991, 75-88.

[28] Paul Ricoeur, ‘Intellectual Autobiography’, in: Lewis E. Hahn (red.), The Philosophy of Paul Ricoeur, Chicago: Open Court 1995, 3-73.

[29] Adrienne Rich, ‘Taking Women Students Seriously’, The Radical Teacher 11 (March 1979) 40–43. Maurice Merleau-Ponty, Phenomenology of Perception, London: Routledge & Kegan Paul 2002 (oorspr. Frans 1945). In de Dom Hélder Câmaralezing 2020 hield Marilú Rojas Salazar onlangs opnieuw een pleidooi voor de betekenis van het lichaam in de Bijbelexegese, waarbij zij het verhaal van Marcus 5: 22-24.35-42, over de dochter van Jaïrus, verbond met de ervaringen van vrouwen in Mexico. Zo las zij het verhaal als een oproep aan vrouwen op te staan tegen patriarchale overheersing. Een breder perspectief ontvouwt zij in Marilú Rojas Salazar, ‘Decolonizing Theology: Panentheist Spiritualities and Proposals from the Ecofeminist Epistemologies of the South’, Journal of Feminist Studies in Religion 34/2 (2018) 92-98; en in ‘Queer Liturgy’, Concilium 5 (2019) 100-108. Over de betekenis van beperkingen van het lichaam voor de interpretatie van Bijbelverhalen is verschenen: Marieke van der Giessen-van Velzen e.a. (red.), Bijbel en ‘beperking’: Contextuele en missiologische perspectieven (NZR-Cahiers 4), Nederlandse Zendingsraad 2019.

[30] Mijn kennismaking met deze manier van werken was Nancy K. Miller, Getting Personal: Feminist Occasions and Other Autobiographical Acts, New York: Routledge 1991.

[31] Jeffrey Lloyd Staley, Reading with a Passion: Rhetoric, Autobiography, and the American West in the Gospel of John, New York: Continuum 1995. Anderson en Staley, Taking it Personally.

[32] Een voorbeeld is Sandra van Zeeland-van Cassel, ‘Ongelovige Tomas: Toegang tot een andere wereld’, in: Dicou, Mijn held en ik, 141-147.

[33] Bijvoorbeeld Corrie Vis, ‘Meisje, wat ben je mooi! Over schoonheid en heelheid in het Hooglied’, in: Dicou, Mijn held en ik, 75-97, over de wisselwerking tussen het lezen van Hooglied en de ervaring van eigen seksualiteit en lichamelijkheid.

[34] Joep de Valk, ‘Jakob: wie niet sterk is, moet slim zijn. En vervolgens meer mens worden’, in: Dicou, Mijn held en ik, 27-41, waarin het verhaal van Jakob in Genesis gebruikt wordt als een spiegel voor de eigen levenshouding van de interpreet als ingenieur en econoom. Het doorgronden van de Bijbelse tekst gaat gelijk op met het doorgronden van hoe hij zichzelf heeft ontwikkeld.

[35] Frits van der Meer, Augustinus de zielzorger: Een studie over de praktijk van een kerkvader. Utrecht: Het Spectrum 1949. Ik heb het geval uitgebreid beschreven in Troost, Exegetical Bodybuilding, 214-218.

[36] Troost, Exegetical Bodybuilding, 219-228.

[37] Susan Neiman, Why Grow Up? Subversive Thoughts For An Infantile Age, New York: Farrar, Strauss and Giroux 2014.

[38] Goud, Onbevangen, 18-34. 39 Schoof, ‘Alle geloven uitgeprobeerd’, 61.

[40] Schoof, ‘Alle geloven uitgeprobeerd’, 63; Maarten van der Graaff, Wormen en engelen, Amsterdam: Atlas Contact 2017. Het citaat is uit Augustinus, Confessiones 2.3.5.

Meer Bijbel en exegese