< Terug

De eeuw van Verkuyl, van Randwijck en Blauw

Drie ‘zendingsstrategen’ uit zeventig jaar De Heerbaan, Wereld en Zending en TussenRuimte voor het voetlicht: Johannes Verkuyl, Steven van Randwijck, Johannes Blauw. Karakteristieke eeuwgenoten, met een eigen geluid en een eigen stempel.

Johannes Verkuyl (1908-2001) Gedreven en gedrongen door de komst van Gods Koninkrijk

Begin 1963 werd Johannes Verkuyl (1908-2001) benoemd tot algemeen secretaris van de Nederlandse Zendingsraad (NZR) en tevens tot redactiesecretaris van het missionaire tijdschrift De Heerbaan. Met deze benoeming haalde de NZR een ervaren zendingsman binnen. Verkuyl werkte namelijk van 1940 tot en met 1962 als zendingspredikant en als docent theologie op Java. Tevens was hij de drijvende kracht achter de Christelijke Lectuurdienst van de Indonesische Raad van Kerken.

Verkuyl was een gedreven man bij wie de communicatie van het evangelie én politiek engagement hand in hand gingen. Hij stak daarbij zijn mening niet onder stoelen of banken.

Zo pleitte hij na afloop van de Tweede Wereldoorlog voor de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië en de acceptatie van de jonge Republiek Indonesië. Daarmee ging hij in tegen de heersende opinie binnen zijn kerkelijke achterban, de Gereformeerde Kerken in Nederland. Ook binnen de Anti-Revolutionaire Partij oogstte hij hiermee veel kritiek.

Toen hij in 1956 pleitte voor de overdracht van Nederlands Nieuw-Guinea aan de Republiek Indonesië riep dit opnieuw felle reacties op. De benoeming van Verkuyl zal dan ook niet door iedereen binnen de NZR met applaus zijn ontvangen.

Tegendraads

Ook in de jaren dat hij als algemeen secretaris werkte, mengde hij zich in het politieke debat.

Zo nam hij deel aan de stille tocht die in mei 1967 door het centrum van Amsterdam trok, uit protest tegen de Vietnam-oorlog. Tijdens de slotmanifestatie sprak hij de deelnemers toe en riep hij de Verenigde Staten op om de bombardementen te stoppen, een eenzijdig ‘staakt ’t vuren’ af te kondigen en het Nationale Bevrijdingsfront – ‘de Vietcong’ – als onderhandelingspartner te accepteren.

In dezelfde periode sprak hij zijn steun uit voor het werk van dominee Beyers Naudé en diens verzet tegen de apartheids-ideologie van de Zuid-Afrikaanse regering.

Appellerend

Wat motiveerde Verkuyl tot het innemen van deze – volgens velen – tegendraadse standpunten? Zijn motivatie lag in het bijbelse concept van het Koninkrijk van God dat in Christus’ leven, sterven en verrijzenis vaste voet aan de grond gekregen heeft. De komst van dit Koninkrijk betekende voor Verkuyl dat alle onrecht uiteindelijk te gronde zal gaan en de gerechtigheid zal zegevieren. Dit doet een appèl op ieder mens. Hij schrijft:

‘In dat Rijk wordt aan zondaren, zoals wij zijn, gerechtigheid geschonken en degenen die leven van deze geschonken gerechtigheid worden opgeroepen om nu ook in de samenleving gerechtigheid te bevorderen. Gods vrijgesprokenen zijn Gods vrijwilligers in de strijd tegen onrecht.’1

Toen Verkuyl in september 1968 benoemd werd tot ordinarius hoogleraar missiologie én evangelistiek aan de Vrije Universiteit legde hij zijn functie bij de NZR neer. Bij zijn afscheid werd opgemerkt dat zijn werk een motiverend en appellerend karakter had en dat hij daarmee een waardig opvolger van zijn leermeester Hendrik Kraemer was, van wie iemand eens zei: ‘U wilt altijd dat er iets gebeurt!’ De keerzijde was dat Verkuyls wijze van werken ook regelmatig als ‘lastig’ werd ervaren. Hij herinnerde zijn medewerkers namelijk steeds opnieuw aan de woorden van de Amerikaan John Mott, voorzitter van de Wereldzendingsconferentie te Edinburgh, die op elke bespreking liet volgen: ‘What are the next steps?’2

Noten

1 J. Verkuyl, Gedenken en verwachten. Mémoires, Kampen: Kok, 1983, 328

2 Jaarverslag 1968 Nederlandse Zendingsraad, 39-40

– Ruud Stiemer is predikant in de protestantse gemeente van ’s-Hertogenbosch. Hij promoveerde in 2012 op een proefschrift getiteld: Johannes Verkuyl (1908-2001): een leven lang zending en dialoog. De ontwikkeling van zijn visie op andere godsdiensten en levensbeschouwingen.

Steven van Randwijck (1901-1997) Gelovend in de transformerende kracht van het Woord van God

Nadat Steven van Randwijck zijn werk als Algemeen Secretaris van Raad voor de Zending der Nederlands Hervormde Kerk neerlegde, legde hij de geschiedenis van de Nederlandse zending in voormalig Nederlands-Indië vast in twee lijvige boeken.1 Enkele decennia van de door hem beschreven periode was hij niet alleen tijdgenoot, maar droeg hij bij aan de ontwikkelingen die leidden van ‘genootschapszending’ naar ‘kerkelijke zending’ (met Oegstgeest als uitvalsbasis).

Mr. S.C. graaf van Randwijck, in: Provinciale Zeeuwsche Courant, 29 november 1966

Bij zijn afscheid in 1966 blikte hij in De Heerbaan terug met ‘Enkele oecumenischmissionaire herinneringen en mijmeringen’. Hij was daarnaast ook vicevoorzitter van de Nederlandse Zendingsraad.

Vorming en vriendschappen

Een loopbaan in de kerk lag voor Steven, wiens vader (burgemeester van Amersfoort) de ‘rode graaf ’ werd genoemd, niet voor de hand. Na de studie aan het gymnasium zonden zijn ouders hem naar Selly Oak bij Birmingham. Aan het Quaker Woodbrooke College volgde hij een aantal cursussen.

Hoewel met ‘bijzonder weinig sympathie voor het officiële kerkelijke en politieke christendom’, was hij echter wel geraakt door de sfeer in de jongenskampen van de Nederlandse Christen Studenten Vereniging (NCSV). Deze studentenbeweging is een belangrijke oecumenische stimulans voor velen geweest, in een tijd dat de kerkgenootschappen langs elkaar heen leefden. Die open houding trof hem ook in Selly Oak.

Naast zijn studie rechten in Utrecht werd hij actief in de NCSV. En zo mocht hij in 1923 in Oostenrijk een wereldconferentie bijwonen van de Young Men’s Christian Association, opgericht door de evangelist Dwight L. Moody om te evangeliseren onder ontwortelde jongeren in de grote steden van Amerika. Van Randwijck verliet de conferentie voortijdig, want hij voelde zich ver verheven boven het ‘primitief piëtisme’ en ‘oppervlakkig social gospel’.

Via de NCSV en een reis naar India en Indonesië (1928) ontmoette Van Randwijk de zendingsman John Mott, founding father van de eerste internationale Wereldzendingsconferentie (1910) in Edinburgh: ‘World evangelization is this generation’. Hij was geen diep denker, schrijft Van Randwijck, maar hij wist mensen te verenigen rond het visioen van christelijke eenheid en de opdracht tot zending. Met name in zijn tijd nog niet ‘geëmancipeerde strategische groepen als vrouwen, leken, jongeren’. Hij noemt John Mott ‘een groot kind van God en geboren leidersfiguur voor het samenbrengen van christenen’.

Nederlands-Indische contacten

Van 1929 tot 1946 is Van Randwijck ‘zendingsconsul’ in Nederlands-Indië. Wonend in Batavia verzorgt hij de contacten tussen de zending – ook van vele buitenlandse zendingsgenootschappen – en het koloniale gouvernement.

In die kwaliteit signaleert hij ook dat de Indische kerk tot 1935 niet geleid werd naar het dragen van eigen geestelijke en materiële verantwoordelijkheid. Dat was ingebouwd in de structuur van de zendende genootschappen, ‘die niet overvloeiden van kerkbesef ’.2 Hij woont de derde Wereldzendingsconferentie in Tambaram (bij Madras) in 1938 bij. Vanuit Nederlands-Indië meende men daar niet veel te zoeken te hebben. Er was de neiging alleen met plaatselijke vragen bezig te zijn. Tot vreugde van Van Randwijck gaan er toch twaalf jonge Indonesiërs heen en vijf zendingsarbeiders. Hij herinnert zich hoe hij daar geraakt werd door het getuigenis van Toyohito Kagawa (1888-1960), over de betekenis van het kruis.

Op weg naar de Wereldraad

Tegelijkertijd is hij nauw betrokken bij de International Missionary Council (IMC), waar hij van 1938 tot 1966 lid is van het Joint Committee. Hij combineert dat van 1956 tot 1961 met het voorzitterschap van het Committee on Missionary Studies. IMC en de Wereldraad van Kerken (WCC), die in 1948 wordt opgericht, werken na een lange voorbereidingstijd vanaf dat moment nauw samen (ín association with’).

Namens het IMC is hij dan ook een van de zeven leden van de commissie van de Wereldraad om de Assembly van New-Delhi voor te bereiden en de voorgenomen samensmelting van IMC en WCC op die Assembly.

Daarbij kwam dan nog van 1948 tot 1965 zijn lidmaatschap van de Londense afdeling van de financiële Commissie van het IMC. Hij merkt op dat het IMC voor zeventig procent vanuit de Verenigde Staten gefinancierd werd en dat Nederland anderhalf procent van de begroting bijdroeg. Ook schrijft hij dat de steun vanuit de USA een terugslag kreeg toen de Amerikaanse kerken zich gingen inzetten vóór rassenintegratie.

De samenwerking sinds 1948 van ICM en WCC, resulterend in de samensmelting in 1961, gaf ook spanning met geloofszendingen die met de IMC contact hadden. Ondanks deze cumulatie van functies was Van Randwijk van 1946 tot 1959 ook vertegenwoordiger bij de United Bible Societies.

De rode draad in al deze werkzaamheden is Van Randwijcks geloof in de transformerende kracht van het Woord van God.

Op de Zendingsconferentie in 1946 in het Canadese Whitby signaleert hij optimisme onder de deelnemers over de spoedig verwachte beëindiging van het kolonialisme.

Van 1959 tot 1966 participeert hij onder andere binnen de International Christian Aid (ICA) in discussies over de relatie zending en hulpverlening. Men verbaasde zich erover dat Hervormden en Gereformeerden gescheiden optrokken, maar dezelfde projecten over de grens steunden.

Remmende factoren

De aandacht voor ontwikkelingshulp na de oorlog had, behalve met de dekolonisatie en sociale bewustwording, ook te maken met het feit dat ‘zending’ meer en meer als problematisch ervaren werd. Van Randwijck honoreert de kritiek op het klassieke, piëtistische zendingsbegrip uit de beginperiode. De individualistische invalshoek van ‘Einzelbekehrung’ kan niet meer. Echter, zo citeert hij Lesslie Newbigin: ‘wezenlijk blijft de roep tot het overschrijden van de grens tussen geloof en ongeloof ’.

In 1966 schrijft hij in De Heerbaan over ‘de zending in het tijdperk van ontwikkelingshulp’. In zending en ontwikkelingswerk hebben we met dezelfde remmende factoren te maken, waarschuwt hij.

– Ten eerste: men zit niet op je te wachten. In sommige culturen ervaart men dat een geschenk aannemen je je vrijheid ontneemt. Het gaat om het winnen van vertrouwen: om lange tijd en korte afstand.

– Vervolgens: het westerse vooruitgangsdenken staat haaks op culturen waar men een meer ‘passieve’ houding inneemt ten opzichte van de natuur en de geschiedenis.

Boeiend is ook hoe actueel zijn woorden klinken (denk aan minister Blok nu, die het over genetisch onvermogen had om samen te leven). Van Randwijck wijst namelijk op culturele tradities, waardoor de eerste loyaliteit naar de eigen familie of stam gaat. Dat leidt tot nepotisme en corruptie en is een rem op vernieuwing.

We hoeven dat trouwens niet alleen in ontwikkelingslanden te zoeken: ‘America first’ klonk in de Verenigde Staten ook al in de decennia na de Eerste Wereldoorlog.

Maar, zegt Van Randwijck, culturele gegevens zijn niet onveranderlijk! Maar daarom kunnen zending en ontwikkelingshulp niet zonder de menswetenschappen en het goddelijk Woord dat ons uitdagen geschiedenis te maken. ‘De mens is niet gedwongen te volharden in wantrouwen dat van nature bestaat tussen verschillende stammen en volken.’

Intensief betrokken

Na zijn terugkeer uit Indonesië in 1946 werkte hij enige tijd in het Zendingshuis van de Hervormde Kerk in Oegstgeest, waarna hij van 1951 tot 1966 algemeen secretaris was van de Hervormde Raad van de Zending. Een periode waarin hij, zoals boven beschreven, intensief op het terrein van zending en oecumene betrokken was.

In de periode van het conflict met Indonesië over Nieuw Guinea adviseerde Van Randwijck de Hervormde Synode zich uit te spreken tegen het beleid van minister Luns. Op internet is een ‘geheim’ stuk (1956) te vinden van de Binnenlandse Veiligheidsdienst waarin zijn bemoeienis wordt gesignaleerd.

Als ‘zendingsconsul’ eerder in Nederlands-Indië werkte hij in koloniale verhoudingen, maar door zijn jarenlange internationale oecumenische contacten was hij zich er scherp bewust van dat Nederlands koloniale rol voorgoed was uitgespeeld. In 1966 schreef hij:

‘Het gaat om niets meer of minder dan om

de vraag hoe God de heerschappij over de wereld uitoefent en hoe Hij daarbij de gemeente van Christus gebruikt. (…) Wanneer in een land de Bijbel wordt gelezen en de gemeente naar zijn boodschap luistert, dan is daar in beginsel een klankbodem gelegd voor de vernieuwing van mens en maatschappij. Ook van deze zwakke klankbodem geldt, dat de poorten van het dodenrijk hem niet zullen overweldigen.’3

Noten

1 Mr. S.C. Graaf van Randwijck, Handelen en denken in dienst der zendingOegstgeest 1897- 1942, ’s-Gravenhage: Boekencentrum B.V., 1981

2 In: ‘Het Zendingsconsulaat in Nederlands-Indië 1906-1942’ (recensie dissertatie dr. M.C Jongeling), De Heerbaan, 1967/XX

3 In: ‘Enkele oecumenisch-missionaire herinneringen en mijmeringen’, De Heerbaan, 1966/XIX, 206

Bronnen

– ‘Enkele internationale zendingsvragen (mede n.a.v. Bangkok)’, De Heerbaan, 1950/III]

– ‘Samenwerking of samensmelting van Wereldraad van Kerken en Internationale Zendingsraad’, De Heerbaan, 1957/X

– ‘Zending en Interkerkelijke hulpverlening’, De Heerbaan, 1962/XV

– ‘De zending in het tijdperk van de ontwikkelingshulp’, De Heerbaan, 1966/XIX

– Frits Groeneveld, ‘S.C. graaf van Randwijck 1901-1997; Zendingsconsul’, NRC 28 oktober 1997

– Rob van Essen is predikant en publicist en lid van de redactie van TussenRuimte.

Johannes Blauw (1912-2007)*

Tot de top vijf van de werken op het terrein van de missiologie behoort Blauws boek The Missionary Nature of the Church. Zijn proefschrift ging over Goden en mensen. Plaats en betekenis van de heidenen in de heilige Schrift. Velen in de kerk en de (wereld)samenleving zijn door hem gevormd, getroffen, veranderd, op weg gezet. Hij heeft hen door zijn leven en werk geraakt.

Het werk van Johannes (Han) Blauw (rechts op de foto) had iets poëtisch. Karakteristiek voor dichters is dat zij met weinig woorden veel kunnen zeggen. Dat kon hij ook. In een van zijn eigen gedichten wordt kernachtig zijn pelgrimage verwoord:

Galilea der heidenen (Matteüs 4, 15)

Ik zag een engel bij de open kerkdeur staan dezelfde die bij ’t open graf – brak toen de dag niet aan? – ons zei: ‘Hier is hij niet, want hij is opgestaan.’

Ik maakte rechtsomkeert op Galilea aan Daar vond ik hem weer was hij voorgegaan.

Tot het einde van zijn leven is hij in de eigenlijke zin van het woord missionaris gebleven. Hij was gefascineerd door de relatie tussen het evangelie en de religies, ook vooral de zogenaamd primitieve. In veel theologie, onder meer die van Karl Barth, miste hij de erkenning van het werk Gods in de godsdiensten van mensen. De religies zijn het onomstotelijk bewijs dat de mens, ook in zijn religie, mens Gods gebleven is.

De twee uitspraken van Psalm 8: ‘O Here, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde’ en ‘Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind dat Gij naar hem opziet?’ zag hij als de twee brandpunten van een ellips. De band tussen die beide ligt in de woorden ‘dat Gij naar hem omziet’. Blijkt dat omzien niet daaruit dat deze mens door alle tijden heen religieuze vragen heeft gesteld en religieuze antwoorden heeft gegeven op de vragen die het leven en de wereld hem stelden? Daarom kan men in het licht van de huidige wereldsituatie – zei hij al veertig jaar geleden, actueler dan ooit! – moeilijk volharden in de gangbare houding van exclusivisme tegenover de (andere) religies. De Bijbel bleef voor hem een richtsnoer, en hij verstond de Schriften in hun samenhang met mens, cultuur en maatschappij.

De eerste elf hoofdstukken van Genesis, ‘ontstaan uit de dialoog van die knappe theologen in Babel’, inspireerden hem. Leidraad was ook Jesaja 40-55 (66), een theologie der wereldgeschiedenis genoemd (M. Buber), of het boek van de wereldpolitiek Gods (H. Frey). Weliswaar bieden deze allerminst een afgeronde theologie, en nog minder een duidelijke politiek: zij zijn vol mysterie, en de kern van dit mysterie ligt in de mysterieuze figuur van de ‘knecht van JHWH’. Blauw vond het dan ook niet toevallig dat die geschiedenis gegeven wordt in liederen. Er zijn dingen die niet gezegd, maar alleen gezongen kunnen worden.

* In memoriam door Anton Wessels, overgenomen uit TussenRuimte – 1e jaargang | nummer 1 | maart 2008, blz. 28-29

– Anton Wessels was van 1978 tot 2002 hoogleraar godsdienstwetenschap aan de Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Hij werkte voor die tijd jarenlang in Egypte en Libanon.

< Terug