< Terug

Geloof waar je het het minst verwacht

Bij 2 Koningen 17:(5-7)24.29-34 en Lucas 17:11-19(21)

Ze zijn altijd anders geweest daar in het noorden. Bewoners van het Noordrijk, van de Assyrische provincie Samerina, van Samaria in de Romeinse tijd – altijd anders, al waren door de geschiedenis heen de redenen hiervoor telkens weer nieuw, namen reserves steeds nieuwe vormen aan. Soms waren de argumenten religieus, soms etnisch, vaak een mengsel uit allebei. ‘Jij komt daar vandaan, dus ben je zus en zo.’ Tegen dat soort vooringenomenheden is slechts één kruid gewassen: de blik op het individu.

Onder koning Hosea (732-722 v.Chr.) was het Noordrijk afhankelijk geworden van Assyrië. Na de dood van de Assyrische koning Tiglat-Pileser III (727/726) probeert Hosea het Assyrische juk af te schudden en weigert verder nog tribuut te betalen. De nieuwe koning van Assyrië, Salmanassar V, valt het Noordrijk binnen en belegert de hoofdstad Samaria drie jaar. Uiteindelijk slaagt hij er in de stad in te nemen (722) en deporteert (een deel van) de bevolking van Israël naar Mesopotamië en Medië (17,5-6). In ruil hiervoor huisvest hij mensen uit Mesopotamië en Syrië in de ‘steden van Samaria’ (17,24). Tot zover de politieke geschiedenis. Maar deze interesseert de schrijvers van de boeken der Koningen niet als zodanig. Hun belangstelling gaat uit naar de ontwikkeling van de godsverering door de geschiedenis heen – en die lijkt één lijn van dwaling te zijn.

Van kwaad tot erger

Eigenlijk hebben zij daar in het noorden het nooit meer goed gedaan, sinds ze zich losmaakten van het koningshuis van David en Jerobeam tot koning uitriepen. Aldus de visie van de boeken der Koningen. Want niet alleen de eenheid van het rijk brak met Jerobeam uit elkaar. Hij zorgde er ook voor dat Jeruzalem niet het gezamenlijke cultische centrum bleef, door de godsdienst in het Noordrijk van eigen instellingen en praktijken te voorzien: twee gouden stierbeelden in Betel en Dan, tempels op de offerhoogten, niet-Levitische priesters en een eigen feest (1 Kon. 12,25-32). Jerobeams maatregelen groeiden uit tot duurzame tradities. Geen van de koningen van het Noordrijk schafte ze weer af. De boeken der Koningen merken dan ook over bijna elke koning van Israël op dat hij ‘niet met de zondige praktijken van Jerobeam brak’. Sommige koningen worden als erger beoordeeld dan andere, maar de slotsom blijft dezelfde: in het Noordrijk werd God niet op de juiste manier vereerd.

Nadat de opvolger van Salmanassar Syriërs en Mesopotamiërs in het voormalige Noordrijk een woonplaats had gegeven, werd de situatie alleen maar erger. Deze mensen bleven (in de tempels op de offerhoogten!) hún goden vereren. De koning van Assyrië stuurde een priester uit de ballingschap terug naar Betel om de nieuwe kolonisten ‘de regels van de God van dat land te onderwijzen’ (2 Kon. 17,27). Het resultaat: zij vereerden voortaan zowel de God van Israël als hun eigen goden. Voor de boeken der Koningen vormt de multiculturele en -religieuze situatie onder Assyrisch bewind een voortzetting van de verkeerde theologie in Israël. In vers 29 worden de bewoners van het Noordrijk die ooit de tempels op de offerhoogten hadden gebouwd, ‘Samaritanen’ genoemd. In buitenbijbelse bronnen wordt deze naam al aan het begin van de achtste eeuw gebruikt, in het Oude Testament alleen hier – vermoedelijk met het oog op de Assyrische provincie. Maar juist de ontdekking (of constructie) van deze rode draad door de geschiedenis heen verhindert dat het eigen karakter van elke tijd scherper in beeld komt. Een benadering die de godsdienst in het noorden bijna uitsluitend vanuit de ‘zondige praktijken van Jerobeam’ belicht, ontneemt het zicht op andere, mogelijk waardevolle aspecten ervan. Men had het feit dat de nieuwe bewoners naast andere goden ook JHWH vereerden kunnen interpreteren als hoopvol begin en kunnen waarderen dat ook deze cultus iets voor hen betekende. Het boek Ezra (4,1-3) bericht dat mensen die onder een latere Assyrische koning naar de provincie Samerina waren gebracht en sindsdien onder andere de God van Israël vereerden, zelfs hun hulp aanboden bij de herbouw van de tempel te Jeruzalem. Maar dit aanbod werd niet gezien als ontluikende knop van een plantje waaraan God nog groei kan schenken. Het vond noch gehoor noch waardering.

Een gelovige verdwaalde

Ten tijde van Jezus hadden niet-Samaritaanse joden en Samaritanen een wisselvallige gezamenlijke theologische en politieke geschiedenis achter de rug. De breuk was deflnitief toen de Hasmoneese koning en hogepriester Johannes Hyrkanus (134-104 v.Chr.) de toen ongeveer tweehonderd jaar oude tempel van de Samaritanen op de Gerizim verwoestte. Hoewel de theologie van de Samaritanen wel raakpunten had met verschillende stromingen binnen het jodendom, golden zij niet als broers die een andere ontwikkeling hadden doorgemaakt. Het feit dat toen niet alle bewoners van het Noordrijk gedeporteerd waren, diende niet als aanknopingspunt. De Samaritanen waren vreemdelingen. In deze termen spreekt ook Jezus over de Samaritaan die na zijn genezing terugkomt bij Jezus om God te danken: Hij noemt hem allogenès, dat is ‘man met een andere afkomst’, ‘vreemdeling’ dus (Luc. 17,18). Maar toch zet uitgerekend deze Samaritaan het geloof om naar de juiste praktijk, door zijn lof voor God te verbinden met zijn terugkeer naar en dank aan Jezus. Deze antwoordt hem dan ook zoals Hij allen antwoordt die blijk geven van de juiste geloofshouding: ‘Jouw geloof heeft jou gered’ (17,19). Want net als de kloof tussen slaven en vrije mensen, tussen man en vrouw, heeft in Christus ook de kloof tussen Samaritanen en joden geen enkele betekenis meer. In het Nieuwe Testament wijst vooral Lucas hier telkens weer op – in zijn verhalen van de barmhartige en van de dankbare Samaritaan en in zijn verhaal van de uitbreiding van het christelijk geloof in Samaritaans gebied (Hand. 8 en 9).

< Terug