< Terug

God maakt een nieuw begin

Bij Jesaja 63,19b-64,8, Psalm 85 en Marcus 13,24-37

Een aantal jaren terug had ik een bespreking voor de dienst van Eerste Advent. De ontzetting die uit Jesaja en Marcus sprak, vond zijn weg naar de aanwezigen. Onomwonden werd gemeld dat wat er werd aangezegd juist in deze tijd gebeurde. Eén jaar daarvoor waren de aanslagen in New York geweest, en de nasleep in de vorm van gewapende conflicten en een dreigende verharding in de relatie tussen landen in het Westen en in de Arabische wereld werd duidelijk zichtbaar.

De apocalyptiek die uit de lezingen sprak, werd zonder meer toegepast op de huidige politieke en militaire situatie in de wereld. Maar wanneer we zo lezen, en vanuit de lezingen in zulke termen gaan spreken, dan moeten we zeggen: er is dus helemaal geen hoop meer. Dan kunnen we het boek wel dichtdoen, voorgoed!

De evangeliën zijn geschreven ná het jaar 70, het jaar van de verwoesting van de tempel. Die traumatische ervaring heeft ongetwijfeld zijn weerslag gehad op hetgeen geschreven staat. Voor de mensen van die tijd moet het inderdaad zijn geweest alsof de wereld op zijn einde liep, alsof er een onafwendbaar einde ophanden was, rampspoed waar geen ontkomen aan was. Ook het natuurgeweld speelt daarin vaak een rol, zoals we horen aan het begin van Jesaja, deze zondag.

Maar het einde waarover gesproken wordt is niet zozeer het einde van onze aarde, het einde van alle leven, in de puur fysieke zin van het woord. Het gaat bij dat einde om het einde van de relatie tussen God en mens.

Vele wegen en één weg

Heel het relaas in de Schriften is een verhaal over een weg en vele wegen. Die ene weg is de weg die de mens aangereikt krijgt voor het goede land. Op weg door de woestijn krijgt de mens op de Sinaï tien woorden aangereikt van God (Exodus), opdat het land goed land mag zijn, opdat de weg naar dat land begaanbaar mag zijn. Dat zijn woorden van de ene weg. Maar steeds gaat de mens andere wegen, wijkt hij af van die weg en wordt het verbond tussen de Eeuwige en de mens tenietgedaan. Door de mens dus. Rampen en tegenspoed die het volk treffen, worden vaak beschreven als een straf voor de verkeerde wegen die mensen zijn gegaan. In zulke termen horen we profeten vaak spreken, met name Jesaja en Ezechiël. Wanneer Marcus schrijft over de ontzetting van zijn dagen, dan kan hij ervan uitgaan dat zijn gehoor bestaat uit mensen die deze profetenteksten kennen. Het zal daarbij op zijn minst de vraag zijn in hoeverre de mens de ontreddering aan zichzelf te wijten heeft en of deze ervaren moet worden als een straf van God.

God neemt het initiatief

Het einde, welk einde dan ook, als straf van God? Laten we zeggen dat we ons daarmee op glad ijs begeven. Dan komen gedachten bovendrijven aangaande mensen die in onze tijd menen te evangeliseren en daarbij zonder meer stellen dat het Joodse volk de holocaust over zichzelf heeft afgeroepen, omdat het Jezus niet als Messias belijdt. Dan hoor ik geluiden uit de eerste tijd dat aids bekend werd, door sommigen neergezet als een regelrechte straf van God…

Neen, ik denk dat als we over God spreken op grond van de lezingen van Jesaja en Marcus, we anders tegen deze teksten aan moeten kijken. Daarbij is het jammer dat de Marcuslezing pas aanvangt bij vers 24. In vers 31 wordt gesproken over ‘hemel en aarde’. Hemel en aarde, een uitdrukking die we kennen vanaf het begin toen God hemel en aarde schiep (Genesis). In Marcus 13,19, handelend over hetzelfde onderwerp, is sprake van: ‘van het begin van Gods schepping tot nu toe’ (KBS 1995). Zo zijn wij allen het werk van zijn hand (Jes. 64,8). Wanneer er gesproken wordt over God, dan gaat het niet allereerst over een straffende God, maar over God als initiatiefnemer. Als degene die de schepping begon, als degene die de mens zijn Tien Woorden heeft gegeven, ingeleid met: Ik ben de God die u uitgeleide heeft gedaan uit het slavenhuis (Ex. 20,2). Als over God wordt gesproken als een handelende God, dan is het als degene die het initiatief neemt. Het initiatief tot de schepping, tot bevrijding uit het slavenhuis. Een God die in de Tien Woorden, zoals Hijzelf ook tien woorden sprak bij de schepping, een verbond aangaat met zijn volk.

Bekering: het verbond vernieuwen

Het is dat verbond dat verbroken wordt doordat de mens andere wegen gaat dan hij gewezen krijgt. En zoals het afwijken van de rechte weg een soort repeterende breuk is, zo zijn ook de elementen van bekering en vernieuwing van het verbond dat. En bekering, ommekeer, dat is beseffen dat je als mens tegenover de Eeuwige staat met lege handen (naakt, Gen. 3,7). En voor de vernieuwing van het verbond ben je afhankelijk van de ander, de Ander. Ook hier ligt het initiatief dus bij God. Het is die God die bezongen wordt in Psalm 85. Een God die van zijn kant het verbond opnieuw wil aangaan met zijn volk. God als degene die het initiatief neemt, niet om te verdelgen, maar om midden in alle ontreddering opnieuw zijn verbond, zijn belofte aan de mensheid gestand te doen.

Wanneer we dit kunnen lezen in de teksten van de Eerste Advent, dan mogen we juist hier woorden van hoop horen. Met alle persoonlijke ontreddering die mensen kan overkomen, met alle onzekerheid over milieu, economie, internationale en politieke ontwikkelingen: wij mogen opnieuw beginnen vanuit het besef dat er Eén is die altijd opnieuw met ons begint. Daaruit mogen we steeds opnieuw hoop putten.

< Terug