< Terug

Godverlatenheid

Het kruiswoord ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ (Mat. 27:46; Mar. 15:34) wekte bij Jezus’ volgelingen de indruk dat God hun meester in de steek gelaten had. Velen hadden geloofd dat Jezus de Zoon van God was, die Israël letterlijk zou bevrijden. Hun teleurstelling en vertwijfeling zijn indrukwekkend weergegeven in een beeldengroep te Chaource. Maar zwijgend aanvaarden is niet de enige legitieme reactie.

In veel Hebreeuwse klachten drukt de bidder zijn onbegrip uit tegenover God met het vraagwoord ‘waarom’.1 Een klassiek voorbeeld is Psalm 22:2-3:

Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?
Ver van mijn verlossing, de woorden die ik uitschreeuw?
Mijn God, ik roep overdag, maar u antwoordt niet,
en ’s nachts, als ik mijzelf geen stilte gun.

De dichter voelt zicht verscheurd, en treurt erover dat God hem verlaten heeft en afstand heeft gehouden, opdat hij niet verplicht zou zijn hem te hulp te schieten. Dagelijks schreeuwt de psalmdichter het uit zonder een antwoord te krijgen (vs. 3a). Zelfs ’s nachts gaat hij nog door met klagen en staat hij zichzelf niet toe te zwijgen (vs. 3b). Als God weigert te antwoorden, offert de bidder zelfs zijn nachtrust op om ook ook ’s nachts door te gaan met smeken (Ps. 22:1-3). Als God dan nog steeds blijft zwijgen, staat de bidder zichzelf niet toe op zijn beurt ook te zwijgen, ook al kleeft zijn tong aan zijn gehemelte, zodat hij nauwelijks een woord uit zijn mond krijgen (vs. 16).

Hij heeft wel herinneringen aan betere dagen, toen God eerdere generaties nog redde als ze tot hem riepen (vs. 5-6), zodat de bidder reden had God te prijzen (vs. 4). Daarom vraagt hij God ook om niet veraf te blijven (vs. 12, 20). De vastbeslotenheid van de bidder om zelf in elk geval niet te zwijgen, maar door te gaan met zijn gebed om verlossing, lijkt te worden beloond. Het gebed eindigt namelijk met een vreugdevolle, maar nogal onverwachte uitroep: ‘U hebt mij geantwoord!’ (vs. 22), gevolgd door overvloedige dankbetuiging. Het lijkt logisch te veronderstellen dat in de stilte die viel na de klacht van de bidder een priester of een cultusprofeet een heilsorakel tot hem gesproken heeft. Anderen zien ‘U hebt mij geantwoord!’ als een latere toevoeging aan de psalm, die bedoeld zou zijn om de plotselinge overgang uit te leggen van gebed naar hymne. Nog weer anderen zien het gehele hymnische gedeelte (vs. 23-32) als een latere toevoeging, wellicht van de psalmdichter zelf.

Ook al is dat allemaal denkbaar, niet een van de hierboven gegeven oplossingen is werkelijk bevredigend. De psalm is een zeer knap samengesteld geheel,2 wat de veronderstelling van een latere toevoeging minder waarschijnlijk maakt. Ondanks het feit dat hij zo teleurgesteld is in zijn God, blijft de bidder vertrouwen in hem stellen: ‘vanaf de schoot van mijn moeder bent u mijn God’ (vs. 10). Daarom is zeker niet uit te sluiten dat er bij de bidder een plotselinge innerlijke overtuiging doorbrak dat God hem geantwoord had. Zoals hij later ook verklaart dat God ‘het gedaan heeft’ (vs. 32), terwijl niets erop wijst dat de bidder werkelijk al door God is bevrijd. Maar innerlijk is er blijkbaar iets in hem veranderd. Door God te blijven aanroepen, juist ondanks zijn zwijgen, breekt de overtuiging bij de bidder door dat God eens zal moeten antwoorden. Wanneer Jezus diezelfde roep van de psalmdichter overneemt, klinkt ook bij hem die gedachte door: het niet zo zijn dat God een mens werkelijk alleen zou laten in het grootste lijden.

De graflegging in Chaource

Die uitroep van Jezus, ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ wekte echter bij zijn volgelingen wel de indruk dat hun meester zich in de steek gelaten voelde door God de Vader. Velen van hen hadden geloofd dat Jezus de Zoon van God was, die Israël letterlijk zou bevrijden. Hun teleurstelling en vertwijfeling zijn indrukwekkend weergegeven in een beeldengroep te Chaource. Het is een aangrijpende ervaring daar in de crypte te staan, de crypte van de kerk van Johannes de Doper in Chaource in Frankrijk. Wie door het smalle, lage poortje afdaalt naar de crypte, wordt direct geconfronteerd met het levensgrote, bleke, ontzielde lichaam van Christus, omringd door hen die op het punt staan hem naar zijn graf te dragen. Links tilt Nicodemus het bovenlichaam van Jezus al heel voorzichtig op met het linnen doodskleed waarop de dode ligt (vgl. Joh. 19:39-40). Het voeteneinde wordt vastgehouden door Jozef van Arimatea, die zijn eigen, nog ongebruikte graf ter beschikking gesteld heeft (vgl. Mat. 27:57-60; Mar. 15:42-46; Luc. 23:50-53; Joh. 19:38, 41-42). Maria, de moeder van Jezus, buigt zich over haar zoon. De apostel Johannes die achter haar staat, moet haar vasthouden om te voorkomen dat zij voorover zal vallen (vgl. Joh. 19:26-27).

Diep verdriet

Naast Maria staat Maria-Salome, de handen gevouwen, de ogen neergeslagen alsof ze in gedachten verzonken is (vgl. Mar. 15:40; 16:1). Maria Magdalena daarentegen kijkt heel intens naar het lichaam van haar geliefde meester en lijkt al een stap vooruit te doen om hem te gaan zalven (vgl. Mat. 26:6-8; Mar. 15:47-16:1; zie ook Luc. 7:36-50; Joh. 12:3). Ten slotte is er Maria van Clopas met de doornenkroon in haar hand (vgl. Joh. 19:25).

Helaas is onbekend wie de meester is die deze indrukwekkende beeldengroep tegen het begin van de zestiende eeuw heeft vervaardigd.3 Sommigen denken aan groepswerk, maar de verschillen in stijl zouden ook samen kunnen hangen met de karakters van de afgebeelde personages. In en rondom Troyes zijn meer anonieme beeldhouwwerken aangetroffen die er enigszins op lijken, bijvoorbeeld de beroemde Piëta in het dorpje Bayel. In elk geval getuigt het werk in Chaource van een ongelooflijk meesterschap: de zeer dunne, natuurlijke plooien in de hoofdtooi van de vrouwen zijn buitengewoon moeilijk te realiseren.

De gezichten van de groep drukken diep verdriet uit. Om de hals van Maria Magdalena ligt een metalen band, die lijkt te suggereren dat het schouwspel haar de keel dichtknijpt. Hun verdriet is het onze: het verdriet van ieder die afscheid moet nemen van een kind, een ouder, een bewonderde levensgezel, een geliefde. Alle monden in de groep zijn gesloten. Het zwijgen van God4 wordt hier beantwoord met het lamgeslagen zwijgen van mensen.5 Als je voor de halve cirkel van de beeldengroep in Chaource staat – en je mag er echt heel dichtbij staan – dan voel je je opgenomen in de kring van hen die in stilte rouwen om een onbegrijpelijk vroege dood.

God-geklaagd

Het kruiswoord ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ ontbreekt in de evangeliën van Lucas en Johannes. Juist om die reden houden velen dit citaat uit Psalm 22, dat ook in het Aramees-Hebreeuws is overgeleverd, voor oorspronkelijk. Het is immers logischer aan te nemen dat men dit verwijt aan God ongepast vond dan dat men het later in de twee oudste evangeliën, die van Marcus en Matteüs, zou hebben ingevoegd. Jezus lijkt hier op de rand van godslastering te komen. Vincent Taylor, die een beroemde commentaar op het evangelie van Marcus schreef, zegt daarover:

De diepten van deze uitspraak zijn te diep om te peilen, maar de minst onbevredigende interpretaties zijn die welke er een gevoel van verlatenheid in bespeuren waarin Jezus de verschrikking van de zonde zo diep voelde dat de nabijheid van zijn contact met de Vader er even door verduisterd werd.6

Het zijn juist uitspraken van Jezus als ‘Abba, Vader, voor u is alles mogelijk, neem deze beker van mij weg’ en ‘Waarom hebt u mij verlaten?’ die ons het authentiek menselijke in zijn persoonlijkheid onthullen. De aanklacht tegen God is legitiem en lucht op.7 Het hoeft niet te blijven bij het zwijgende klagen van de rouwenden in Chaource. Er zijn momenten waarop een mens wel moet schreeuwen tegen God.

Luide kreet

Het leven van Jezus eindigde met zo’n luide kreet: ‘Maar Jezus slaakte een luide kreet en blies de laatste adem uit’, zegt Marcus 15:37. Als een geliefd familielid ernstig ziek is, en het einde nabij is, dan verlangen zij die de zieke het meest nastaan hevig naar een bijzonder woord van hem of haar. Voordat hij of zij niets meer kan zeggen. Het laatste woord van een mens moet zó mooi zijn, dat je het niet meer kan vergeten. Een woord waar je altijd weer aan kunt terugdenken. Een woord dat de voorganger in de rouwdienst kan herhalen en in herinnering kan brengen. En wanneer iemand vrij plotseling is overleden, zonder naaste familie om zich heen, maar wel met andere mensen in de buurt, dan vragen familieleden vaak als eerste: ‘Wat waren zijn laatste woorden?’ Bij de volgelingen van Jezus kwam die vraag ook op. De evangelisten vroegen zich af: wat heeft Jezus het laatst geroepen? Alle vier de evangelisten beschrijven het sterven van Jezus. Maar in het oudste evangelie, dat van Marcus, staat heel eenvoudig: ‘En Jezus slaakte een luide kreet en blies de laatste adem uit.’ De evangelist Matteüs sluit in zijn beschrijving nauw aan bij Marcus. Hij schrijft: ‘Nog eens schreeuwde Jezus het uit, toen gaf hij de geest’ (Mat. 27:50). Lucas neemt aan dat de laatste woorden van Jezus toch wel mooie woorden uit een psalm geweest moeten zijn. In het Lucasevangelie zien we dan ook dat Jezus een citaat uit Psalm 31 roept: ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest’ (Luc. 23:46). Volgens het Johannesevangelie zijn als laatste woorden van Jezus opgeschreven: ‘Het is volbracht’ (Joh. 19:30).

Geen mooie woorden

Opvallend is dat het oudste evangelie, dat van Marcus, juist niet heeft verteld wat Jezus bij zijn sterven gezegd heeft. Nee, er wordt alleen maar gesproken over een kreet. Geen mooie woorden, geen toepasselijke psalmtekst, geen bijzondere spreuk. Alleen maar het slaken van een kreet, vermoedelijk een onverstaanbare kreet van pijn. En zo eindigt het leven van Jezus niet anders dan dat van gewone mensen. Nooit is Jezus dichter bij ons mensen geweest als juist op dát moment. Was Jezus op dat moment dan alleen nog maar een gewoon mens? Zou Marcus dát hebben willen zeggen? Het hele evangelie pleit er natuurlijk tegen. En ook als we kijken naar de beschrijvingen van de andere evangelisten, dan moeten we vaststellen dat dát toch niet de boodschap van de tekst kan zijn. Die luide menselijke schreeuw is niet het laatste. Jezus blaast de laatste adem uit. Dat wil zeggen: de geest die in hem was, de levensadem die God aan ieder mens gegeven heeft, wordt aan God teruggegeven (vgl. Pred. 9:7). Dat is hetzelfde als wat Matteüs zegt: hij geeft de geest.

En omdat het de Heilige Geest was die in hem woonde, kan men stellen: Jezus geeft de Geest aan zijn Vader terug. En zo is hij weer volkomen één met de Vader. De ene seconde menselijker dan ooit, de volgende seconde weer helemaal God. Wat is de bedoeling van die overgang? In het vervolg wordt beschreven hoe het voorhangsel van de tempel in tweeën scheurde, van boven tot beneden. Op het moment dat Jezus de geest geeft, en zijn geest teruggeeft aan God, zijn Vader, dan openbaart zich zijn goddelijkheid.

Het voorhangsel in de tempel was het kleed dat het heilige der heiligen afschermde voor de priesters en de gelovigen. Alleen de hogepriester mocht het heilige der heiligen betreden, maar voor gewone gelovigen was die plek taboe. Maar nu, bij het sterven van Jezus, scheurt het voorhangsel. Dat betekent dat de toegang tot God geopend wordt voor iedereen. Het sterven van Christus betekent volgens de evangelist dat hiermee de weg tot God vrij is. God laat zich vanaf dat moment aan de gehele wereld zien. Voor wie dat wil.

In die rauwe schreeuw van Christus aan het kruis kan een mens de eigen laatste pijn en moeite horen, maar tegelijk beseffen dat er een uitweg is geboden die over de dood heen grijpt.

Bijbels realisme

De zwijgende klacht van de groep in Chaource ontroert nog steeds. We kunnen er zo de verstarde gezichten van gesluierde vrouwen in de Arabische wereld van nu bij denken. Maar daarnaast staan ons de beelden voor ogen van mensen die het wanhopig uitschreeuwen omdat zij zojuist een dierbare verloren hebben. Wij verbazen ons er misschien over dat zowel wanneer Allah geprezen wordt vanwege een of andere zegen als bij zulk diep verdriet tegelijk ook Allahu akbar! geroepen wordt. Maar beide aspecten zitten in de betekenis daarvan: ‘Allah is oppermachtig!’

God is niet te doorgronden. Het goede en het kwade is beide in zijn macht. Bijbels realisme lijkt daardoor vaak irreëel. ‘Wees altijd verheugd, bid onophoudelijk, dank God onder alle omstandigheden, want dat is wat hij van u, die één bent met Christus Jezus, verlangt’ (1 Tess. 5:16-18). Wie brengt dat op? Mogen we dan niet ook eens een keertje klagen? De psalmisten en de profeten laten zich in elk geval niet zo makkelijk het zwijgen opleggen, maar het gaat hun dan niet alleen om henzelf, maar ook om een betere toekomst voor hun lotgenoten, zoals bijvoorbeeld in Jesaja 62:1-7, waar de profeet direct al in het eerste vers uitroept dat hij niet zal zwijgen vanwege de ellendige situatie waarin de stad Jeruzalem na de ballingschap verkeert. De profeet zegt dat hij niet zal zwijgen totdat die stad weer in alle eer is hersteld. Kortom: impliciet geeft de profeet aan dat hij in feite God net zolang blijft aanklagen totdat God zelf ervoor gezorgd zal hebben dat de stad Jeruzalem weer herbouwd is.

Dat dit ook werkelijk is wat de profeet bedoelt, blijkt uit een paar verzen verderop (Jes. 62:6-7), waar de profeet iedereen oproept om met hem mee te roepen, klagen, steunen, zuchten:

Op uw muren, o Jeruzalem, heb ik wachters neergezet;
elke dag en elke nacht – nooit zullen ze stil zijn.
O, u die de HEER aanroept,
Sta uzelf geen stilte toe,
En sta ook hem geen stilte toe
totdat hij Jeruzalem grondvest en haar maakt
tot een hymne in het land.

De profeet roept dus brutaalweg zijn volksgenoten op om God niet met rust te laten, totdat hij Jeruzalem weer groot gemaakt heeft. Wat opmerkelijk in deze tekst van Jesaja 62 is, is het deels onwerkelijke ervan, immers, op het moment dat deze woorden uitgesproken werden, bestonden de muren van Jeruzalem niet meer. Die waren verwoest. Het is een staaltje mooie geloofstaal. De profeet spreekt over de stad waarover hij droomt. De wachters die hij aanstelt op de niet-bestaande muren, zijn al die mensen die met hem zijn droom delen, en met hem mee willen profeteren. Impliciet wordt hier dus gezegd dat mensen juist niet lijdzaam moeten berusten in hun lot, maar in opstand mogen komen tegen Gods zwijgen. Ze moeten God zelfs helemaal geen rust meer gunnen, maar moeten blijven kloppen en bonzen op de deur bij God, blijven roepen! ‘Gun hem geen rust!’

Nog een voorbeeld van zulk irreëel lijkend bijbels realisme: ‘Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan’ (Mat. 5:7-8). Velen zullen bij deze woorden uit de Bergrede de neiging hebben te schamperen: ‘Was dat maar waar!’ Maar let wel op: even verderop zegt Jezus dat God het goede zal geven aan wie hem daarom vragen en dat goede mag dan niet ten nadele van anderen zijn (Mat. 7:1112). Je mag dus heus wel klagend bidden, maar enkel om het goede, dat zo gemist wordt.

Weten wij wel wat goed is voor onszelf en voor anderen? Noömi, in het boek Ruth, had alle reden God aan te klagen. Honger geleden, moeten verhuizen naar een vreemd land, echtgenoot en twee kinderen daar verloren, in de steek gelaten door een schoondochter, zó door het leven getekend dat haar buren haar nauwelijks herkennen – Noömi kon met recht uitroepen: ‘de HEER heeft zich tegen mij gekeerd, de Ontzagwekkende heeft me kwaad gedaan’ (Ruth 1:21). Maar aan het einde van het boek Ruth zit Noömi met haar kleinzoon Obed op schoot, uit wie de davidische dynastie zal voortkomen, en volgens het Nieuwe Testament uiteindelijk ook Jezus van Nazaret. God lijkt vaak onrechtvaardig, maar hij overziet nu eenmaal meer dan wij, wil de bijbelschrijver hiermee aangeven.

Dat klinkt in onze tijd nogal erg defaitistisch. Moeten we dan toch alles maar gelaten over ons heen laten komen? Natuurlijk niet, want ook in het boek Ruth is te zien hoe Noömi niet bij de pakken neer is gaan zitten. Ze heeft niet het devies van ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’ gevolgd, maar heeft zelf een beslissing genomen. Toen ze via via had gehoord dat er weer te eten was in Bethlehem, stond ze op (zo begint Ruth 1:6). Ze weet nog niet wat die reis terug naar Bethlehem zal brengen, maar ze maakt wel als vrouw haar eigen keuze om terug te gaan. En wanneer ze aankomt in Bethlehem, beklaagt ze zich, en zegt dat ze maar beter Mara, ‘bitter’, genoemd kan worden. Er spelen echter twee zaken tegelijk door het verhaal heen. Enerzijds de ferme uitspraken en daden van Noömi, die zelf keuzes maakt in haar leven, en aan de andere kant de schrijver, die eeuwen na Noömi haar verhaal opnieuw optekent, en meer weet dan zij. De schrijver weet immers dat Obed, Noömi’s kleinzoon, een voorvader van de latere koning David zal blijken te zijn. Noch Ruth noch Noömi zijn dat ooit te weten gekomen tijdens hun leven. De schrijver wil er dus wel mee aangeven: als mens kun je de geschiedenis nooit overzien. Je bent wellicht een klein radertje, maar wie weet welke bijzondere functie jouw kleine radertje later nog eens zal hebben. Zo corrigeert de schrijver Noömi ook, in Ruth 1:22. Noömi heeft dan net verteld dat de Heer haar leeg heeft doen terugkeren naar Bethlehem. Leeg? De schrijver wil de lezer oproepen daarover na te denken. Mooi is de menselijkheid van deze geschiedenis. Immers, het is inderdaad vaak zo, dat wanneer je in de ellende verkeert, en Gods verlatenheid ervaart, je nergens meer een lichtpuntje ziet. Je hele leven is één en al ellende, zoals ook Noömi hier beweert. Maar, constateert de schrijver droogjes, dat is niet helemaal waar. Zo kwam Noömi terug, met Ruth, haar Moabitische schoondochter, en bovendien precies op het tijdstip van de gerste-oogst. Twee niet geringe punten die Noömi in haar verdriet en passant even vergeten was.

Als wij God aanklagen hebben we daar vaak alle recht toe. Wij hoeven ons niet zwijgend neer te leggen bij het gevoel dat God ons verlaten heeft. Hij heeft ons beloofd dat hij door zijn Geest altijd bij ons zal zijn. Als wij zo echt één zijn met Christus Jezus, dan wordt het ondenkbare mogelijk: dat wij God onder alle omstandigheden uiteindelijk toch kunnen danken (1 Tess. 5:18).

< Terug