< Terug

Meditatie bij het thema ‘kerk’

De kerk als corpus mysticum

Recent kon ik tegen sterk gereduceerd tarief een exemplaar aanschaffen van de Engelse versie van het befaamde Franse boek Corpus Mysticum. De eucharistie en de kerk in de middeleeuwen van Henri de Lubac. Gepubliceerd in een omineuze tijd, vertelt dit boek het verhaal van de ontwikkeling van de leer van het avondmaal dan wel de eucharistie in de middeleeuwen, van de Karolingische tijd tot aan de twaalfde eeuw. De jezuïet en latere kardinaal Henri de Lubac is momenteel een favoriet auteur van de beweging van ‘Radical Orthodoxy’, een neo-orthodoxe Engelse beweging van oecumenische signatuur die onder aanvoering van John Milbank de westerse academische theologie meer inspiratie maar ook urgentie poogt mee te geven. Als één van zijn theologische helden uit de twintigste eeuw staat De Lubac voor Milbank op dezelfde eenzame hoogte als Wittgenstein en Heidegger in de filosofie. Het oordeel van Milbank betreft voornamelijk De Lubacs studie over het bovennatuurlijke, Le surnaturel, gepubliceerd in 1946, maar veroordeeld door paus Pius XII in Humani Generis in 1950 en nog steeds niet in Engelse vertaling beschikbaar. De Lubacs lot nam later een positieve wending via zijn invloed op Vaticanum II. In 1983 werd hij zelfs kardinaal gemaakt zonder eerst bisschop te zijn gewijd.

Hoe men ook over De Lubac en zijn wederwaardigheden met de Romana mag oordelen, Corpus Mysticum is een fantastisch boek dat ik natuurlijk veel eerder had moeten lezen. Echter, eerst en vooral is het een gedetailleerde historische studie. En dat acht ik om twee redenen van belang.

De eerste is dat in tegenstelling tot Milbank en de zijnen, die nogal de neiging hebben de krenten uit de pap van de theologiegeschiedenis te willen halen, hier wordt gepoogd het primaat maar ook de integriteit van de geschiedenis overeind te houden. Zo is het aandachtsveld van Milbanks ‘Radical Orthodoxy’ inmiddels opgeschoven van en een vooral Neoplatoons geduide Augustinus, naar Thomas van Aquino —bien étonnés de se trouver ensemble men in gepast Frans slechts verzuchten. En hoewel ik zeker niet wars ben van dwarse en tegendraadse verbanden in de geschiedenis, en Milbank zich in ieder geval een waardige leerling van De Lubac betoont door Thomas niet neothomistisch te duiden, worden met deze supersonische verbinding toch wel een aantal stappen overgeslagen, waardoor de uiteindelijke historische visie gevaarlijke gaten en omissiesvertoont. De moraal hiervan is dat de theologiegeschiedenis niet volstaan met het enkel etaleren van highlights.

De tweede reden is dat, waar zowel De Lubac als Milbank c.s. niet onder stoelen of banken steken dat zij een duidelijk theologisch oogmerk hebben met hun wending tot de geschiedenis (want zoals Milbank is verbonden aan ‘Radical Orthodoxy’ was De Lubac dat aan de ‘nouvelle théologie’), zij dat op tegengestelde wijze naar buiten laten komen. Waar ‘Radical Orthodoxy’ de geschiedenis meer als ammunitie dan als bron gebruikt, om van daaruit te polemiseren tegen de seculiere en (post)moderne cultuur, ging de ‘nouvelle théologie’ van de Lubac en Daniélou, ook wel ressourcement of herbronning genaamd, uit van de historische bronnen zelf, met name die der patristiek, die men als het ware herontdekte. Herbronning heeft echter alleen zin als deze bronnen ook daadwerkelijk hun stem kunnen laten horen en in context worden gepresenteerd, zoals De Lubac en Daniélou deden met de nieuw opgezette serie Sources chrétiennesmaar ook via hun eigen studies. Van De Lubac noem ik zijn werk over Origenes en over de middeleeuwse exegese en haar viervoudige schriftzin.

Maar laat ik de beweging van de ‘Radical Orthodoxy’ het allerbeste gunnen, omdat zij de academische theologie althans wakker heeft geschud en een oecumenische tendens vertoont door boven elk ingesleten confessionalisme uit te willen stijgen. Dat neemt evenwel niet weg dat mijn hart ligt bij geleerden als De Lubac die proberen hun verhaal vanuit de geschiedenis zelf vorm te geven. Juist daarom zijn zij er zich van bewust dat de geschiedenis geen andere stem heeft dan die van haar contemporaine interpreten. In die historische hermeneutiek toont De Lubac zich een ware meester. Het is evident dat de aandacht voor (patristische en) middeleeuwse exegese, waartoe hij met zijn monumentale Exégèse médiévale de aanzet gaf, sindsdien een steeds hogere vlucht heeft genomen. Helaas is dat niet meer het geval met Corpus Mysticum, dat weliswaar van invloed was op Vaticanum II en aldus ook de huidige paus Benedictus XVI mede heeft gevormd, maar momenteel nauwelijks nog een rol speelt qua visie op de Rooms-Katholieke Kerk. Een vergelijkbaar lot is Yves Congar ten deel gevallen, een andere ecclesioloog van grote betekenis.

De reden waarom ik die teloorgang betreur is omdat de ecclesiologie misschien wel het voornaamste theologische probleem van de 21e eeuw is, niet alleen in de Romana maar ook in de reformatie. Centrale vraag is hoe we kerk kunnen zijn op een wijze die niet slechts een voortzetting is van eerbiedwaardige patronen uit het verleden. Protestantser en Nederlandser gezegd: hoe komen we af van de idee van een volkskerk met een eindeloos vrijwilligersleger gebaseerd op een kostwinnersmodel dat niet meer past bij de realiteit van veel moderne gezinnen? Wordt dat model niet losgelaten, dan dreigen we te worden overgeleverd aan de dwingende leidraad dat allesminder is dan vroeger en dobberen we rond op de golven van demografische fluctuaties. De huidige identiteitscrisis van het CDA vertoont een meer dan oppervlakkige gelijkenis met deze kerkelijke thematiek en de regressieve teneur ervan stemt een mens niet vrolijk.

De enig mogelijke respons is, dunkt me, alle nostalgie te durven laten varen en geheel verworteld te zijn in het heden, vanuit de gedachte dat elke dag en elk tijdsgewricht zowel gave als opgave Gods zijn. Gek genoeg proef ik bij lezing van De Lubacs Corpus Mysticum niet zozeer de trots van de historicus die ontdekkingen doet over het verleden maar ook iets van de gelovige anno 1944 die in een prangende tijd plotseling vanuit de geschiedenis zich een nieuw model van kerk-zijn ziet ontvouwen. Dat model is verankerd in de idee dat zowel de kerk als het sacrament der eucharistie beide patent hebben op de status van mystiek lichaam en daarin elkaars band met Christus versterken. Het verhaal van dat model voert hem langs de complexe allegorieën van Paschasius Radbertus en Amalarius van Metz uit de Karolingische tijd tot aan de twaalfde eeuw en de transsubstantiatie- theologie van de praesentia realis.

Wat De Lubac betreft had de eucharistie beter praesentia mystica kunnen heten. Eenzelfde terughoudendheid lijkt mij te passen bij het denken over kerkzijn in de 21e eeuw. Misschien moeten we ons niet uitputten in missionaire pogingen die de pijn van de afkalving moeten verzachten, maar meer inzetten op een samenspel van goddelijke Geest en menselijke creativiteit. Maar laten we vooral de dimensie van de kerk als corpus mysticum in ere houden.

< Terug