< Terug

Naar aanleiding van het paasfeest…

Op zoek naar religie en ritueel in concentratiekamp ravensbrück

In 2020 vieren we de 75e verjaardag van de bevrijding. Openbare festiviteiten zijn afgelast, maar schrijven kunnen we nog wel. In dit artikel gaat Jan Marten de Vries op zoek naar de omstandigheden in het kamp waar zijn moeder gevangen zat, zo vlak voor de bevrijding, Pasen 1945.

Het was een koude winterdag in februari in Berlijn in 2008. Bij toeval kwam ik op een tentoonstelling over Ravensbrück terecht. Natuurlijk had dit mijn interesse. Mijn moeder, Jenneke Romkes, zat namelijk van september 1944 tot april 1945 in het concentratiekamp Ravensbrück, het enige vrouwenkamp in de Tweede Wereldoorlog. Ik bladerde door verschillende documenten op zoek naar de gebeurtenissen in de weken rond Pasen, 1 april 1945. Werd er nog iets van Pasen gevierd? Was er misschien ondanks alles een stukje hoop?

Uiteindelijk vond ik iets over die eerste april: ‘Anläßlich des Osterfestes führten die Niederländerinnen im Siemenslager ein Kulturprogramm auf. Sie sangen Matrosenlieder, zeigten Bauerntänze und ‘Zeitgemäßes’’.

Het klopte. Mijn moeder werkte in de Siemensbarakken. En in mijn vroege jeugd zong mijn moeder mij af en toe Duitse zeemansliedjes voor. ‘Van het cabaret, in het kamp’, zei ze dan. Het was een mooie voorstelling, waarin ze zong en danste. En, zo vertelde ze, er was goed op gerepeteerd. Over haar oorlogstijd heeft zij een (dag)boek geschreven, Cel 383, zing nog eens. Het waren de verhalen die ze mij van jongs af aan vertelde. Maar dat deze voorstelling op eerste paasdag gebeurde, wist ik niet.

Nu we de laatste maanden bezig zijn met herinneren in het kader van 75 jaar bevrijding, komt bij mij de vraag op: zou men dan ook Pasen hebben gevierd? Eerst een paasdienst, dan het variété? Zou er dan nog iets van orde zijn geweest? Ik kan het me niet voorstellen. Het Russische leger was in die weken voor Pasen in aantocht en de nazi’s waren bezig de gevangenen met grote spoed uit het kamp te ‘verwijderen’. Het kamp dat de maanden ervoor juist overspoeld was door gevangenen uit ontruimde Poolse kampen, met name uit Auschwitz.

Ik wil meer weten en verdiep me in andere bronnen over die eerste april. Daarom leg ik contact met de Mahn- und Gedenkstätte Ravensbrück.

Pasen 1945

Om het aantal gevangenen nog sneller te verminderen, werd een nieuwe gaskamer gebouwd. De knowhow was meegekomen uit Auschwitz. Op eerste paasdag 1945 bereikt men het bedrijfsmaximum: 800 tot 1000 vrouwen worden vergast. En terwijl dit allemaal aan de gang is, staat mijn moeder daar ter vermaak te dansen en Duitse liedjes te zingen.

Geen paasviering dan. Ik ga op zoek naar andere liturgische en rituele momenten in het kamp. Ik wil toch weten wat een mens doet in die situatie. Ik herinner mij de tirades van mijn moeder over evangeliste Corrie ten Boom. Beiden zaten zowel in het Oranjehotel (de Scheveningse gevangenis, in cellen naast elkaar), concentratiekamp Vught als in Ravensbrück. Mijn moeder moest niets van haar hebben. ‘Zij bracht valse hoop’, zei ze, ‘ze beweerde dat we over veertien dagen worden bevrijd. Dat maakte dat medegevangenen vrolijk werden, maar ook nonchalant en overmoedig. Dat kostte levens.’

Ten Boom hield in de paar maanden Ravensbrück (zij werd in december 1944 vrijgelaten) religieuze gebedsbijeenkomsten. Zij sprak elke morgen voor medegevangenen en jonge meisjes en hield ’s avonds een bijbeluur. Ze schrijft: ‘Ook de katholieken houden regelmatig hun godsdienstoefeningen, die door velen worden bijgewoond. Zij brengen dan God lof en bidden met elkaar om kracht voor een ieder in de strijd. Ondanks de uiteenlopende geloofsovertuiging, wisselen wij veel van gedachten met elkaar, zoeken overeenkomsten, bespreken de verschillen, maar voelen ons één als kinderen van één Vader.’

Vlees in de soep

Een officiële paasdienst zal er in die jaren nóóit geweest zijn. In Ravensbrück waren alleen al het bidden en zingen van religieuze liederen verboden. Overtreding werd streng bestraft. Een Poolse overlevende meldt dat zij bij het bidden werd betrapt, wat haar een half jaar eenzame opsluiting opleverde. De kampleiding probeerde religieuze uitingen te ontmoedigen. Al het religieus materiaal dat men bij binnenkomst bij zich had, werd afgenomen: kruisjes, rozenkransen, bijbeltjes, gebedenboeken. Voor religieuzen van buiten was het kamp verboden gebied.

Men kon zich nauwelijks aan religieuze voorschriften houden. Voor joodse vrouwen was koosjer eten niet mogelijk. Zij kregen sowieso al minder rantsoen. Maar vooral bekend zijn de pesterijen. Op kerkelijke feestdagen moest er extra hard gewerkt worden. Met Kerst liet men soms grote groepen urenlang in de vorst appèl staan. Op een Goede Vrijdag, waarschijnlijk vóór 1945, deed de kampleiding, als ‘verrassing’, vlees in de soep. Er waren Poolse rooms-katholieke vrouwen die, ondanks hun grote honger, de soep niet aten.

De Duitse rooms-katholieke Katharina Katzenmaier bericht van geregelde gebedsontmoetingen met protestantse en joodse vrouwen. ‘Graag ging ik ’s zondags en soms door de weeks in het geheim ’s avonds naar bijeenkomsten met Fransen en Hollanders, die, net zoals wij, elkaar voor het gezamenlijk gebed ontmoetten. Zij kenden zelfs hele delen van het proprium van de heilige mis voor de verschillende dagen uit hun hoofd. Wij baden in kleine groepjes in het Frans, Pools, Duits, Engels en Nederlands. […] Deze bijeenkomsten hebben ons erg gesterkt. Met gelijkgezinden samen te zijn, gaf innerlijke steun en de kracht om vol te houden. De wil om het leven aan God toe te vertrouwen gaf ons gemoedsrust en kalmte.’ Er zijn meer omschrijvingen van de waarde van religie in het kamp: ‘In de ogenblikken van grote spanning en lijden bevrijdde de mens zich van de grenzen van zijn menselijke natuur en verenigde zich met iets hogers, wendde zijn ziel tot God, tot een hogere waarheid, in overpeinzingen, gebeden, maar niet altijd vragend.’ Toch zijn er net zoveel verhalen van vrouwen die geen steun vonden in hun geloof of die hun overtuiging zelfs vaarwel zeiden.

Chaos

Vanaf eind maart 1945 is het totale chaos. Het lijkt alsof de kampleiding uitgerekend met Pasen schoon schip wil hebben gemaakt en daarom als een dolle alle getuigen wil vernietigen om verder de plek netjes achter te laten. In de Stille Week is het kamp ‘net een geheimzinnige planeet, het macabere, het belachelijke en het groteske voegden zich bijeen in een fantastische, irrationele chaos.’ In een barak geeft iemand een lezing over gotische kunst, terwijl de Sinti- en Roma-kinderen van barak 27 het spelletje ‘selectie voor de gaskamer’ spelen. De vlammen van het crematorium komen boven de schoorstenen uit en het stinkt enorm. In de barak met Russische vrouwen worden rode vlaggen gemaakt als welkom voor de Russische bevrijders die nu nog maar een paar kilometer van het kamp verwijderd zijn. De schildersploeg krijgt opdracht om de kraamafdeling een nieuw verfje te geven. En overal is het gevaar om eruit gepikt te worden voor de volgende vernietigende ronde. Iemand herinnert zich vrouwen ‘die in de rij staan om te worden verbrand, ieder met een bundeltje kleren in haar hand.’

Om het beeld nog onwerkelijker te maken, wordt het halverwege de week warmer. Zigeuner zitten ’s avonds te zingen voor hun barakken. De roeiboten worden uit de schuur naar het meer gesleept. De bewakers willen namelijk met Pasen een eindje roeien. En dan is het Pasen. Maar daarover vind ik niet meer in het kampdagboek dan de duizend doden, het variétéprogramma en het feit dat er aan de gevangenen Ovomaltine wordt uitgedeeld om aan te sterken.

Ik denk aan mijn moeder. Zij schrijft later: ‘Op een van de eerste zondagen [na de bevrijding, in Zweden] werd ik meegenomen naar een kerkdienst. Het bleek een avondmaalsdienst. De dominee had het over het verzoenend bloed van Golgotha. Daarop ben ik opstandig weggelopen. […] De dominee zocht me na de kerkdienst op. Toen barstte ik los: ‘Verdomme. Hebben jullie nou nog niets geleerd? Jezus is niet de enige jood die vermoord is. Al dezen waren Gods zonen. Zijn lijden heeft maar een dag geduurd. Van dezen jaren. Eindeloos.’

Opnieuw

Mijn moeder had dus weinig op met het (traditionele) geloof in en vooral na Ravensbrück. Maar, vraag ik me af, wat heeft haar, en al die anderen voor wie het geloof kennelijk geen steun bood, dan wél door deze periode heen gehaald? Welke visioenen zagen zij? Met een hernieuwde blik lees ik alles nog eens opnieuw.

Dan zie ik bij toeval een uitzending van De Wereld Draait Door. Selma van de Perre, een joodse overlevende van Ravensbrück, 97 inmiddels, is daar te gast. Zij heeft het niet over religie. Als Matthijs van Nieuwkerk vraagt: ‘Dan moet je jezelf op een of andere manier levend houden. Ergens moet in je kop die hoop blijven. Hoe heeft u dat gedaan?’ antwoordt zij meteen: ‘Wij hadden in de Siemensbarak liedjes gemaakt […] op de muziek van Louis Davids.’ Ze noemt de namen die ik ook van mijn moeder ken.

Zingen en dansen

Ik pak mijn moeders boek erbij en ga op zoek naar momenten van hoop die níet zijn gestoeld op geloof of religie.

‘Om het moreel op te krikken bedacht Thea Boissevain om Nederlandse volksdansen uit te voeren. We oefenden in de latrines. ’s Zondags voerden we ze in onze woonbarak uit. We nodigden dan afgevaardigden van allerlei nationaliteiten uit. Ook de SS kwam kijken. Als een lopend vuurtje ging dit idee in het Siemenslager over op andere volkeren. Ze nodigden ons voor tegenbezoeken uit. Ella en ik werden een keer uitgenodigd door de Russen. Ze voerden een hurkdans uit en vroegen ons tweeën mee te doen. De maat werd door de andere vrouwen aangegeven door in de handen te klappen en met de voeten te stampen. Er was ook een balalaika. Het tempo werd hoe langer hoe hoger. […] Terwijl de Russische dansen meer kracht uitdrukten, waren de Polen in hun mazurka stormachtig als de zee. […] Het meest heb ik genoten van de zigeuners. […] Het resultaat van ons initiatief was, dat er in de chaos weer wat orde kwam en een saamhorigheidsgevoel […].’

Toen ik klein was, vertelde ze mij deze verhalen met zo’n enthousiasme (ze deed zelfs de dansen voor) dat ik het begrip ‘concentratiekamp’ niet eens zo negatief duidde.

Soortgelijke herinneringen vind ik bij Van de Perre als ze in de uitzending een Engels gedicht noemt, dat ze leerde op school. ‘De vertrouwdheid gaf mij troost. Er waren ook gedichten van Rainer Maria Rilke die ik uit mijn hoofd kende en Nederlandse liedjes die ik in gedachten zong om mijn hersenen aan het werk te houden en mijn moreel hoog te houden. Ik stal wat papier, schreef ze op en verstopte ze. […] De menselijke geest heeft zulke dingen nodig anders gaat hij dood – en kleine daden van onafhankelijkheid en verzet hielden ons op de been.’

Even later lees ik van de Weense Cölestine Hübner die drie jaar in Ravensbrück heeft gezeten. In de tijd vóór de oorlog speelde ze gitaar en zong liedjes om haar droevig verleden te vergeten. Eenmaal in het kamp, wist ze een inbeslaggenomen gitaar te bemachtigen, waarmee ze vervolgens Weense liedjes zong. Niet alleen voor de SS, maar, stiekem, ook in het Block zelf. Een van de medegevangenen meldt later: ‘We hebben in de barak evenementen georganiseerd op zondag. We hebben wachtposten uitgezet, zodat de SS ons niet kon verrassen en hebben de mensen muziek gebracht. We hebben gespeeld en gezongen. Onze Tini Hübner en […] Mimi en soms ook ik, wij hebben zulke mooie Weense liederen gezongen en daarmee de mensen opgebeurd. Dat was dus een moment waar we werkelijk de mensen, dus degenen zonder hoop, hoop hebben gebracht.’

Uit al deze bronnen lees ik, dat een mens iets nodig heeft om in de diepste ellende te kunnen overleven. Iets dat haar en de medemens boven die ellende uit tilt. Dit kan niet alleen door het persoonlijk gebed, het bidden van de rozenkrans, bijbelbijeenkomsten en het vieren van de mis, maar ook door het herinneren en opschrijven van een gedicht, zingen in een koor, nieuwe liederen maken en dansen. Religie en religieus ritueel hebben hier zeker niet het alleenrecht.

Muziek maken ondanks alles.
Pasen 1945.
Ik begin iets te begrijpen.

Jan Marten de Vries is eindredacteur van dit blad.

Enkele bronnen:

Sabine Arend: Religiöse Praxis, in: Insa Eschebach (Ed.): Das Frauen-Konzentrationslager Ravensbrück. Neue Beiträge zur Geschichte und Nachgeschichte, Berlin 2014 (Forschungsbeiträge und Materialien der Stiftung Brandenburgische Gedenkstätten, Band 12), S. 175-198.

Corrie ten Boom: Gevangene en toch… – Herinneringen uit Scheveningen, Vught en Ravensbrück, Ten Have 1945.

Selma van de Perre: Mijn naam is Selma, Amsterdam 2020.

Jenneke Romkes: Cel 383, zing nog eens – een leven met de oorlog, Balans 1987.

Urszula Winska: Zwyciezyly wartosci -Wspomnienia z Ravensbrück, Gdansk 1985. Werkvertaling in het Duits, aanwezig in Bibliothek Mahn-und Gedenkstätte Ravensbrück.

< Terug