< Terug

Preekschets Handelingen 17:21

Handelingen 17:21

Alle Atheners nu en de vreemdelingen, die, zich daar ophielden, hadden voor niets anders tijd over dan om iets nieuws te zeggen of te horen.

Schriftlezingen: Psalm 96, Handelingen 17:16-34; 1 Tess. 1

Serie

Dit is deel 3 van een serie preekschetsen van A. Noordegraaf over Handelingen. Zie ook:

  • Het eigene van de zondag

    Op deze zondag horen we hoe Paulus in dialoog en getuigenis de ontmoeting aangaat met de wereld van de heidense religie. Wij kiezen als invalshoek de terloopse opmerking van vers 21 over de spreekwoordelijke nieuwsgierigheid van de Atheners in relatie te brengen tot het goede Nieuws van het evangelie. De psalmlezing is gekozen met het oog op het thema van het nieuwe lied dat Gods daden bezingt. De lezing uit de brieven spreekt over de inhoud van de missionaire verkondiging onder de heidenen.

    Uitleg

    Athene, de stad van Socrates, Plato en Pericles, had in Paulus’ tijd zijn economische en politieke positie al lang verloren, maar bleef voor velen een cultureel en wijsgerig centrum, dat vele ‘Bildungstouristen’ (Roloff) aantrok. Paulus komt er niet als toerist, maar als apostel. Terloops horen we van een contact met de synagoge, maar het accent valt op de ontmoeting op de markt en de Areopagus. Daar raakt de apostel diepgaand in gesprek met de culturele elite van die stad, die in Paulus één van de vele religieuze propagandisten ziet, een verkondiger van vreemde goden – Nota bene: het feit waar destijds Socrates van beschuldigd was. Men wil wel eens weten wat deze ‘kletskous’ (Lindijer) te zeggen heeft. Lucas laat in vers 21 zien dat zij niet door openheid voor de boodschap gedreven worden, maar door hun zucht naar de laatste nieuwtjes, Verschillende uitspraken uit de antieke literatuur bevestigen de opmerking van Lucas. Zo lezen we in een roman van de Griekse schrijver Charito: ‘Maar de nieuwsgierigheid van de stad behaagde Theroon niet; want zijn jullie de enigen die niet horen van de bemoeizucht van de Atheners? Het is een volk dat praatziek en tuk op processen is’ (gec. bij Lindijer, p. 128; zie voor andere voorbeelden Conzelmann bij Hand. 17:21).

    Zo’n motivatie belooft voor een echte dialoog weinig goeds. Toch gaat Paulus deze aan. Uit zijn houding blijkt diepgaande belangstelling voor de mensen. Hij heeft zijn ogen in Athene goed de kost gegeven (vs 16, 22). Hij weet wat zijn hoorders bezighoudt en spreekt hun taal (vgl. het Aratus-citaat in vs 28 en de verschillende reminiscenties aan de Griekse filosofie). Toch is hij geen neutrale waamemer. Paulus kijkt met de ogen van een Israëliet, die leeft bij het eerste gebod. Verontwaardiging en toorn vervullen zijn hart (vs 16). Hij is ‘bitter gestemd’ (parooxuneto, vgl. 15:39) bij het zien van de vele godenbeelden en religieuze praktijken. ‘De ontsteltenis moeten wij niet vergeten als wij hem straks op zo’n rustige wijze zijn rede horen uitspreken op de Areopagus’, schrijft Hasselaar, die vervolgens vers 17 in nauwe aansluiting aan 16 uitlegt: ‘als een over de glorie der religie ontstelde mens sprak de apostel daarover in de Atheense synagoge met de joden (Beluisterde Schriftwoorden, ‘s-Gravenhage 1988, 199). Zijn verontwaardiging is geen uiting van trots of superioriteitsbesef, maar komt voort uit apostolische gedrevenheid; het is bitterheid om de verduistering van Gods liefde (Van Eck).

    Daarom gaat ze ook gepaard met missionaire bewogenheid. De dialoog is niet vrijblijvend, maar draagt een kerugmatisch karakter (vs 23, 30v.).

    Er is veel geschreven over de vraag of er in de Areopagusrede sprake is van een aanknopingspunt en een vorm van natuurlijke theologie. Voorzichtigheid is geboden. Roloff attendeert er op, dat hoezeer de apostel zich ook inleeft in de gedachtegang van zijn hoorders hij hen toch niet spaart. Paulus noemt de Atheners religieus (deisidaimonesterous), maar het door hem gebezigde woord sluit zowel vroomheid als bijgeloof in.

    Ook de verwijzing naar de altaarinscriptie: Agnoostooi theooi betekent geen erkenning van de heidense religiositeit. Het was vooreerst volgens Van Eck een bekend literair-didactisch procédé in de oudheid. Bovendien zegt de apostel niet ‘wie’ maar ‘wat (ho) gij dan, zonder het te kennen vereert’. Het gaat te ver om met Hasselaar te zeggen, dat Paulus ‘superieur voorbijgaat aan alle heidense overlevering en verering’ (ibidem). Zijn woorden geven blijk van een diep invoelingsvermogen met betrekking tot het religieus besef van zijn hoorders. H. Jonker (Theologische Praxis, Nijkerk 1985, 164) spreekt van een ‘insprekingspunt’, een inductief spreken vanuit de gedachtewereld van de Atheners.

    Het altaar voor de ‘onbekende god’ is voor de apostel een bres in het gesloten systeem van de Griekse godsverering. Het stelt de armoede van de religie in het licht. ‘Door die bres laat Paulus het licht van de bijzondere openbaring binnen vallen’ (Van Eck). De apostel denkt en spreekt vanuit Gods werken in deze wereld, in Israël en in Jezus Christus. Zo confronteert hij hen met de levende God, de Schepper en de komende Rechter en roept hij hen tot bekering.

    Voor de verbinding tussen opstanding en oordeel zie ook Handelingen 10:39vv. De tijden van de onwetendheid zijn voorbij. Nu is een nieuwe tijd aangebroken. Dat is het Nieuws dat Paulus verkondigt en elk mens voor de beslissing stelt. Opstanding der doden is voor de gecultiveerde Griek een onaannemelijke zaak, die bij de een de lachlust opwekt en voor een tweede aanleiding vormt om voorshands wat afstand te bewaren. Het gaat niet aan om te spreken van een mislukking. Lucas ziet het anders. ‘Wenn er den Abgang des Paulus “aus ihrer Mitte” betont schildert, so deutet er damit an: Versagt haben die Hörer!’ (Roloff). Er komen toch ook mensen tot geloof, zelfs een lid van de Areopagusraad.

    Aanwijzingen voor de prediking

    We kunnen niet zonder meer een is-gelijk-teken zetten tussen Areopagus van Athene en die van onze postmoderne samenleving. Bijna twintig eeuwen scheiden ons, waarin onze cultuur door een diepgaand secularisatieproces is heengegaan en God voor velen een vraag geworden is. Toch is ook in onze samenleving religiositeit bepaald niet passé. Daarom is de situatie van Handelingen 17 voor de gemeente van vandaag herkenbaar. Het zal er in de preek om gaan de gemeente duidelijk te maken wat de uitdaging van hedendaagse religieuze uitingen betekent voor de communicatie van het evangelie in gesprek en getuigenis. En vooral ook, dat de gemeente beseft dat de postmoderne tijdgeest haar eigen deuren niet voorbijgaat. De ‘nieuwsgierigen’ zitten ook in de kerkbanken. We zijn immers altijd kinderen van onze tijd.

    Dat te beseffen bewaart voor hoogmoedige distantie en kan het inlevingsvermogen versterken. De veelheid van gezichtspunten die in de perikoop aan de orde komen maakt het noodzakelijk dat we in de preek keuzes maken. Vanuit het gekozen uitgangspunt kunnen we de elementen van het verhaal ordenen rondom het thema: de ‘nieuwtjesjacht’ en het goede Nieuws. Ik noem enkele overwegingen:

    • De spreekwoordelijke nieuwsgierigheid van de Atheners heeft alles te maken met de culturele situatie: een stad die teert op de roem van het verleden, een stad van zoekers en nieuwsgierigen, tuk op de laatste modesnufjes op religieus gebied, een ‘kritisch heidendom’, dat tevreden is met afleiding, aldus J. Koopmans, (Kleine Postille,p.94). We komen het in andere vormen ook vandaag tegen in onze informatiemaatschappij. ‘Had vroeger het leven wel eens een tekort aan impulsen, nu krijgen we daarvan zoveel te verwerken dat we overprikkeld dreigen te raken’ (B. Rootmensen, Waar het op aankomt, Zoetermeer 1998, p. 134). We zijn voortdurend op zoek naar nieuwe ervaringen, nieuwe prikkels. De onzekerheid waarmee de Atheners blijkens het altaaropschrift in hun godsdienstig bestaan moesten leven, is ook vandaag aanwezig. De grote Verhalen hebben afgedaan. En wie vult het gat, dat zodoende geslagen is?
    • Het evangelie knoopt niet bij onze situatie aan, maar haakt er wel op in. De levende God laat zich aan geen mens onbetuigd. In Athene niet en vandaag niet. Soms ongedacht stuit je op flarden van het Woord, brokstukken van godsdienstig besef. Het vraagt een fijne antenne, een pastorale luisterhouding om dat te onderkennen. Vergelijk de houding van Paulus, die een voorbeeld is voor missionaire benadering ook vandaag.
    • Aan zoekers en nieuwsgierigen predikt de apostel de boodschap van de levende God waarbij hij als het ware in de huid van de ander kruipt. De apostel spreekt hun taal. Hij wordt in echte solidariteit de Grieken een Griek. De liefde van Christus is ook op de Areopagus de drijfveer.
    • In de boodschap van Paulus gaat het om het grote en goede Nieuws , dat onze wereldse wijsheid doorkruist. Het is schokkend nieuws in die zin, dat het mensen toen en vandaag wegroept van de afgoden naar de levende God, de Schepper, de Heer, de Rechter. Het is ook een ongehoorde boodschap. De religieuze en wijsgerige cultuur wordt betiteld als schuldige onwetendheid. Het evangelie is de grote storing in ons religieus en ideologisch denken.
    • Maar zó juist is het ook bevrijdend nieuws. De opstanding van de Messias Jezus, zijn verhoging en zijn komst ten oordeel geven een stervende wereld uitzicht op de nieuwe Tijd van Gods aanbrekend koninkrijk. Het is het perspectief van Psalm 96, het nieuwe lied over de heerschappij van JHWH over alle volken, goden en machten en zijn komend oordeel.
    • Intussen stelt dat elk mens wel voor een beslissing. Het evangelie drijft een wig door de wereld, zoals het slot van de perikoop laat zien. Er moeten wat verzetshaarden (spot, vrijblijvend afwachten, onverschilligheid, consumptisme enz.) overwonnen worden! Ook voor het gehoor op de Areopagus geldt dat het evangelie voor wijzen en verstandigen verborgen is, maar aan kinderen is geopenbaard (Mat.11:25).

    Liturgische suggesties

    • Liederen Psalm 67; 96; 98
    • Gezang 86; 163; 279; 300
    • Zingende Gezegend 81

    Literatuur

    Commentaren van Conzelmann (Handb. z. N.T), Lindijer (Pred. N.T.), Pesch (EKK) Roloff (NTD) en Stählin (NTD). Daarnaast is dankbaar gebruik gemaakt van een artikel van J. van Eck, ‘In gesprek met het heidendom’, in: Wapenveld, jaargang 42, nr.6, 1992, p. 131-136.

    < Terug