< Terug

Profetie of apocalyptiek

Bij Openbaring 6

In de periode na de Babylonische gevangenschap begint uit de profetie de apocalyptiek te ontstaan. De eerste sporen ervan vinden we bij onder anderen Ezechiël en Daniël. De profetie, en later de rabbijnse traditie, stelt het handelen van een enkeling en de gemeenschap als beslissend voor de toekomst centraal. In de apocalyptiek zijn historische gebeurtenissen niet veranderbaar. De uiteindelijke verwachtingen zijn gericht op de opheffing van de historische werkelijkheid.

De apocalyptiek richt zich alleen tot de enkeling die ook om omkeer gevraagd wordt, maar alleen om aan het heil van een van tevoren vastgelegde toekomst deel te hebben en om de komende onvermijdelijke verschrikkingen van de geschiedenis in stand te kunnen houden. De profetische voorstelling maakt plaats voor meer bovenhistorische en kosmische voorstellingen. Dat betekent niet dat de denksystemen absoluut gescheiden zijn. Zoals gezegd zijn de eerste sporen al bij sommige profeten te vinden. Maar er zijn steeds weer tijden waarin de apocalyptiek behoorlijk de overhand krijgt, zowel in joodse als christelijke kringen.1

Apocalyptische boekrol

Zo’n tijd was bijvoorbeeld de periode na de val van de Tweede Tempel en het bewind van de Romeinse keizer Vespasianus. Voor christenen kwam er nog bij dat de gruwelijke dood van Jezus nog niet zo lang geleden was. Openbaring 5 begint in de hemel, waar God op zijn troon zit en een boekrol met zeven zegels in zijn armen houdt. Deze moet kennelijk geopend worden. De boekrol is een toespeling op de boekrol van de Tora die Gods grote bevrijdingswerk uit de Egyptische slavernij bevat. In deze apocalyptische boekrol gaat het ook om bevrijding. Niet iedereen kan hem openen. Het moet iemand zijn die bereid is voor Gods bevrijdingsproces zelfs een gewelddadige dood op zich te nemen. In Openbaring 6 zwaait de camera naar de aarde en worden we deelgenoot gemaakt van de manier waarop de apocalyptiek de bevrijding ziet.

De vier ruiters

Als eerste verschijnt er een ruiter op een wit paard. Hij krijgt de insignia van de macht: een kroon en een boog. De kroon maakt hem tot aanvoerder. De boog zet hij in om anderen te overwinnen. Ook de kleur van het paard wijst hier op macht (zie Openbaring 4,4). De volgende ruiters laten zien dat de eerste ruiter zijn macht misbruikt. Er komt een bloedrood paard. De ruiter krijgt de macht om de vrede van de aarde weg te nemen. Net als Farao die bij de eerste vijf plagen omkeer had kunnen doen, zou de ruiter geen gebruik hoeven te maken van zijn zwaard. De mens is dus nog steeds vrij in zijn beslissingen. God grijpt niet in, maar is het er beslist niet mee eens, zoals het openen van het zesde zegel straks laat zien. De derde ruiter zit op een zwart paard. De weegschaal wordt gemanipuleerd en symboliseert corruptie en inflatie die de armen van hun eerste levensbehoeften berooft. De vernietiging van de gemeenschap gaat door. De bittere consequenties van de imperialistische oorlog van de eerste ruiter worden zichtbaar in het vierde paard dat helemaal geen kleur meer heeft. Alleen pestilentie en dood blijven over, het tegendeel van Gods bedoelingen.

De slachtoffers en Gods antwoord middels de natuur

Met het vijfde zegel verandert het perspectief: dit alles overkomt blijkbaar de mensen, en de slachtoffers waren niet bij machte om iets te veranderen of zichzelf te redden. Zij krijgen witte gewaden, hier het symbool voor onschuld. Zij schreeuwen zoals de Israëlieten in Egypte naar God om hulp schreeuwden en zij stellen de eeuwenoude vraag naar gerechtigheid, naar herstel van recht en zelfs naar wraak. Zij kunnen het niet zelf, maar zij willen vrij zijn, de doden en de levenden.
Met het openen van het zesde zegel barst eindelijk Gods antwoord los. Eindelijk? Geweldige beelden en natuurverschijnselen maken duidelijk wat God ervan vindt. Iedereen, ongeacht zijn of haar positie in de maatschappij, rent om zich in spelonken en rotsen te verbergen: het meest solide materieel dat de aarde te bieden heeft. En dit vreeswekkende gebeuren is nog maar het begin. Nog reageert ‘alleen’ de natuur, zoals de natuur reageerde toen God bij de Sinai de Tora ging geven. Het is de voorbode van iets nog groters en verschrikkelijkers: de toorn van God en het ‘lam’. Maar als het zo doorgaat, worden daders en slachtoffers gezamenlijk vernietigd. Het bevrijdingsgebeuren in de apocalyptische voorstelling is gruwelijk en alomvattend.

De komst van de Messias

Volgens de Talmoed zei Rabbi Jochanan: de zoon van David komt pas in een generatie die in zijn geheel rechtvaardig is of in een die geheel verdorven is… Een generatie die geheel verdorven is, want er is gezegd: Hij zag dat er geen mens was en Hij was ontzet dat er niemand was die het (voor het volk) opnam; toen bevrijdde Hij hem met zijn arm en steunde hem met zijn gerechtigheid (Jesaja 59,19; Talmoed Bavli Sanhedrin 98a).
De profetie/de rabbijnse traditie heeft de hoop dat de mensheid het zo ver kan brengen dat er ooit een generatie zal zijn die geheel goed is, die de bevrijding zelf weet te bewerkstelligen. De Messias komt omdat het doel bereikt is. De apocalyptiek volgt meer de versie dat de mens niet in staat is om Gods doel te bereiken: het gaat met de schepping van kwaad tot erger en heel erg. Dan zal de Messias de bevrijding van buiten brengen.

We hebben gezien dat er ook in de apocalyptiek punten zijn waarop het tij gekeerd kan worden. Degenen die de macht hebben kunnen iets veranderen, maar als zij het niet doen, is er een punt van no return. Hieraan wordt duidelijk dat de apocalyptiek nooit compleet losstaat van de profetie.

< Terug