< Terug

Troost in het pastoraat

‘Hoe moet het eigenlijk, troosten?’, is de vraag die onder dit artikel ligt. Zo praktisch en herkenbaar mogelijk, met ‘Do’s & Don’ts’ wijst de schrijver richting aan wie in het pastoraat met rouw te maken krijgt – en wie is dat niet?

Vreemd eigenlijk, een heel nummer van het Ouderlingenblad over ‘troost’ en dan met de nadruk op ‘hoe moet het eigenlijk’. Zo moeilijk kan troosten niet zijn, zou je denken. In zekere zin zijn we toch allemaal ervaringsdeskundigen. Hebben we allemaal wel eens behoefte gehad aan troost en weten we (dus) hoe het moet of juist hoe het niet moet.

Toch blijkt troosten niet vanzelf goed te gaan. Menig rouwende voelt zich door ‘de kerk’ en daarmee al te vaak ook door God zelf in de steek gelaten. Reden genoeg om stil te staan bij hoe we (een beetje) kunnen troosten. Daarbij doen we er goed aan ons bij ons troostwerk niet alleen te richten op de meest voor de hand liggende rouwende (de partner), maar ook (pastoraal) om te zien naar andere betrokkenen (groot-)ouders, (klein-) kinderen. Zij worden (te) vaak aan hun lot overgelaten.

Hoe kan ik troost bieden?

De grote vraag is dan: hoe kan ik troost bieden? Naar mijn stellige overtuiging begint het er mee dat ik besef dat ik helemaal niets te bieden heb. Dat te aanvaarden is misschien wel het moeilijkste van troosten. Of je komt als vrijwilliger of als ‘beroeps’ doet daarbij weinig ter zake. Het ‘met lege handen komen’ komt niet voort uit een tekort van mij als trooster, maar is onlosmakelijk verbonden met troosten.

Daar waar de vrienden van Job beginnen met ‘het bieden van troost’ gaat het helemaal fout. Ze brengen Job tot de klacht: ‘Iets dergelijks heb ik al vaak gehoord, gij zijt allen jammerlijke vertroosters. Komt er geen einde aan de ijdele woorden?’ (Job 16:2-3) De dagen voordat de vrienden begonnen met hun ‘troost’ was het goed gegaan. Ze waren er ‘alleen maar’ geweest. Zonder iets te zeggen hadden ze ‘slechts’ de eenzaamheid van Job doorbroken, dat was heilzaam geweest. Toen ze daadwerkelijk troost wilden bieden begon de ellende.

Ze waren er ‘alleen maar’ geweest – daarmee de eenzaamheid doorbrekend

Eenzaamheid doorbreken

Zonder in het boek Job een complete handleiding voor troosters te willen lezen, raken we hiermee wel aan een belangrijke notie van verdriet en rouw. Verdriet maakt eenzaam en het is een zegen als die eenzaamheid even doorbroken kan worden. Die eenzaamheid bestaat als het ware uit meerdere lagen. De meest oppervlakkige herkennen we vrij gemakkelijk. Het is de klacht van iedere rouwende: ‘de bekenden die ik in de supermarkt zie, duiken voor me weg alsof ik besmet ben’. Blijkbaar vinden we het moeilijk met een rouwende om te gaan. Troost op deze laag is niet zo ingewikkeld. Het is de troost die velen van ons van huis uit meekregen: ‘doe maar gewoon dan doe je gek genoeg’. Praat zoals je dat ook zou doen als ‘de ramp’ niet had plaatsgevonden.

De tweede laag van eenzaamheid ligt dieper. Daarbij gaat het om existentiële eenzaamheid. Een eenzaamheid die niet zomaar is op te lossen en al helemaal niet door één keer per maand naar de koffieochtend van de kerk te komen. Het is de eenzaamheid van de rouwende die worstelt met de diepste vragen van het leven en niemand heeft die haar begrijpt. Na de zeven dagen die de vrienden van Job in stilte bij hem zaten, proberen ze antwoorden te geven op deze vragen van dood en leven en … brengen ze Job tot zijn jammerklacht.

Zo willen wij het niet doen, maar hoe dan wel? Vanuit die onzekerheid over wat we moeten zeggen (of zwijgen) laten we de ander aan haar lot – en haar eenzaamheid – over, of overschreeuwen we ons niet weten en misbruiken – als de vrienden van Job – de Bijbel en spreken ijdele taal, waarmee we de ander nog verder de eenzaamheid in praten. Op dat zeggen en zwijgen komen we verderop terug.

Eerst nog iets over misschien wel de lastigste laag van de eenzaamheid. Dat is de laag van de ‘gekozen’ eenzaamheid. ‘Ik zie niemand, ook de kerk laat me stikken, ja, gisteren stond de ouderling op de stoep, maar ik heb hem laten staan. Ik had er geen zin in. Er is toch niemand die mij begrijpt, ik wil helemaal niemand spreken.’ Naast onze eigen onzekerheden die ons parten spelen bij ons pastorale bezoek aan treurenden speelt ook deze afwerende houding van die ander vaak een rol.

Vervolgens vinden we het vreemd dat we niets meer horen…

Menig pastoraal werkende kent het gevoel van opluchting dat het pastorale bezoek door de rouwende werd afgewimpeld. ‘Ík heb m’n goede wil getoond, als ik niet welkom ben, prima.’ Misschien gooien we nog wel een kaartje met ‘sterkte’ door de brievenbus, met het verzoek even te bellen of te mailen als de ander het op prijs stelt dat we nog eens langskomen. Vervolgens vinden we het vreemd dat we niets meer horen.

Hoe kan ik werkelijk ontmoeten?

Laten we vooral niet te snel opgeven en blijven proberen de ander te ontmoeten. Net als steeds luistert het daarbij nauw. Wil die ander mij nu echt niet ontmoeten (waarom niet? ligt dat aan mij? zou het bezoek van een ander misschien meer op prijs worden gesteld?) of gaat onder de afwijzing van het contact een diep verlangen naar ontmoeting schuil? Laten we er vanuit gaan, dat we zover zijn gekomen dat we een afspraak hebben gemaakt en dat we op bezoek mogen. Wat moeten we dan zeggen, welk gedeelte uit de Bijbel kan ik eventueel lezen, moet ik bidden?

Voordat we ingaan op deze vragen is het goed om te luisteren naar wat de Vlaamse psycholoog en (emeritus) hoogleraar verliesverwerking Manu Keirse over troosten zegt. ‘Troost is niet het wegnemen, maar juist het mogelijk maken van verdriet. Niet het opwerpen van een dam, maar het aanbrengen van een bedding. Zodat het verdriet kan stromen. Zo opent het de toekomst en maakt verder leven mogelijk.’ Een betere omschrijving van het wezen van troost ben ik nog niet tegengekomen.

Steeds weer hoor ik verhalen van rouwenden over – allerlei goed bedoelde – pogingen de rouw weg te nemen, of om in het beeld van Manu Keirse te blijven, een dam op te werpen tegen het verdriet. Pogingen die soms zo onwerkelijk en schrijnend zijn, dat je er haast om moet lachen (sommige rouwenden kunnen er de humor van inzien en er de spot mee drijven). Je zult maar een weduwe zijn met vier jonge kinderen, en een ouderling op bezoek krijgen die zegt ‘gelukkig hoef je niet verdrietig te zijn, er is er Eén die al ons verdriet heeft gedragen’. Of iets minder vroom: ‘Ook al zie je het nu niet, blijf geloven dat achter de wolken de zon schijnt’.

Bedding geven aan verdriet

Zo zullen wij het waarschijnlijk niet zeggen, maar tegelijk kennen we allemaal dat gevoel dat we troost moeten brengen. Dat we iets van de blijde boodschap moeten laten horen en zo ‘een dam moeten opwerpen tegen het verdriet’. Al die troost die wij proberen in te zetten om het verdriet een halt toe te roepen werkt – al is het wat subtieler – als de troost van de ouderling hierboven. Het neemt het verdriet en daarmee de rouwende niet serieus. Het zijn ‘ijdele woorden’.

Troost is niet het wegnemen, maar juist het mogelijk maken van verdriet

Juist het ‘bedding geven aan het verdriet, het weer laten stromen’ geeft echte troost. Hoe vreemd het ook klinkt, de grootste troost ligt in het niet troosten. Om bij het beeld van het laten stromen van de rivier te blijven: geen dam opwerpen tegen het verdriet, maar juist die keien, die de stroom verhinderen, uit de weg ruimen. Daarbij ontkom je er als trooster niet aan dat ‘het water je over de schoenen loopt’. Als je samen met die ander probeert ‘een bedding aan te brengen’ voor die keiharde realiteit, kun je niet rustig op de kant blijven zitten om aanwijzingen te geven. Vlak bij die ander probeer je een (nieuwe) bedding te vinden.

De alledaagse praktijk

Hoe ziet dat er dan uit in de alledaagse praktijk? In ieder geval betekent het, dat ik er vanaf moet zien antwoorden/troost te bieden, om daarmee een dam te creëren tegen het verdriet. Dat lijkt misschien een beetje eng (wat moet ik dan zeggen?), tegelijk mag dat ook een enorme ontspanning geven. Ik hoef het ook niet te weten. Ik mag naar die ander luisteren en zo samen het verdriet laten stromen.

Uiteraard betekent dat niet, dat ik als psycholoog van de koude grond moet wroeten in het verdriet van de ander om zoveel mogelijk tranen op te roepen, maar ik mag vol aandacht luisteren naar het verhaal van die ander en dat voluit serieus nemen.

Daarbij mag ik weten van het Verhaal van de Ander, het verhaal dat eindigt met het visioen dat er eens geen verdriet meer zal zijn en dat Hij zelf al onze tranen zal afwissen. Dat Verhaal slik ik in het luisteren naar het verdriet en de pijn even in. Het vormt zomaar een verboden dam tegen het verdriet. Maar dat grote Verhaal geeft mij telkens weer moed om onbevangen naar die ander te luisteren, om niet bang te zijn voor ‘natte voeten’.

Veel troostrijker blijkt psalm 22 te zijn: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?

Voor het eventuele bijbellezen met de treurende geldt, net als voor al ons troostwerk, dat het moet dienen om bedding te creëren voor de stroom van het verdriet. Juist die (bijbel-)teksten die ruimte geven aan het verdriet blijken troostend. Het is heel verleidelijk Psalm 23 te lezen: Hij zorgt altijd voor mij, zelfs in dalen vol schaduwen van de dood. Maar daarmee wordt het verdriet heel gemakkelijk dichtgesmeerd, en werp je zomaar een dam op.

Veel troostrijker blijkt Psalm 22 te zijn: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten? Daarbij moeten we er dan natuurlijk ook bij deze Psalm voor waken hem te ge-/misbruiken om de zaak dicht te smeren. Het gebed mag een plaats zijn waarin we samen met de ander haar verdriet, pijn en onmacht neerleggen bij God. Opnieuw er voor wakend het gebed te misbruiken als dam die het verdriet moet stoppen.

Naschrift

Er is onnoemelijk veel geschreven over rouw, verdriet en troost. Het is voor mij onmogelijk alle auteurs te noemen aan wie ik inzichten heb ontleend. Naast de genoemde Manu Keirse moet ook Wim ter Horst genoemd worden als één van de reuzen op wiens schouders wij staan.

Jan Piet Vlasblom was, voordat hij docent werd aan de Christelijke Hogeschool Ede, lange tijd geestelijk verzorger in het Ikazia ziekenhuis in Rotterdam. Daarnaast was hij coördinator en als geestelijk verzorger werkzaam voor het Centrum Levensvragen Drechtsteden Gorinchem.

< Terug