< Terug

Een theocentrisch perspectief op wetenschap

Maandag, Theologenblog-dag. Deze week opent Guus Labooy de week met een reflectie op de scheiding tussen geloof en wetenschap, specifiek in relatie tot de psychiatrie.

Guus Labooy

“Heeft iets van Bonaventura zijn weg gevonden naar de moderne humanitaire waarden die worden verondersteld door de GGZ?”

Boedelscheiding tussen geloof en wetenschap

In mijn eerste blog over Bonaventura verwonderde ik mij over de eenheid van het leven bij deze contemplatieve Franciscaan. Bij ons is het leven in duizend postmoderne scherven uiteengevallen; bij hem stemt alles samen in een serene ultieme gerichtheid op God. Een gebied waar dit theocentrisch perspectief uiterst relevant is, is de huidige kloof tussen geloof en wetenschap.

Ik richt mij al jaren op een deelgebied daarvan: de verhouding tussen geloof en psychiatrie. Daarbij ontwaar ik meer en meer het inadequate van de boedelscheiding die men veelal onnadenkend accepteert. De werkelijkheid vraagt zelf om een theocentrisch perspectief, ook in de wetenschap. We komen het op het spoor via het motto van de middeleeuwers: credo ut intelligam, ‘ik geloof opdat ik mag gaan begrijpen.’

Echtbreuk

De relatie tussen existentiële thema’s en de GGZ is volop in de belangstelling. Existentiële vragen rond lijden, schuld, ‘moral injury’ bij veteranen, zingeving, ethiek en sterfelijkheid, schreeuwen om aandacht binnen de context van de GGZ. Tegelijkertijd overschrijden ze de grenzen van de GGZ als een zee bij een dijkdoorbraak.

Sinds ruwweg 1900 is er binnen de psychiatrie een soms felle emancipatie ten opzichte van haar christelijke bakermat gaande.

De psychiatrie heeft namelijk een complexe verhouding tot existentiële thema’s. Ze werden altijd overwegend vanuit de christelijke context benaderd, maar sinds ruwweg 1900 is er binnen de psychiatrie een soms felle emancipatie ten opzichte van haar christelijke bakermat gaande. Door dit huwelijksconflict zijn psychiatrie en christelijk geloof in een scheiding beland die zo diep is dat velen niet meer weten dat er überhaupt ooit een relatie is geweest. Zij zien de psychiatrie als een kind van een in hun ogen seculiere Verlichting. Zo is er ook bij de psychiatrie een boedelscheiding tussen geloof en wetenschap ontstaan.

De arts die nóg harder loopt

Ook christen-artsen ervaren het vak psychiatrie als iets neutraals, iets seculiers. Ik ben met enige regelmaat gevraagd om een lezing te houden over de vraag hoe je je als christen-arts onderscheidt (bijvoorbeeld voor Christian Medical Fellowship). Omdat artsen hun vak als neutraal ervaren, is het geëigende antwoord meestal: “Wij lopen een extra mijl met onze patiënten op.” Dat kan bijvoorbeeld door aandacht voor de geestelijke reis van de patiënt, of door heel bewust vanuit de liefde van Christus te werken – en zo vaak de plicht te voelen om nog harder te lopen voor je patiënten.

Hoe je hier ook over mag denken, de pure vakbekwame uitoefening van de professie wordt dus niet met de eigen identiteit als christen verbonden. Natuurlijk niet: een atheïst kan toch even goed werk leveren? Ik ga er zelf van uit dat dit zo is. Maar dat betekent nog niet dat het vak zelf zonder enige signatuur is. De hamvraag is: wie is er thuis en wie te gast? Is de christen te gast in het agnostische bolwerk van de neutrale wetenschap, of is de agnost of atheïst te gast in een cultuur én professionaliteit die opkomt uit de waarden en wetenschappelijke spin-off van het christelijk geloof?

Wie is er thuis en wie is er te gast?

Seculiere Verlichting?

Fundamenteel hierbij is inderdaad de vraag of de psychiatrie een product is van een als seculier geportretteerde Verlichting of dat haar wortels verder terugreiken. Ik denk dan aan twee voorwaarden voor het ontstaan van de moderne psychiatrie in de tijd van de Verlichting: humane waarden en empirische wetenschap. Zowel het besef van de intrinsieke waarde van ieder mens als de ontwikkeling van de empirische wetenschap zijn harde voorwaarden voor het ontstaan van de moderne psychiatrie.

Als deze beide factoren het product zijn van een als seculier geduide Verlichting, dan is de christen-arts al gauw te gast binnen de seculiere psychiatrie. Wanneer waarden en empirische wetenschap echter ontspruiten aan een veel oudere gestage doorwerking van de joods-christelijke traditie, ligt dat anders. Elders heb ik een pleidooi gevoerd voor deze laatste ‘continuïteits-these’.[1] In het verlengde daarvan wil ik pleiten voor een goede, congeniale relatie tussen psychiatrie en de joods-christelijke traditie. Dat opent dan ook de ruimte waarbinnen existentiële nood open gethematiseerd kan worden, dit overigens zonder andere religieuze overtuigingen hiermee te willen uitsluiten. Het christelijk huis is gastvrij.

Schroeder van der Kolk (1797-1862)

Ik kan in dit bestek niet aantonen dat de geschiedenis van de psychiatrie en proto-psychiatrie (ruwweg alles voor 1800) past bij deze continuïteits-these. Eén geschiedenis wil ik er echter uitlichten: het verhaal over de grondlegger van de Nederlandse psychiatrie, Schroeder van der Kolk.[2]

Schroeder deelde in het verlangen van zijn tijd om het lot van krankzinnigen te verbeteren en verstond het als zijn hoge roeping om hervormingen in te voeren – ook bouwkundige – die gericht waren op behandeling en genezing. Hij was een representant van de toen vigerende ‘zedenkundige behandeling’ en zijn paradigmatische hervormingen in het Utrechtse dolhuis in 1827 werkten door in de ontwikkeling van de psychiatrie in Nederland. Later werd hij overheidsadviseur en stond hij aan de wieg van de nieuwe krankzinnigenwet van 1841. Als pionier in microscopisch anatomisch onderzoek werd hij tevens grondlegger van de neurologie.

Materialisme als ‘een leer die mij alles ontneemt’.

Schroeder was ook een man van diepe vroomheid. Hij las zijn Bijbel met een romantische gloed en zag, overeenkomstig de geest des tijds, overal sporen van Gods hand – ja zelfs tot in de neuroanatomie. Zijn geloof werd wel beproefd: hij verloor twee echtgenoten en zes kinderen aan de dood. Maar ook goede studievrienden stierven jong: geneeskunde was door de infectieziekten toen nog een gevaarlijk vak! Schroeder waarschuwde al zijn studenten dat je dat nooit zou kunnen zonder geloof: zonder de belofte van de eeuwigheid kon je dit vak niet uitoefenen. Daarom was hij diep geschokt door die andere trend van de Verlichting: het opkomend seculiere materialisme. Hij zag het als ‘een leer die mij alles ontneemt’.

Geen conflict tussen geloof en psychiatrie

Voor mij is de betekenis van Schroeder niet dat zijn oeuvre bewijst dat er inderdaad een inhoudelijk verband ligt tussen geloof en het ontstaan van de psychiatrie. Ik wijs daarvoor liever, zoals betoogd, op het inhoudelijk verband tussen geloof en de gestage opkomst van wetenschap en moderne humanitaire waarden.

Figuren als Schroeder maken duidelijk dat je moeilijk kunt beweren dat psychiatrie ontstond zodra we het geloof afwierpen

Wel maakt zijn levenswerk het onwaarschijnlijk dat er een principieel conflict zou zijn tussen geloof en psychiatrie. Figuren als Schroeder en andere iconen als Guislain, Tuke en Willis maken duidelijk dat je moeilijk kunt beweren dat psychiatrie ontstond op het moment dat we de oogkleppen van ons obscurantistisch geloof afwierpen. En toch is dat de sfeer die we soms aantreffen als we de bladzijde omslaan naar de twintigste eeuw: het materialistische geluid wordt dan salonfähig. De grondlegger van de Nederlandse psychiatrie werd daarmee echter ‘alles ontnomen’.

Ik droom even verder: de krankzinnigen een beter lot geven, je dagelijks werk doen in de dreigende nabijheid van infectieziekten. Het doet denken aan Franciscus en zijn omhelzing van de leprozen. En zijn minrebroeders als een Bonaventura: heeft iets van hun geest de weg gebaand naar de moderne humanitaire waarden die worden verondersteld door de moderne GGZ?

Noten

[1] “Geschiedenis van de psychiatrie in relatie tot existentiële thema’s,” Psyche & Geloof 32/2 (2021): 93-106.

[2] Zie voor dit alles J. Vijsselaar en T. Bolt, J.L.C. Schroeder van der Kolk en het ontstaan van de psychiatrie in Nederland (Amsterdam: Boom, 2021).

Als je mijn vorige columns hebt gelezen weet je dat ik sporen van God ervaar in het leven en de muziek van Elvis en in de Nederlandse rapcultuur. Ik ga nog een stapje verder: God ligt op straat. Ik wil dat ook graag. Er bestaat geen scheiding tussen christelijke cultuur en wereldse cultuur. Ik ken het adagium ‘wel ín de wereld, niet ván de wereld,’ maar ik ben het er niet mee eens. Ik wil óók van de wereld zijn.

Herman M. van Praag is een fenomeen. Bevlogen, uitgesproken, maar bovenal dé grondlegger van de biologische psychiatrie in Nederland. In dit boek spreekt hij zich uit over het wonderlijke brein. Journalist Tjerk de Reus brengt in dit boek Van Praags denkwereld in kaart. De stand van zaken in de psychiatrie komt aan bod, evenals de vraag of de mens samenvalt met zijn brein, zoals hersenwetenschapper Dick Swaab beweert.

god religie en ons brein

< Terug