< Terug

Hoe voeren we het geloofsgesprek?

In dit themanummer over het geloofsgesprek eerst maar eens zoeken naar wat we bedoelen met ‘geloofsgesprek’. Wanneer is een gesprek nu een geloofsgesprek? Wat kan de bezoeker vragen? Hoe misschien een gesprek wat verdiepen? Met een aantal richtlijnen sluit dit artikel af.

Een huisbezoek

Wijkouderling Piet zit op de fiets naar huis. Hij is net op huisbezoek geweest bij Kees en Wil en hun twee kinderen van 10 en 13. Hij heeft er een goed gevoel over. Hij had leuk contact met de kinderen, die na de thee/limonade naar hun kamer gingen. Het was een ontspannen gesprek, over de school, het werk, wat er in de samenleving gebeurt en over de toekomstplannen van Kees en Wil. Ze waren heel open naar Piet toe, ook over hun zorg bij de schoolprestaties van de jongste en de spanning op het werk.

En toch knaagt er iets bij Piet. Ze hadden het helemaal niet over God gehad. Het was een fijn gesprek, maar was het wel een pastoraal gesprek?

Moet het dan niet ook over het geloof gaan? Piet zoekt in gedachten of hij op een goed moment het geloof had kunnen inbrengen. Tegelijk vraagt hij zich af of dat niet geforceerd was overgekomen op Kees en Wil. Of bij zichzelf?

Die vraag komt bij Piet op door de toerustingsavond.

In het boek dat ze gebruiken (Handboek voor pastors, p.15) stond een voorbeeld dat veel leek op zijn huisbezoek. Het boek was duidelijk: ‘Pastoraat staat of valt met het ter sprake brengen van God. Doe je dat niet, dan heb je misschien wel een goed gesprek, maar doe je niet aan pastoraat’.

Daarover ontstond een stevige discussie. Piet was het er wel mee eens, maar anderen zagen het anders.

De een zei: de verbondenheid met gemeenteleden onderhouden is ook geloofsopbouw. Dat had Piet die avond ook sterk ervaren. Een ander herinnerde aan Jakobus, dat je geloof moet tonen in je daden (Jakobus 2:18).

Pastoraat staat of valt met het ter sprake brengen van God

Geloofsgesprek

Achter de vraag van ouderling Piet speelt een diepere vraag: wat verstaan we onder een geloofsgesprek?

In het vervolg stellen we dat geloof op verschillende manieren een rol kan spelen in het pastorale gesprek. God ter sprake brengen is daar slechts één manier van. Om die variatie duidelijk te maken onderscheiden we eerst twee aspecten van geloven. Daarna laten we zien hoe die aspecten in een gesprek op twee verschillende manieren aan de orde kunnen komen. Zodoende kunnen we vier soorten geloofsgesprek onderscheiden. Tot slot verbinden we daaraan enkele richtlijnen voor het voeren van een geloofsgesprek.

De christelijke traditie maakt onderscheid tussen het geloof dat we geloven en het geloof waarmee we geloven. Het eerste is meer objectief en gaat over de geloofsinhoud (wat je gelooft). De een denkt daarbij aan de apostolische geloofsbelijdenis, een ander zegt: God is liefde. Bij die inhoud staat het hoofd centraal. Het tweede is meer subjectief en betreft de werking van het geloof op jouw beleving of handelen (hoe je gelooft). Daarmee zeg je iets over jouw gerichtheid op iets of iemand: ‘ik heb er alle vertrouwen in’ of ‘zij gelooft in mij’. Hier staat het hart centraal.

Bij zulke onderscheidingen moeten we wel bedenken dat de geloofsinhoud en de geloofswerking altijd samengaan. Het zijn twee kanten van dezelfde zaak.

Geloof is niet alleen kennis van geloofswaarheden, maar ook vertrouwen in de werking daarvan in het eigen hart en leven (Heidelbergse Catechismus, zondag 7). Maar met de onderscheidingen kunnen we enkele variaties van het geloofsgesprek zichtbaar maken. Beide kanten doen steeds mee, maar in het gesprek kunnen we de aandacht meer op het ene of het andere aspect richten.

Vier soorten geloofsgesprek

We passen het genoemde onderscheid nu toe op het gesprek. Het gesprek betreft de interacties (met woorden en gebaren) tussen de verschillende deelnemers. Het geloof kunnen we zien als een vertrouwensrelatie tussen de mens en God. Dat is de verticale dimensie van het geloofsgesprek. Daarbij worden zowel de kennis van Bijbel en geloof als de spirituele ervaring aangesproken. Het gesprek zelf veronderstelt ook een vertrouwensrelatie tussen de gesprekspartners. Dat is de horizontale dimensie.

Daarbij spelen sociaalpsychologische aspecten en gespreksvaardigheden een rol. Daarmee zorgen we voor een veilige ruimte. Bij zoiets intiems als geloof is dat een onmisbare voorwaarde.

Wanneer is een gesprek nu een geloofsgesprek? Als in de interactie tussen de gesprekspartners iets van de vertrouwensrelatie tussen de mens en God aan het licht komt. Dat lijkt me het doel van een geloofsgesprek. Zoals gezegd: dat kan gebeuren via de inhoud of via de werking van het geloof. Nu kan de inhoud van wat we geloven op twee manieren ter sprake komen: via geloofsvragen en in levensvragen. In het eerste geval is het geloof (Bijbel, God, kerk, bidden e.d.) het gespreksthema. We praten over geloof. Zo kan een kerkganger zich afvragen of de dominee een bijbeltekst in zijn preek recht heeft gedaan. Of een moeder van een ziek kind wil weten of bidden echt helpt.

In het tweede geval zijn levensvragen (lief en leed) het gespreksonderwerp. Zo vertelt Kees over de spanning op zijn werk met zijn leidinggevende. Hij vraagt zich af of hij steeds dienstbaar moet zijn, ondanks de overuren, of moet protesteren bij zijn baas?

Bij zulke levensvragen speelt geloof een andere rol, namelijk als perspectief, als een gelovige kijk op die levenservaring. We praten over het leven vanuit het geloof. Ouderling Piet had bijvoorbeeld kunnen reageren met: ‘ik kan me indenken dat je geloof ook een stem heeft in dat dilemma met je baas; hoe zie jij dat?’

De geloofsinhoud en de geloofswerking gaan altijd samen, als twee kanten van dezelfde zaak

De vertrouwensrelatie

De vertrouwensrelatie met God kan ook aan het licht komen via de werking van het geloof in ons leven. Dan wordt het hart meer aangesproken. Het gaat daarbij om twee bewegingen: van God naar ons en van ons naar God. Bij de eerste beweging werkt de vertrouwensrelatie met God in op hoe we met elkaar communiceren. Het geloof is niet een gespreksthema, maar wordt ervaren in de sfeer onder elkaar, de houding en de toon. We praten in geloof of op een gelovige manier met elkaar. En soms zwijgen we. Paulus wijst daarop: ‘Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen’ (Filippenzen 4:5). Hij ziet de onderlinge omgang als werking van het geloof dat de Heer onze vreugde is.

Het gesprek wordt geleid door de Geest: liefdevol, met geduld, zachtmoedig etc. (Galaten 5:22-26). Dat maakt het tot geloofsgesprek. Het is precies wat ouderling Piet tijdens zijn huisbezoek beleefde.

Bij de tweede beweging is de richting omgekeerd: ons gesprek leidt tot uiting van geloof en wordt zo geloofsgesprek. De geloofsbeleving krijgt vorm in gebed, liturgie of ritueel. Dat kan in verschillende vormen, denk aan de zondagse liturgie. We kunnen aan het begin van het gesprek een kaars aansteken als teken dat we met elkaar spreken in het licht van Gods aangezicht – waarover het ook gaat. Tijdens het gesprek kan de bezoeker in gedachten de nood van de ander noemen bij God, als een stil gebed.

Het kan ook gebeuren dat de ander de eigen nood klaagt als in een litanie en de bezoeker alleen maar zegt: ‘Heer ontferm U’. Of het gesprek loopt uit op een kleine liturgie, met bijbellezing, stilte en gebed.

Zo kunnen we God loven, dankzeggen of voorbede doen. Of het loopt uit op een tekst of gedicht om verwondering of juist verdriet te delen.

Richtlijnen

Uit de genoemde vier varianten leiden we tot slot enkele richtlijnen af om het geloofsgesprek op een passende manier te voeren. We willen daarmee de gesprekspartners bevrijden van de kramp dat zij God ter sprake moeten brengen.

1. De verticale dimensie van de vertrouwensrelatie met God betekent, dat God een relatie onderhoudt met elk van de gesprekspartners. Al lang voordat de bezoeker komt, is God met de ander op weg gegaan.

‘God heeft het eerste woord’. Er is al sprake van God.

De bezoeker weet niet hoe en komt als gast in die geschiedenis van de ander. Net als Filippus reist hij of zij een stukje met de ander mee op diens weg, met als doel samen met de ander te zoeken naar de sporen van Gods Naam in ons leven (Handelingen 8:31).

2. De horizontale dimensie van de vertrouwensrelatie herinnert eraan dat de gesprekspartners, ieder op een eigen manier, zijn opgenomen in het grotere verband van de christelijke traditie (tijd), en van een geloofsgemeenschap die ons omringt (ruimte).

Bij zoiets intiems als spreken over en vanuit geloof is een veilige ruimte onmisbaar

Onze band daarmee wisselt in de levensloop, maar het verband zelf blijft als gebinte van het geloof om ons heen. De ander heeft misschien afstand of afscheid genomen van die band, maar de bezoeker brengt het verband weer binnen de horizon. De vertrouwensrelatie biedt ruimte om de verbondenheid met elkaar te zoeken en ervaren, zoals Piet ervoer bij Kees en Wil.

3. Bij het gesprek over de inhoud helpt het om de rolverdeling in acht te nemen. Laat bij het gesprek over geloof de ander de agenda bepalen (‘wat wil je bespreken?’), maar voel je vrij om zelf het perspectief vanuit geloof bespreekbaar te maken. Dat kan door een reactie aan de ander te ontlokken, zoals Piets vraag aan Kees (‘hoe zie jij dat?’).

Het kan ook door een open vraag te stellen (‘Kees, mag ik je vragen of het geloof ook een rol speelt in je dilemma?’). Stel zo’n vraag wel met respect voor iemands autonomie (‘je bepaalt zelf wat je kwijt wilt’).

4. Ook de taakverdeling is belangrijk. Respecteer de eigen cultuur en taal van de ander, diens eigen karakter, levensgeschiedenis en situatie. In sommige delen van het land praat men niet zo snel over geloof; of op een andere manier. Bovendien kunnen geloofs- en levensvragen emotionele drempels opwerpen (verlegenheid, machteloosheid) of weerstand oproepen (ontwijken, verpakken in andere verhalen). Taak voor de pastor/bezoeker is zorgdragen voor vertrouwen en veiligheid.

Dan kan de ander het hart openen.

Dat hoeft niet altijd in woorden te gebeuren. Soms spreekt het hart zich uit in de stilte.

Reijer de Vries is emeritus predikant. Hij was tot 2020 universitair docent Praktische Theologie aan de Protestantse Theologische Universiteit, Amsterdam, met bijzondere aandacht voor pastoraat en justitiepastoraat.

< Terug