< Terug

Preekschets Habakuk 1:2,12

Habakuk 1:2,12

Hoe lang, Here, roep ik om hulp en Gij hoort niet;
schreeuw ik tot U: Geweld! en Gij verlost niet?
Zijt Gij niet vanouds, Here, mijn God, mijn Heilige…

Schriftlezingen: Habakuk 1; Jakobus 5:1-5; Matteüs 24:1-13

Serie

In een serie van drie preekschetsen werkt C. van Leeuwen drie teksten uit drie hoofdstukken van het bijbelboek Habakuk uit. Dit is het eerste deel, zie ook:

Het eigene van de zondag

In de ‘feestloze’ helft van het jaar is het goed wat minder bekende bijbelgedeelten aan de orde te stellen. Daartoe behoort het boekje Habakuk (afgezien van 2:4b). In drie schetsen komen drie aspecten in het boek Habakuk aan de orde: De klacht van Habakuk over sociale onderdrukking, Gods ingrijpen en Habakuks gebed (hfdst. 1), Gods verhoring: gericht over Israëls vijanden (hfdst. 2), Godsvertrouwen in een tijd van dreigende hongersnood (3:17-19).

Uitleg

Het boekje Habakuk begint met een klacht van de profeet over het onrecht en de ellende, de onderdrukking en de uitingen van geweld die in zijn dagen in Israël aan de orde van de dag zijn. Hoewel sommige exegeten de klacht betrekken op onderdrukking door buitenlandse vijanden, wijst vers 4 (‘de Tora verliest haar kracht’) veeleer naar sociale wantoestanden binnen het volk van God. Het oude godsrecht is verkracht, de zwakken -‘rechtvaardigen’ genoemd, mensen die in een goede relatie met God en de naaste leven en die dus het recht aan hun zijde hebben – die zwakken worden onderdrukt door goddelozen en zo heerst het recht van de sterkste (vgl. Jojakim volgens Jer.22:73vv.). Zulke sociale misstanden worden door vrijwel alle profeten aan de kaak gesteld, vóór en na de ballingschap, zowel in het noordelijke rijk (Am. 2:6-9) als in Juda (Jes. 1:16v.,23; Jer.7:5v.; Zach. 7:9vv.). Terwijl andere profeten de Israëlieten in Gods Naam concreet van zulke wandaden beschuldigen en er Gods oordeel over uitspreken, richt Habakuk zijn verwijten niet tot de boosdoeners, maar legt hij de wandaden voor aan God in een typisch oudtestamentische klacht met tonen van een klaaglied: ‘Hoe lang nog’ en ‘waarom’ (vs 3)? De klacht ‘Hoe lang nog’ (vgl. Ps. 6:4; 13:2v.;62:4;94:3) veronderstelt dat de profeet reeds herhaaldelijk bij God heeft aangeklopt over de almaar voortdurende daden van verdrukking en geweld. De uitroep ‘Geweld’ heeft een soortgelijke waarde als onze kreet ‘Help!’ Het was een roep uit het Oudisraëlitische recht. Wanneer iemand in grote nood of levensgevaar geraakte, was hij verplicht luide om hulp te roepen (vgl. het Oudgermaanse Zetergeschrei), en iemand die zo’n roep hoorde was verplicht te hulp te snellen (vgl. Ex. 22:22v; Deut. 22:23-27). Er zit dus in Habakuks klacht iets van verwijt aan Gods adres: Hij heeft zijn plicht verzaakt om de zwakken in de samenleving, uitgebuit en gewelddadig in hun leven bedreigd door de goddeloze machthebbers, te hulp te snellen om hen uit hun benarde situatie te redden. Iets van verwijt zit wellicht ook in het ‘waarom’ van vers 3.

In elk geval krijgt Habakuk deze keer antwoord van God. God zegt dat Hij het wrede leger van de Chaldeeën (= de Babyloniërs) zal zenden om Juda te tuchtigen voor al het onrecht en geweld dat er heerst (vs 5-11). Wellicht valt te denken aan de tijd van Jojakim, een koning die berucht is om de uitbuiting en zelfs het bloedvergieten van arme arbeiders (Jer.22:13-17), en die door de Babyloniërs tot vazal werd gemaakt.

Dit middel van tuchtigen leek Habakuk echter erger dan de kwaal. Hij had stellig gehoord van de gruweldaden die de Babyloniërs op hun veroveringstochten bedreven. Hun gewelddadige gedrag bij de verovering van andere landen deed hem ook voor Juda het ergste vrezen. In de dreiging van hun aanrukkende legers komt de profeet opnieuw tot God met een indringend gebed, dat ook nu tonen van een klaaglied heeft (‘Waarom…?’, vs 13b). De profeet is kennelijk in verwarring: Hoe kan God zo’n volk dat eigen kracht vergoddelijkt (vs 11) en nog meer ongebreideld geweld hanteert dan de Judese verdrukkers en dat al evenzeer het recht van de sterkste doet gelden, hoe kan God zo’n volk gebruiken als instrument om zijn eigen volk te tuchtigen? Terwijl Jeremia kennelijk zonder moeite kon aanvaarden dat God de Babylonische koning Nebukadnessar ‘mijn knecht’ noemde en gebruikte om zijn trouweloze volk te straffen, had Habakuk er kennelijk de grootste moeite mee dat God zo’n meedogenloze geweldenaar niet alleen zijn gang liet gaan, maar zelfs gebruikte om zijn oordeel over zijn volk te voltrekken. De profeet kan niet verwerken dat God de verhoring van zijn gebed op deze gruwelijke wijze laat plaatsvinden. Zo worden immers niet alleen de Judese onderdrukkers getroffen, maar worden ook de rechtvaardige slachtoffers opnieuw slachtoffers, nu van het geweld van buitenaf.

Hoewel deze manier van Gods ingrijpen de profeet verbijsterde, toch kon en wilde hij niet met Hem breken. Integendeel, opnieuw nam hij met zijn geschokte geloof de toevlucht tot de God die hij niet begrijpt en pleit hij op de trouw die Hij van oudsher aan zijn volk betoond heeft. In de benarde tijd van uitbuiting en verdrukking in Egypte heeft Hij zich immers al bekend gemaakt als de Here, ‘Ik ben die Ik ben’, de Getrouwe die er is als zijn volk in nood tot Hem roept (Ex. 3:13v.,7). Die Getrouwe belijdt Habakuk ook nu als ‘mijn heilige God’, een uiting van persoonlijke geloofsrelatie tegenover de vergoddelijking van de brute eigen kracht van de Babyloniërs (vs 17), maar ook een uiting van diep respect voor de Heilige, de Gans Andere, voor ons onnaspeurbaar in zijn wegen, maar tegelijk ver verheven boven alle onrecht en meedogenloos geweld (vs 13). Zo was Hij van oudsher, zo zal Hij voor altijd zijn en blijven, want ‘Hij sterft niet’, (zo i.p.v. de ‘verbetering’ van de Schriftgeleerden ‘wij sterven niet’). Hij is de onvergankelijke ‘Rots’, de betrouwbare beschermer van zijn volk. Waarom laat die grote en reine God dan toe dat de ‘trouweloze’ Babyloniërs, schijnbaar ongestraft, hun gang kunnen gaan in het opslokken van andere volken, zoals de Judeeërs, waaronder ook wel velen grof onrecht begaan (vs 3v.), maar die toch, in vergelijking met de verschrikkelijke wreedheden van de Babyloniërs, ‘rechtvaardig’, minder slecht zijn dan die veroveraars (vs 13), die voortdurend moorden onder de volken (vs 14-17)? Met die benauwende vraag blijft Habakuk tot aan het slot van hoofdstuk 1 zitten.

Aanwijzingen voor de prediking

De vragen die Habakuk in de zesde eeuw voor Christus dwars zitten zijn nog altijd actueel. Hoe kan God al het onrecht in de wereld toelaten? Waarom grijpt Hij niet in? Dat geldt van het sociale onrecht dat op grote schaal in vele landen van onze wereld gepleegd wordt. Uitbuiting en onderdrukking van maatschappelijk zwakken zijn niet alleen een intermenselijk kwaad, een zonde in het horizontale vlak, zij zijn tegelijk overtredingen van Gods heilige werk, zij ontwijden de heilige naam des Heren (Am. 2:7). Hoewel de schijn vaak anders is, God slaat wel degelijk acht op de ellende van verdrukten en met de dood bedreigden. Hij hoort hun klachten (Ex. 3:7,16), hun roepen dringt door tot in Gods oren (Jak. 5:4) en de afrekening komt! (Am. 3:10v.; Jak. 5:1).

Het geldt ook van politiek geweld: hoeveel machthebbers en dictators hebben in de loop der eeuwen en nog altijd in machtswellust volken onder de voet gelopen en de meest ongelooflijke misdaden tegen de menselijkheid begaan, tot genocide toe. Ook dat schijnt God ongestraft te laten begaan. Maar al die heersers uit het verleden zijn met hun macht te gronde gegaan en degenen die nog woeden, zullen ondergaan en onttroond worden (Hab.2:7v.; vgl. Jes. 10:12v.;21:9; 1 Kor. 15:24b).

Achter de klachten van Habakuk gaat het ten diepste om het probleem van het lijden en de tegenspoed van de rechtvaardige en de voorspoed van de goddeloze, zo als dat met name bij Job en bij de dichter van Psalm 73 aan de orde komt. Het probleem heeft tallozen gekweld. Menselijkerwijs is er voor de daarmee verbonden vragen geen antwoord en geen verklaring. Vrede en rust over die vragen vindt de tobbende mens alleen waar hij zich toevertrouwt aan God zelf in zijn heiligdom’ (Ps. 73:17) en zich als klein mens ‘buigt voor de grote God (Job 42:1-6).

Uiteindelijk gaat het om de vraag naar Gods regering, die voor ons zo mogelijk vaak nog ondoorgrondelijker is dan voor Habakuk. Zag Habakuk in de aanrukkende legers van Babylonië nog een straf van God over de sociale misstanden in Juda, wij kunnen niet meer zo gemakkelijk in oorlogen of andere rampen een straf van God over bepaalde zonden of wantoestanden zien, al waren er ook in onze eeuw nog voorgangers en kerkmensen die dat wel deden (b.v. bij de Duitse bezetting en de watersnood van 1953). Wij kunnen ons beter laten leiden door Jezus’ waarschuwing tegen zo’n lichtvaardige ‘verklaring’ van het verband tussen schuld en lijden, in Lucas 13:1-5 (vgl. Joh. 9:3).

Liturgische suggesties

Psalmen

  • 62: 2,5,6 (geen onrecht!)

  • 73 (der bozen voorspoed)

  • 74

  • 79

  • 94 (roep om recht)

  • 72:1,4

Gezangen (LB)

  • 21:2,5 (God verschaft recht)

  • 220

  • 285

  • 286

  • 294 (bede om recht en vrede)

Geraadpleegde literatuur

  • A.S. van der Woude, Habakuk-Zefanja, Pred. OT, Nijkerk 19852

  • C. van Leeuwen, Habakuk, Tekst en Toelichting, Kampen 1996

< Terug