< Terug

Preekschets Habakuk 2:1-4 – Israëlzondag

Habakuk 2:1-4 – Israëlzondag

Ik wil gaan staan op mijn wachttoren…
ik wil uitzien naar wat Hij tot mij spreken zal…
Toen antwoordde de HERE mij:
‘Schrijf het gezicht op…
.,.de rechtvaardige zal door zijn geloof leven’.

Schriftlezingen: Habakuk 2:1-11; Hebreeën 10:35-39 ; Lucas 18: 1-8

Serie

Dit is het tweede deel van een serie van drie van C. van Leeuwen over Habakuk. Zie ook:

Het eigene van de zondag

In de tweede schets van drie schetsen over Habakuk is vandaag, op de Israëlzondag, het tweede hoofdstuk aan de beurt. Het bevat Gods antwoord op Habakuks protest: belofte voor de rechtvaardige, oordeel over de meedogenloze Babyloniërs.

Uitleg

Als Habakuk zijn klacht, die tegelijk een protest betekent tegen Gods tuchtiging van Juda door middel van de nietsontziende Babyloniërs (1:12vv.), heeft uitgesproken, rekent hij op een weerwoord van God. Daartoe neemt hij plaats op zijn ‘wachttoren’ , zijn wachtpost. Deze term stamt uit de militaire wereld (Jes. 21:6vv.), maar werd in het oude Oosten, met name in Mesopotamië, ook gebruikt in cultische zin als plek die bestemd was om er een orakel van de godheid in te roepen. Habakuk had dus ook zo’n vaste plaats om er Gods openbaringen te ontvangen (in de tempel?). Die post betrekt hij, vol verwachting uitziend naar Gods antwoord (vgl. Mi. 7:7). Of dat antwoord spoedig dan wel na geruime tijd kwam (vgl. Jer. 42:7) horen wij niet, en toen God antwoordde was dat nog niet direct het weerwoord op zijn klacht. Dat volgt pas later (vs 4vv.). Eerst krijgt hij de opdracht het visioen, dat wat God hem zaI gaan bekendmaken, op schrift vast te leggen, het met duidelijke (= grote?) letters te griffen in ‘tafelen’, beter: ‘een grote plaat’ (van steen of metaal?), zodat leesvaardige voorbijgangers het ‘snel’ konden lezen (dat is hier blijkbaar met yārūş bedoeld).

Zo’n opdracht duidt erop dat het om een heel bijzondere openbaring gaat die voor latere dagen bewaard moest blijven (Jes. 8:1; 30:8; Jer. 30:2). Gewoonlijk moesten de profeten Gods boodschap immers mondeling overbrengen. Vers 3 geeft hier de reden aan van het schriftelijk vastleggen. De vertaling van NBG behoeft correctie. Men leze: ‘Want er is nóg een visioen betreffende de vastgestelde tijd, het ziet uit (pūah hi?) naar het einde en is onbedrieglijk…’ Na de eerste openbaring die Habakuk van God gekregen heeft (de aankondiging van de Babyloniërs als voltrekkers van zijn straf op de onderdrukkende Judeeërs) volgt nu ‘nog een visioen’ (zo vertale men ōd hāzōn), een tweede Godsopenbaring als antwoord op Habakuks tweede klacht, een openbaring die betrekking zal hebben op ‘de vastgestelde tijd’ en ‘het einde’, dat is hier: de tijd van Gods definitieve afrekening met de Babylonische wereldmacht. De vervulling daarvan kan nog wel een tijd op zich laten wachten, maar zal ongetwijfeld aanbreken. In de tussentijd mag de profeet vol verlangen naar dat ogenblik blijven uitzien. En als hij mocht gaan twijfelen dan is er de inscriptie op ‘de plaat’ ter herinnering aan Gods belofte, die niet vergeten mocht worden.

Dan pas volgt (vs 4v.) de inhoud van Gods openbaring. Ook hier menen wij van NBG te moeten afwijken. In het tweede woord van vers 4a heeft een overschrijver van de Hebreeuwse tekst blijkbaar de letters I en f (p) verwisseld en de pu’al vanāfal, ‘vermetel opgeblazen zijn’ geschreven in plaats van ālaf pu, in ‘machteloosheid bezwijken’. Dat laatste is in Gods weerwoord aan Habakuk bedoeld en geeft principieel antwoord op zijn essentiële probleem dat rechtvaardigen moeten lijden en vaak zelfs gedood worden door het gewelddadige onrecht van goddelozen. Dat was zo in Juda (1:4), dat was net zo toen de meedogenloze Babyloniërs Gods straf kwamen voltrekken. Welnu, zo zegt God, dat onrecht mag schijnbaar een tijdlang ongestraft kunnen doorgaan, er komt een tijd waarin God het tegendeel zal laten zien en zijn gerechtigheid zal zegevieren: op de dag van Gods gericht zal de onoprechte, de goddeloze, machteloos te gronde gaan en zal de rechtvaardige het leven mogen behouden door ‘zijn geloof’, beter: zijn trouw, zijn oprechtheid tegenover God en de medemens. Die trouw heeft hier tevens het aspect van ‘trouw vasthouden aan God en zijn woord’ en daarmee van ‘vertrouwen’, ook al wordt dat vertrouwen soms geschokt door onrecht in de wereld en in het persoonlijk leven. Die trouw en dat vertrouwen houden een mens en hielden ook telkens Israël staande in benarde tijden. Voor Habakuk heeft Gods antwoord natuurlijk in de eerste plaats betrekking op de wreedheden en verschrikkingen die de Babyloniërs hebben veroorzaakt. Dat staat met zoveel woorden in vers 5: die ‘vreselijke onderdrukker, trouweloze rover, overmoedige grootspreker, die mensen en volken verovert en onverzadigbaar opslokt als de dood’, is natuurlijk schildering van het gewelddadige Babylonië, dat in mateloze expansiedrift en machtswellust zich het ene volk na het andere toeëigende, en dat God – voor Habakuk onbegrijpelijk – had gebruikt als instrument om de uitbuiters in Juda te straffen.

In het vervolg (vs 6vv.), wordt vers 5 nader geadstrueerd en worden de gruweldaden van de Babyloniërs breed uitgewerkt en wordt met een reeks wee-woorden het oordeel over hen uitgesproken. Zo had Jesaja (10:5-19) Gods wee uitgesproken over Assyrië dat door God gebruikt was als tuchtroede voor zijn volk Juda, maar dat de grenzen van zijn roeping als instrument van straf in arrogante wreedheid schromelijk was te buiten gegaan. Zoals de tuchtroede Assur toen op zijn beurt hard door God moest worden getuchtigd, zo zal hetzelfde lot nu ook Gods tuchtroede B abel treffen.

Dat Habakuk de vervulling van de belofte, de ondergang van Babel, nog heeft meegemaakt, is niet waarschijnlijk. Het zou nog tientallen jaren duren, voordat Cyrus, koning der Meden, een eind maakte aan de macht van Babel (539 voor Christus). De profeet droeg echter al de jaren na zijn tweede visioen Gods belofte met zich mee en in uren van twijfel aan de vervulling kon hij zich, evenals zijn tijdgenoten en de volgende generaties, laten bemoedigen door het woord van Gods belofte, zoals het was vastgelegd op de grote plaat (vs 2). Dat woord gaf ook de kracht om het vol te houden en in gespannen verwachting te blijven uitzien naar het ogenblik waarop God recht zou doen.

Aanwijzingen voor de prediking

Habakuk had een vaste plaats om zich voor God open te stellen. Hebben wij ook zo’n plek en heeft het gebed in elk geval een vaste plaats in ons leven? De profeet wacht gespannen op Gods weerwoord op zijn klacht. Hij zet zich er bewust toe volhardend te wachten en te hopen op Gods antwoord. In dat opzicht lijkt hij op de weduwe uit Jezus’ gelijkenis van Lucas 18:1-8: zij bleef aankloppen tot zij gehoor vond. Op deze Israëlzondag is het goed erop te wijzen dat Israël het volk van de verwachting en de hoop is. In slagen en beproevingen (vaak door eigen schuld) heeft het telkens weer uitgezien naar Gods bevrijding. Die hoop kenmerkt Israël nog steeds, getuige zijn volkslied hattiqwā, ‘de hoop’. In Israëls voetspoor mag ook de kerk ‘het volk van de hoop’ zijn, uitziend naar het Rijk van gerechtigheid en vrede dat komt, en daarom met de oudste christenen biddend: ‘Maranata, kom Here Jezus’ (Op. 22:20).

God geeft zijn antwoord en laat dat woord van zijn openbaring schriftelijk vastleggen, graveren op een plaat, opdat Habakuk en het nageslacht zich eraan kunnen blijven vastklampen, ook als het beloofde lang op zich laat wachten (vgl. 2 Petr.3:3-7).Israël is ook het volk van het woord: het heeft Tora en profeten van God gekregen om daaruit en daarmee te leven (Ps. 147:19v.). Dat was voor Israël een kwestie van leven of dood (Deut. 30: 11 -20). En mogen de kerk en de christenen ook in dat opzicht niet in het voetspoor van Israël gaan, temeer omdat zij mogen geloven in het woord dat niet alleen schrift maar ook vlees is geworden?

Gods belofte recht te doen heeft uiteraard primair betrekking op de situatie in de tijd van Habakuk. Met de onoprechte die in machteloosheid zal bezwijken is uiteraard de Babylonische wereldheerser bedoeld en met de rechtvaardige die in leven zal blijven de getrouwe die de Babylonische wreedheden en Gods oordeel over de wereldmacht mag overleven. Zo verkondigde ook Jesaja zo’n anderhalve eeuw eerder aan koning Achaz in de dreiging van de Syro-efraïmitische oorlog dat alleen een vast vertrouwen op God de koning van de ondergang kon redden (Jes. 7:9b). De uitspraken van Habakuk 2:4 en Jesaja 7:9 (vgl. 20:15) hielden primair verband met concrete politieke situaties. Zij zijn echter zo geformuleerd dat zij als algemeen geldige geloofswaarheden konden worden geciteerd door Paulus (Rom. l:17; Gal. 3:11) en door de schrijver van de brief aan de Hebreeën (10:38). Voor Paulus is de rechtvaardige de christen die leeft uit de rechtvaardiging door het geloof in Christus’ heilswerk. In de brief aan de Hebreeën staan de woorden in een eschatologische context (10:37). Zij liggen daarmee in het verlengde van de profetie over ‘de vastgestelde tijd’ en ‘het einde’ uit Habakuk 2:3 (waar het uiteraard primair ging om Gods eindafrekening met Babel).

Liturgische suggesties

  • Psalm 27:4,7

  • Psalm 130:3,4 (wachten op God)

  • Psalm 56:1,3,4

  • Psalm 119:19,20,49,56,57 (Gods woord geeft hoop en licht)

  • Psalm 17:2,3 (trouw aan Gods woord)

  • LB Gezang 19 (wachten op God)

  • LB 279 (eindgericht);

  • LB 292

  • LB 297

  • LB 311:2 (einde van het kwaad), 7

  • LB 326

  • LB 329 (leven door het woord)

Geraadpleegde literatuur

  • A.S. van der Woude, Habakuk-Zefanja, Pred. OT, Nijkerk 19852

  • C. van Leeuwen, Habakuk, Tekst en Toelichting, Kampen 1996

< Terug