< Terug

Preekschets Habakuk 3:17-19

Habakuk 3:17-19

Al zou de vijgenboom niet bloeien, en er geen opbrengst aan de wijnstokken zijn,
de vrucht van de olijfboom teleurstellen; al zouden de akkers geen spijs opleveren,
de schapen uit de kooi verdreven zijn en er geen runderen in de stallingen zijn,
nochtans zal ik juichen in de Here, jubelen in de God van mijn heil.
De Here, de Heer, is mijn kracht:
Hij maakt mijn voeten als die der hinden, Hij doet mij treden op mijn hoogten.

Schriftlezingen: Habakuk 3:17-19; Romeinen 8:31-39; Matteüs 6:25-34

Serie

Dit is het derde en laatste deel van een driedelige serie preekschetsen over Habakuk van de hand van C. van Leeuwen. Zie ook:

Het eigene van de zondag

Vandaag is de laatste van de schetsen over Habakuk aan de beurt: het slot van het boekje, dat over een geheel ander thema blijkt te handelen dan het voorafgaande. Ging het daar over onderdrukking door machthebbers in Juda (1:2-4) en door Babylonische geweldenaars, nu horen wij een lied van vertrouwen in een tijd van agrarische nood.

Mogelijk leent deze schets zich ook voor Bid- of Dankdag in economisch ongunstige tijden.

Uitleg

Het laatste hoofdstuk van Habakuk staat onder het hoofd ‘gebed van Habakuk’. In dat gebed spreekt hij uit dat hij met ontzag vervuld is over Gods glorierijke ingrijpen tot redding van zijn volk (3:13), waarover hij bericht heeft gekregen (3:2) en dat hij voor zijn geestesoog zich zag afspelen. In 3:16 vertelt de profeet dat hij na het zien van Gods optreden tegen de vijand van zijn volk zo van streek was door de schokkende gebeurtenissen daarbij, dat hij sidderde en beefde en er in merg en been door beroerd was. Onmiddellijk daarna spreekt Habakuk volgens de overgeleverde tekst een woord van vertrouwen uit: ‘(toch) zal ik de dag der benauwdheid rustig afwachten’. Het woordje ‘toch’ ontbreekt echter in de Hebreeuwse tekst. Daarom lezen sommigen met een kleine tekstwijziging ē’ānaḥ i.p.v. ānūaḥ): ‘Ik zucht om de dag der benauwdheid’. Handhaaft men de overgeleverde tekst, dan is de overgang van vers 16b naar het slot (vs 17-19) aannemelijker. Vers 16b is immers een uiting van vertrouwen ondanks de verschrikkingen die bij het oordeel over de Babylonische wereldmacht zullen losbreken (al zouden die nog decenniën lang op zich laten wachten) en ondanks vijandelijke aanvallen in de tijd van de profeet.

De verzen 17-19 volgen dan als uiting van vertrouwen in een tijd van schaarste en misoogst. Toch blijft het verband wat vreemd. Vers 16b heeft betrekking op de politieke situatie, de verzen 17-19 op een slechte toestand in landbouw en veeteelt. Men kan proberen de twee met elkaar in verband te brengen door de toestand in vers 17 toe te schrijven aan de vijandelijke overvallen waarvan vers 16 spreekt. Daarbij zouden dan de vruchtbomen en het koren vernield en het vee geroofd of gedood zijn. Van zulke vernielingen gewaagt vers 17 echter niet. Wellicht is het slot van Habakuk pas in een later stadium met het voorafgaande verbonden. De liturgische aanwijzingen aan het begin (‘op šigyōnōt) en aan het slot van Habakuk 3 (‘ter begeleiding met snarenspel’) wijzen erop dat het hoofdstuk later in de cultus van Israël is gebruikt als lied van de gemeente, wellicht bij het herfstfeest. Dan werden zowel Gods overwinning op de vijanden van zijn volk als zijn zegeningen in landbouw en veeteelt bezongen. Dat zou de verbinding van de twee delen kunnen verklaren.

Tijden van dreigende hongersnood, meestal ten gevolge van grote droogte (Jer.14; Joël 1:10-12; Hag. 1:10v.), maar soms ook ten gevolge van een sprinkhanenplaag (Joël 1:2-9) kwamen herhaaldelijk in Israël voor. Zo’n tijd suggereert ons tekstgedeelte: een tijd waarin geen vijgenboom bloeit en men dus de zoete vruchten ervan moet missen; de wijnstokken dragen geen druiven en dus komt er geen wijn, de gewone drank bij de maaltijden, maar ook ontbreekt dan de fleur en vreugde in het leven; de opbrengst van de olijfboom is teleurstellend en dus is er geen olie die nodig is voor maaltijden en offers en geen olie om licht te ontsteken en zich te zalven tegen zonnebrand en wonden; er groeit geen graan en dus kan er geen brood worden gebakken en is een hongersnood te verwachten; er zijn geen schapen en runderen meer en dus geen wol voor de nodige kleding, geen melk en geen vlees, kortom, het is een beeld van grote ellende dat oprijst. In zo’n situatie zou men een klacht of een indringend gebed verwachten. Maar nee, de dichter heft vol vertrouwen een loflied aan op God, de Schepper en Onderhouder, de enige van wie hij uitredding uit de misère en nieuwe zegeningen voor landbouw en veeteelt verwacht, al is daar nu nog niets van te zien.

De bewoordingen van het vertrouwenslied zijn alle ontleend aan Israëls liturgische traditie. Veel psalmisten getuigen van het jubelen of juichen in God (o.a. Ps. 81:2; 95:1,2; 100:1), omdat zij uit Hem vreugde en kracht putten. De psalmen spreken ook van ‘de God van mijn heil‘ (o.a. Ps. 25:5; 27:9), omdat Hij alleen redding en hulp kan geven in alle nood, hetzij veroorzaakt door vijanden (Hab. 3:13), hetzij door honger en gebrek (Ps. 33:19v.). Treffend zijn de parallellen met Psalm 18 (2 Sam. 22), waar de Here God niet alleen ‘God van mijn heil’ wordt genoemd (Ps. 18:47), maar ook ‘mijn sterkte’ (Ps. 18:2; Hab. 3:19: ‘mijn kracht’) en ‘die mij met kracht omgordt’ (Ps. 18:33), ‘die mijn voeten maakt als die der hinden’ en ‘die mij doet staan (Hab. “treden”) op mijn hoogten’ (Ps. 18:34; Hab. 3:19). Het zijn alle door de liturgie gestempelde termen, die de dichter van Habakuk kennelijk ontleend heeft aan de Psalmen. In de citaten uit Psalm 18 wordt tot uiting gebracht:

  • dat de Here, de verbondsgod van Israël, de nodige kracht geeft om zelfs een hongersnood te doorstaan,

  • dat Hij zoveel innerlijke moed geeft dat de zijnen lichtvoetig als een hinde zelfs in de grootste misère opgewekt hun levenspad kunnen vervolgen,

  • dat God de zijnen kracht geeft om ook door het diepste dal heen er weer bovenuit te komen.

De uitdrukking ‘Hij doet mij treden op mijn hoogten’ stamt uit de Kanaänitische mythologie, waar de godheid zijn voet als teken van overwinning zet op de hoogten, dat is: op de rug van het monster ‘aarde-onderwereld’. In het Oude Testament staan de woorden ‘die treedt op de hoogten der aarde’ voor God die de krachten van de schepping beheerst (Am. 4:13) of zegevierend verschijnt om gericht te oefenen (Mi. 1:3). In Deuteronomium 33:29 belooft God met deze uitdrukking de overwinning over Israëls vijanden. Aan het slot van Habakuk is de overwinning over alle nood bedoeld, als de dichter zijn uitingen van Godsvertrouwen afsluit met: ‘Hij doet mij treden op mijn hoogten’.

Aanwijzingen voor de prediking

Het boek Habakuk, dat begint met een klacht, eindigt met uitingen van sterk vertrouwen. In vers 16 kan de profeet ‘rustig afwachten’ te midden van vijandelijke aanvallen. In de loop van zijn twistgesprekken met God zijn de klachten van de profeet verstomd en heeft hij zijn vertrouwen in God herwonnen, vooral na de belofte van2:4 dat God eens het recht op aarde zou herstellen en Hij het opneemt voor zijn ‘rechtvaardigen’. Bij die vertrouwensuiting sluit het in Israëls liturgie toegevoegde 3:17-19 aan, waar de dichter zich in een ‘dure tijd en hongersnood’ met sterk geloofsvertrouwen juichend toevertrouwt aan de God van zijn heil (vs 18), dat is voor hem de Here, de trouwe verbondsgod die beloofd heeft ‘er te zijn’ voor zijn volk, juist in de grootste nood (Ex. 3:14). Van Hem alleen verwacht de dichter zijn uitredding uit de nood, zijn ‘heil’, een woord yeša’) dat voor de christen de naam Jezus oproept. In Hem heeft God zijn heil doen vlees worden en met Hem wil Hij ook alle dingen schenken die voor ons bestwil dienen en bovenal het vertrouwen dat geen nood hoe groot ook, ja ‘niets’ ons kan scheiden van de liefde van God in Christus (Rom. 8:31vv.).

In Jeremia 14 worden droogte en hongersnood geweten aan Israëls afdwalen van God, in Haggaï (1:3vv.) aan nalatigheid bij de tempelbouw. In Habakuk wordt geen verband gelegd tussen de noodsituatie en eventueel begane zonde. In dat opzicht kunnen wij daarmee wellicht wat beter uit de voeten. Bij de vreselijke hongersnoden die telkens in de wereld woeden kunnen wij moeilijk stellen dat die rampen een straf op speciale zonden zouden zijn. Ook hier is een verwijzing naar Jezus’ woord in Lucas 13:1-5 op zijn plaats. Veeleer zijn zulke noden een appèl op ons hart en onze hulp metterdaad.

Liturgische suggesties

  • Psalm 27:1,3,7; 118:5-7 (mijn heil en kracht); 33:7,8; 145:3,5,6 (vertrouwen op Gods zorg); 100 (juichen)

  • LB – Gezang 403; 427; 429; 432; 433 (vertrouwen)

Geraadpleegde literatuur

  • A.S. van der Woude, Habakuk-Zefanja, Pred. OT, Nijkerk 19852

  • C. van Leeuwen, Habakuk, Tekst en Toelichting, Kampen 1996

< Terug