< Terug

Preekschets Joël 3

Elfde zondag van de zomer

Daarna zal zich dit voltrekken:
Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.
Jullie zonen en dochters zullen profeteren,
oude mensen zullen dromen dromen,
en jongeren zullen visioenen zien;
zelfs over slaven en slavinnen
zal ik in die tijd mijn geest uitgieten.
Dan zal ik tekenen geven
aan de hemel en op aarde:
bloed en vuur en zuilen van rook,
de zon verandert in duisternis
en de maan in bloed.
Dan komt de dag van de HEER,
groot en ontzagwekkend.
Dan zal ieder die de naam van de HEER aanroept ontkomen:
op de Sion, in Jeruzalem, is een toevlucht te vinden,
zoals de HEER heeft beloofd;
ieder die hij roept zal worden gered.

Schriftlezing: Joël 2,18 – 3,5 en 4,18 – 21
Dit is deel 3 van 3 delen, zie ook deel 1 en deel 2

Het eigene van de zondag

In de vakantie heb je je losgemaakt van je werk. In deze tijd kijken we vooruit naar een nieuwe start. Jhwh neemt ons mee op zijn weg. We gaan de goede kant op. Hij laat ons heel ver vooruit kijken, tot voorbij het oordeel.

Dit is de laatste van drie preekschetsen over teksten uit Joël. In deze schets zoek ik een focuspunt voor Joël 2,18-4,21. Ik zie dat als een geheel. Let op: in sommige bijbelvertalingen wordt een andere hoofdstuktelling aangehouden dan in de NBV.

Uitleg

Het is vaak verkeerd begrepen (ook de NBV heeft het toekomstig vertaald), maar in 2,18-19a schrijft Joël een stukje geschiedenis (zie Van Leeuwen en Talstra). Hij vertelt dat Jhwh het heeft opgenomen voor zijn land en zich heeft ontfermd over zijn volk. Er is een eind gekomen aan de plaag, de ‘sprinkhanen’ zijn niet teruggekomen. Op instigatie van de profeet heeft het volk zich kennelijk met een dringend verzoek om ontferming bij God gemeld, en hij heeft de dreiging laten weggaan.

Het woord dat Jhwh tot Joël heeft gesproken is daarmee niet uitgeput. Integendeel, het grootste deel komt nu: de beloften voor Juda, Israël en de volken die Jhwh vastknoopt aan de vernieuwde verbondenheid. Joël geeft ze door en is vanaf dit moment een stuk zuiniger met zijn profetische commentaar dan in zijn inleiding (1,2-2,17).

Dit deel van het boekje is op een bijzondere manier opgebouwd:

1. Eerst geeft Jhwh royaal herstel van de ramp die het land van Juda heeft uitgemergeld, 2,19b-27. Er komt regen en nieuwe groei, bloei en vrucht. In dit pakketje beloften komt ook de onthulling mee van de identiteit van ‘de zwermen sprinkhanen’ uit 1,4 en ‘het grote leger’ van Jhwh uit 2,2b-11 (2,25). Dat was ‘de vijand uit het noorden’ (2,20). Daarbij denk ik aan het Assyrische leger dat een eind maakte aan het Tienstammenrijk met de belegering en verwoesting van Samaria in 725-722 v.Chr.

2. Dan begiet Jhwh heel het volk met zijn geest (3,1-2) en gaat het met de wereld richting ‘Dag van Jhwh (3,3-5). Jhwh zet in deze periode Sion als nooduitgang open voor ieder die een beroep op hem doet.

Joël 2,19-3,5 zie ik als een overzicht in vogelvlucht van de periode vanaf het herstel van de vruchtbaarheid van het Judeese land. 3,1-5 vertelt panoramisch wat er na het opheffen van de droogte in Juda gebeurt: de uitstorting van de Jhwh’s geest tot aan de finale van de geschiedenis.

Met de tijdaanduidingen in 4,1 zet Joël daar de klok gelijk met 2,19b: 2,19b-3,5 en 4,1-21 beginnen in dezelfde tijd. Deze gelijktijdigheid is ook af te lezen uit 3,3-4a // 4,15; 3,4b // 4,14a; 3,5 // 4,16 en 2,27 // 4,17. In 4,18-21 sluit Joël af met een terugblik, met daarin verzekering van wraak op Edom en Egypte, volken in het zuiden die onschuldig bloed van Juda hebben vergoten.

Gezien deze parallellie kunnen we voor de preek insteken bij hoofdstuk 3, en van 2,19-27 en 4,1-21 gebruik maken als illustratie. In hoofdstuk 4 geen nieuwe ontwikkelingen, wel in retrospectief en indirect extra informatie over wat buurvolken mensen uit Juda en Israël hebben aangedaan in de tijd van Assyrië’s afstraffing van het Tienstammenrijk. Op de achtergrond mag je een stroom vluchtelingen uit het tienstammenrijk vermoeden die uitwijken via de zee, Gaza, Tyrus en Sidon, of over land in zuidelijke richting een goed heenkomen zoeken in Juda, maar ook in Edom en zelfs in Egypte.

Door de beloften van deze hoofdstukken loopt de rode draad van Jhwh die op de Sion woont: 3,5; 4,16-17.21c, en zijn mensen – en ‘ieder die Jhwh om hulp vraagt’ ook uit de tien stammen en de volkenwereld – daar een veilig onderkomen biedt: 3,5; 4,16bc.20. Daarnaast worden buiten de stad, in een tot rechtbank en gevangenis omgedoopt dal (4,1.12.14a), het dal ‘Jhwh spreekt recht’, voorbereidingen getroffen om bepaalde volken van rondom (4,10), nl. de mensenhandelaars van Tyrus en Sidon en de Filistijnen (4,4) en de ongastvrije inwoners van Edom en Egypte (4,19) te berechten om hun aandeel in het lijden van Juda.

Aan de start van een periode vol benauwende tekenen van het komende oordeel (Dag van Jhwh) laat Jhwh zijn Geest overvloedig regenen op heel zijn volk. Daarmee gaat hij een spa dieper dan de dodelijke droogte van het land: hij geneest de kernkwaal van zijn volk en neemt de harten van heel zijn volk volledig in beslag, betrekt Juda voluit bij zijn plannen en neemt ze in dienst als zijn spreekbuis voor de wereld. Zodat wie hulp zoekt tegen het oordeel, hoort dat er een schuilplaats te vinden is bij God in Sion. Het ambt van Johannes, en van Jezus (zijn opvolger, Mat.3,11 p.p.) en zijn leerlingen (Hand.2,33).

Aanwijzingen voor de prediking

Ingang voor de verkondiging kan zijn: Gods liefde is niet tevreden met het opheffen van onze honger en dorst, zijn diagnose van ons ongeluk gaat dieper. Hij geneest onze kernkwaal, de verwijdering tussen ons en hem. Hij maakt ons één met zichzelf, schitterend opgeroepen door Paulus als hij schrijft dat niets ‘ons zal kunnen scheiden van de liefde van God die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer’ (Rom.8,38-39). Tussen God en ons wordt alle ruimte helemaal opgevuld door Christus! Alles staat open tussen God en ons, we zijn een aanbouw aan het huis van God geworden, zijn Geest woont in Hem en ons.

Het hart van de preek mag liggen in 3,5. God sluit door zijn Geest zijn volk in zijn hart. Hij stelt het aan als profeet voor de volken, en komt zo de wereld te hulp tegen het oordeel. Het wereldpodium is niet voor het oordeel (het dal achter gesloten deuren) maar voor de redding bij God (de open deur van Sion). Er is voor mensen uit de volken niet alleen de route naar het dal ‘Jhwh spreekt recht’, maar ook die naar Jhwh’s schuilplaats in Sion / Jeruzalem. Als God zijn huis openzet voor mensen die zijn gevlucht voor zijn oordeel, kunnen de mensen die gered zijn, kunnen wij – met Christus – niet dicht blijven.

Het is niet moeilijk om hier de contouren van de vleesgeworden Sion (Kol.2,9), messias Jezus, en zijn leerlingen (1Kor.3,16) in te herkennen: de Geest van Jhwh is op hem, en hij zalft met de Geest zijn gemeente in Jeruzalem tot profeet voor de volken (Hand.2,33) om de route naar redding in zijn naam te openen, voor iedereen, zelfs voor mensen die Jhwh nooit hebben gezocht (Rom.10). En die route kan voor mijn naaste dus ook over mij lopen.

Ik zou me kunnen voorstellen dat je twee preken maakt over deze stof. Eén waarin de genezing van onze ‘hartkwaal’ centraal staat. En één die zich concentreert op God die ‘woning maakt’ bij ons.

Liturgische aanwijzingen

  • Voor een extra oudtestamentische schriftlezing kun je denken aan Jesaja 40:1-11 (‘de stem die roept’).

  • Voor een lezing uit het Nieuwe Testament kun je Romeinen 10 gebruiken (‘reddende, roepende genade’). Of 2 Tessalonicenzen 1,3-12 (de tekenen van Gods recht en het getuigenis van Jezus).

  • Het lied van Jan Wit bij Joël 2:21-24 en 3,1-5: ‘Vrees niet, gij land, verheug u en wees blijde’, LB 678.

  • Reddend recht: Psalm 96 (ook de versie van Psalmen voor Nu, ‘Zing een nieuw lied’).

  • God zegt het met tekenen. Die kunnen het donker maken, maar het licht van het evangelie niet uitdoven: Psalm 138; ‘O grote Christus, eeuwig licht’ (Gereformeerd Kerkboek 134) of ‘O Christus die de zonne zijt’ (LB 239).

  • De oase als concreet evangelie, Gods groene spoor in de woestijn: Psalm 85.

  • De kern van het nieuwe geluk: God in Israëls midden, een nieuwe band zonder breukrisico: Liedboek 902 ‘Is God de Heer maar voor mij’; Gereformeerd Kerkboek 32 ‘Het is Gods goedheid en geduld’.

  • Nieuw uitzicht naar voren (ouderen met visioenen!): Psalm 130, Gereformeerd Kerkboek 80 ‘O Heiland, open wijd de poort!’, LB 641 ‘Jezus leeft en ik met Hem’.

  • De lofzang van Zacharias: Liedboek 158a (vers 2!); Gereformeerd Kerkboek 48 (vers 3!)

  • Liederen over thuis zijn bij God.

  • Liederen en belijdenissen die de gemeente een vorm bieden de harten te openen voor God.

Geraadpleegde literatuur

Naast de in de eerste en in de tweede schets genoemde literatuur:

  • Eep Talstra, ‘Text, Tradition, Theology. The Example of the Book of Joel’, in: Eddy van der Borght

  • Paul van Geest (eds.), Strangers and Pilgrims on Earth. Essays in Honour of Abraham van de Beek, Leiden: Brill, 2011, 309-328.

< Terug