< Terug

MeToo in de Bijbel

Batseba in bad (2 Samuël 11)

En het geschiedde in de dagen dat het land vol rumoer was vanwege een tv-programma en het seksueel grensoverschrijdend gedrag van mannen tegenover vrouwen dat achter de schermen plaatsvond, dat er in het Nederlands Dagblad (28 januari 2022) een column verscheen van Almatine Leene. Zij schreef onder andere over David en de misse daad die hij pleegde tegenover Batseba (‘Hij dacht ermee weg te komen dat hij als olifant muis Batseba kon verkrachten’).

Bert Jasperse schrijft in reactie op bovengenoemde column een paar dagen later:

Enkel op basis van wat we kunnen lezen, zou je haar net zo goed een geraffineerde verleidster kunnen noemen. Maar ja, als man zie ik dat natuurlijk helemaal verkeerd en is dat vandaag de dag een hele foute exegese.
(ND – 2 februari 2022)

Ik laat de rest van de column van Leene hier achterwege, en wil graag kijken wat een exegese oplevert, bijvoorbeeld voor bijbellezers als Jasperse. Want die zegt wel dat hij exegetiseert, maar dat blijkt niet uit zijn bijdrage, waarin hij ook stelt:

Waar ik me altijd over verwonderd heb, is dat Batseba heel dicht in de buurt van het paleis gewoond moet hebben, want verrekijkers waren er nog niet, maar desondanks open en bloot in bad stapt. Ze moet geweten hebben dat ze zichtbaar was vanaf het dak van het nabijgelegen paleis.
(ND – 2 februari 2022)

Jasperse leest en verwondert zich. Dat mag een startpunt van exegese heten, maar meer ook niet.

Hebben vrouwen die seksueel worden misbruikt, zelf schuld? ‘Blaming the victim’ kan een veilige reactie zijn om een redeloze daad van een reden te voorzien: ‘Het is haar eigen schuld, had ze maar niet …’. Dat wordt (onder andere dus door Jasperse) ook gezegd van Batseba, vrouw van Uria, vrouw van David, moeder van Salomo: ‘Had ze maar niet moeten baden op een zichtbare plek, dan had David haar niet gezien, en dan had hij niet …’.

In bad

Batseba (de betekenis van de naam is niet zeker: ‘zevende dochter’, ‘dochter van overvloed’, ‘dochter van de eed’) doet haar intrede in het verhaal in een voor de hedendaagse lezer ongebruikelijk enscenering. De koning ziet haar baden. Hoe kan dat?

Koning David, de legeraanvoerder die thuis bleef in plaats van zijn troepen aan te voeren zoals het een vorst betaamt, ziet het gebeuren vanaf het dak van zijn hoger gelegen paleis.

Batseba baadt in een miqwe (letterlijk: ‘waterverzameling’), een bad. Een vrouw voert na de menstruatie een reinigingsritueel uit in de miqwe: door onderdompeling wordt zij cultisch rein. Een miqwe is een gesloten ruimte, soms met lichtopening om daglicht binnen te laten. Het koninklijk paleis ligt hoger dan de miqwe. David wordt hier getekend als gluurder die tussen de gordijnen doorkijkt.

Wat hij ziet, wekt zijn belangstelling. Hij vraagt naar de identiteit van de vrouw, en hij krijgt deze in al haar reikwijdte te horen: ‘Batseba, de dochter van Eliam, de vrouw van Uriah de Hethiet’.

Van meet af aan is hiermee duidelijk dat deze vrouw een ander toebehoort en voor hem verboden gebied is. Maar hij beslist anders. Hij laat haar halen en slaapt met haar.

De verteller geeft daarna aan dat ze zich zojuist van haar onreinheid had gezuiverd. Dat betekent dat Batseba na haar menstruatie had gebaad in de miqwe. Hiermee is niet alleen gezegd dat een seksuele ontmoeting met deze vrouw cultisch gezien in orde was, maar dat Batseba ook in haar vruchtbare periode was. David nam een groot risico!

Wie wordt vader?

Korte tijd na de ontmoeting laat Batseba weten dat ze zwanger is. David bedenkt een plan. Zijn eerste idee is Uriah de kans te geven bij zijn vrouw te slapen; dan is hij de vader van het kind. Dat mislukt: Uria kiest ervoor bij zijn manschappen te blijven en bezoekt zijn vrouwen niet – zoals het hoort voor een deelnemer aan een heilige oorlog.

Daarna neemt David een roekeloze maatregel: Uria moet verdwijnen. David laat hem opstellen op een gevaarlijke plek in de strijd. En het lukt: Uria sneuvelt in de heilige oorlog.

Na de rouwperiode neemt David Batseba tot vrouw en ze baart hun zoon. Het kind wordt ziek. David bidt tot God om redding (Psalm 51 wordt aan hem in deze situatie toegeschreven). De baby sterft echter, als gevolg van de wandaad van David. Want, zo zegt de profeet Nathan tegen David:

Omdat u de vijanden van JHWH aanleiding hebt gegeven tot laster, moet uw pasgeboren zoon sterven.
(2 Samuël 12:14)

Vanuit het perspectief van David is de straf voltrokken, en is de boete gedaan. Ook nu voltrekt de geschiedenis zich aan Batseba. Eerst kon zij niet ontsnappen aan de koning die zijn lusten op haar had gezet, nu kan ze niet ontsnappen aan de straf die David moet ondergaan. Het is immers ook haar zoon die sterft. David troost zijn vrouw Batseba, slaapt met haar en ze krijgt een zoon, Salomo (in deze naam is shalom, ‘vrede’ te herkennen).

Rembrandt van Rijn. Batseba met de melding dat haar man Uria is omgekomen, 1654.
Rembrandt van Rijn. Batseba met de melding dat haar man Uria is omgekomen, 1654.
(Het Louvre, Parijs)

Vrouw van de koning

Het verhaal rondom de verbintenis tussen de vrouw en de koning begint en eindigt met twee verzen waarin de naam Batseba klinkt (11:3 en 12:24). De eerste keer is het in de vraag naar haar identiteit: ‘Is dat niet Batseba, de dochter van Eliam, de vrouw van Uriah de Hethiet?’. De tweede keer is het een constatering, waarin duidelijk wordt dat de vrouw in kwestie naar een andere man is ‘overgegaan’: ‘Toen troostte David Batseba, zijn vrouw’.

Daartussen beweegt zich het verhaal van een koning die zich niet kan beheersen als hij een mooie vrouw ziet baden en haar koste wat kost wil hebben.

De omkeer in de identificatie van Batseba ligt in de dood van hun zoontje. Eerst is er sprake van ‘de vrouw van Uria’ die David een zoon had gebaard. Na de dood van de baby troost David ‘zijn vrouw Batseba’. Batseba is nu de vrouw van de koning.

‘Die van Uria’

De schanddaad van de grote koning David blijft in herinnering tot in lengte van dagen. Daar zorgt Matteüs wel voor.

In de genealogie van Jezus die Matteüs geeft in het begin van zijn evangelie, wordt Batseba genoemd als voormoeder (Matteüs 1:6). Maar niet met haar eigen naam. Ook niet met de naam van David, haar tweede echtgenoot. Ze wordt genoemd ‘die van Uria’: zo wordt de misstap van David in deze geslachtslijst voor alle komende geslachten gememoreerd. David leek de ware koning te zijn, maar hij was het niet.

In het verhaal is Batseba tegelijkertijd schaduwfiguur én aanleiding voor de gebeurtenissen die zich ontrollen na de miqwe-scène. Als echtgenote van koning David ontwikkelt ze zich tot een invloedrijke vrouw aan het hof, die op eigen wijze politiek bedrijft (lees 1 Koningen 1:11 en verder). Ze maakt het beste uit wat haar overkomen is.

Tot slot

Een man die zich niet kan beheersen en een vrouw die daar slachtoffer van wordt. We lezen het in de bijbel, we hebben ermee te maken in de samenleving. Toen ik eens een avond verzorgde over het verhaal rondom Batseba, vertelde een aanwezige mij dat dit verhaal haar vertrouwd voorkwam: toen zij nog in Indonesië woonde, was het algemeen bekend dat als Soekarno zijn oog had laten vallen op een meisje, er geen sprake kon zijn van een ‘nee’. De president bepaalde, net als koning David bepaalde. En die juryleden van The Voice. En die directeur in het betaald voetbal. En die politicus… en die… en die…

Deze bijdrage is een actualisatie van de tekst die eerder is verschenen als ‘Batseba in bad’, in: M. Vermeij (eindredactie), Allemaal vrouwen, 21 bijbelse portretten. Heerenveen: Jongbloed, 2012 (68-73).

Willien van Wieringen is neerlandicus en theoloog. Zij is werkzaam als docent Oude Testament en Hebreeuws aan de ‎Fontys Hogeschool Theologie Levensbeschouwing in Utrecht.


< Terug