Menu

Premium

Preekschets Marcus 11:9 en 15:31 – Palmzondag

Anderen heeft hij gered, maar zichzelf redden kan hij niet. (Marcus 15:31)

Gezegend hij die komt in de naam van de Heer (Marcus 11:9)

Schriftlezingen: Marcus 11:1-11 en Marcus 15:22-47
Kernteksten: Marcus 11:9 en 15:31

Zie ook

Het eigene van Palmzondag

Met Palmpasen begint de Stille Week. Er gebeurt veel in die week: de intocht in Jeruzalem, onderricht in de tempel, de instelling van het Heilig Avondmaal in de bovenzaal, het intensieve gebed en de arrestatie in Getsemane aan de voet van de Olijfberg, het verhoor bij Kajafas, de ondervraging bij Pilatus op Gabbatha, de kruisiging op Golgotha en de begrafenis in de Hof van Arimatea. Al die namen van plaatsen en mensen geven concreet aan, waar en hoe en met welke bijrolspelers het verzoenend sterven van Jezus heeft plaats gevonden. Het is in een aantal gemeenten gebruikelijk, dat de kinderen met palmpasenstokken de kerk in lopen na de nevendienst. De stokken kruiselings met o.a. slingers, een broodhaantje (verwijzing naar Petrus), 30 rozijntjes (verwijzing naar Judas) en 12 Nibbit rings (verwijzend naar de leerlingen van Jezus). Alles wijst op Jezus ‘ roeping: zijn komen en het kruis van Golgotha.

Uitleg

Het is een contrast: de feestelijke intocht met zang uit Psalm 118 en de minachtende en spottende houding van hoofdschuddende mensen (Psalm 22) aan de voet van het kruis. Dat contrast laat zien waartoe een mens in staat is: eerst superenthousiast en later opgefokt en stijlloos. Toch is het goed om te blijven zien, dat Marcus de overgave aan het kruis vooral beschrijft als de levensgang van Koning Jezus, die heel anders koning is dan de machthebbers van deze wereld – die hebben ook alleen maar hun domein in de wereld…

Vers 22-24

De soldaten hebben een hele reeks van schertseerbewijzen voor Jezus in petto: purperen mantel, doornenkroon, Hem hulde brengen met ‘wees gegroet, koning der Joden’, Hem met een riet op het hoofd slaan, Hem bespuwen, op de knieën vallen en voor hem buigen. Op de Schedelplaats geven ze Hem nog wijn met mirre (ter verdoving?), maar Jezus gaat niet mee in de scherts. Hij draagt zijn lijden ernstig en koninklijk. Als Jezus gekruisigd is, komt nog het verdelen van zijn kleren (vgl. Psalm 22:19). Men kan niet wachten de buit van een overwonnen koning, terwijl hij nog leeft, te verdelen. Het is na quasi-eerbied nu pure minachting hier.

Vers 25-28

Marcus noemt een concreet tijdstip: het derde uur, 09.00 uur. Johannes noemt in zijn Evangelie omstreeks het zesde uur, rond 12.00 uur. Dat is niet hetzelfde. Wat wel hetzelfde is: een concreet tijdstip. Het gaat nadrukkelijk om een historische gebeurtenis. Samen met de opstanding vormt de kruisiging het heilsfeit bij uitstek. De kruisigingdood is heeft de menselijke kant van moord. Maar de binnenkant is het offer van de verzoening, waardoor onze wereld en ons leven voor het aangezicht van God kunnen bestaan. De waarneembare kant geeft ook weer herinnering aan oude teksten: naast twee rovers – bij wettelozen gerekend (Jesaja 53:12); voorbijgangers – ze schudden hun hoofden (Psalm 22:8).

Vers 29-32

Na de spot van de soldaten zetten de voorbijgangers de lastering van Jezus voort. Hosanna, kruisig Hem – ’t blijft allemaal nagalmen op Golgotha. Ze zien in Hem een machteloze met een te grote verbeelding, meer is het niet. Ze kennen de beschuldiging wel: de tempel afbreken en in drie dagen opbouwen. ‘Red jezelf en kom van dat kruis af.’ Het lijkt een advies om de goddelijke macht nu te gebruiken. Marcus typeert het als laster met een plagerig oordeel, dat Jezus helemaal niet over goddelijke macht kan beschikken. Als derde groep van lasteraars zien we de overpriesters in hun beraadslaging de spotternij nog even tandje hoger zetten. Maar in de bespotting ‘anderen heeft Hij gered…’ zit een onbedoelde waarheid, want de naam ‘Jezus’ betekent ‘Redder’ en ‘De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was’ (Lucas 19:10).

De wetgeleerden noemen de titels van Jezus wel: Messias, koning van Israël, maar er is geen ontzag hiervoor. Het geheim van Jezus is niet in goede handen bij soldaten, voorbijgangers en schriftgeleerden. Tenslotte lasteren de mede-gekruisgden Hem ook.

Het laat zien, hoe alleen Jezus is. Wie kan Hem naar waarde schatten? Die niet spot en niet voortijdig oordeelt, maar luistert en er open voor staat, dat Heilige Geest ons Jezus’ messiaanse roeping van Godswege doet verstaan en daar geloof aan hecht.

Vers 33-39

Het wordt donker –drie uren lang. Het accentueert de verlatenheid van Jezus. Ook hier kan gedacht worden aan het Oude Testament. In Amos 8: 9-10 lezen we, hoe de zon op de middag zal schuilgaan en dat liederen in klaagzang omslaan.

Eloï, mijn God, niet Elia, wat sommige omstanders denken. Maar Elia was wel de voorbode van de Messias bij de profeet Maleachi (3:23). Zo klinken hier bijzondere klanken. Jezus geeft in zijn laatste stemgeluid klank aan de voleinding van zijn aardse lijden. Niet onopgemerkt blaast hij de laatste adem uit, niet verzwakt is Hij.

Het voorhangsel van de tempel scheurt van boven af. Zo wordt de toegang tot het binnenste heiligdom van God ontsloten. Zo mogen we recht in Gods Vaderhart kijken, dat uit liefde warm klopt voor iedereen, want Hij wil vinden ook wie Hem niet zoekt.

De Romeinse hoofdman staat verbaasd te kijken naar wat hij ziet. Deze Romeinse overheidsdienaar belijdt de Romeinse godsdienst en is dus buitenstaander van dit religieus getinte proces, dat politiek is gemaakt. Deze man ziet in het sterven van Jezus iets groots: onder algemene spot sterft niemand minder dan Gods Zoon.

Vers 40-47

Pilatus gunt Jezus een verzorgde begrafenis. Josef van Arimatea raapt al zijn moed bijeen. En Pilatus ontvangt hem en vraagt advies aan de centurio. Twee Maria’s zien nauwkeurig toe. Zouden ze alleen kijken? Zou er nog iets komen na de graflegging?

Aanwijzingen voor de prediking

Het is een uitdaging om op de zondag van Palmpasen de toonzetting voor de hele week te maken. Het begint met komen: feestelijk met gejuich van teksten die klinken in Psalm 118, met bedekte straten en een ezeltje die zo weg komt lopen uit Zacharia 9. Dat we gedurende deze hele week de indruk kunnen vasthouden, dat Jezus inderdaad is gekomen in de naam van de Heer! En dat de kruisiging daaraan niets afdoet, maar het heilsfeitelijke karakter van Jezus’ weg van het offer onderstreept!

Tegelijk maakt het karakter van Palmpasen duidelijk: wie Hij is, vereren ze niet en wie ze vereren is Hij niet. En dan de volksmassa, onberekenend is die. Mensenmenigten kunnen zomaar alle kanten opgaan. Dat is niet alleen bij verkiezingen zo, maar ook bij evenementen.

Het komen van Jezus (= Redder) als Messias is niet om een machtig aards imperium op te bouwen. Dat begrijpt niemand. Ook niet in de beschrijving van het Evangelie van Jezus Christus door Marcus. ‘Koning der Joden’ – dat is dubbelzinnig, scherts en ernst dooreen. ‘Herstelt u nu uw Koninkrijk, Heer’, is een vraag van intieme volgelingen van Jezus, die alle meemaken aan woorden en daden van Hem. Herkenbaar en navoelbaar. Zeker als je het onrecht, het geweld, de haat en de leugen in onze dagen serieus neemt. Maar Jezus zegt: ‘Ken je Mij nu nog niet, nu Ik zo lang bij jullie ben?’

Het komen van Jezus is ingewikkeld. Geen eenduidige beweging, maar even wonderlijk als eenvoudig, zoals Hij zelf niet eenduidig is: Zoon van God en Zoon des Mensen.

Maar Hij komt – in de naam van de Heer! Dat is het belangrijkste. Hij komt op een ezel. Hij komt aan het kruis. Hij komt om vergeving op aarde te brengen en om zijn stem in je hart te planten: ‘Kom tot Mij, als je vermoeid en belast bent en ik zal je rust geven.’ Hij komt om zijn reddend werk dat niet van deze aarde is te volbrengen, waartoe Hij gezonden is: verzoening tussen God en mens voor tijd en eeuwigheid. Wie kan dat bevatten? Zoals ook: wie kan zijn lijden ooit bevatten, want: ‘In deze zee verzinken mijn gedachten’.

Hij komt tegen de achtergrond van het getuigenis uit het Oude Testament in psalmen en profetieën. Hij is dus eigenlijk niet ‘los verkrijgbaar’ van Gods gang met Israël.

Liturgische aanwijzingen

Een gesprek met kinderen kan gaan over de ernst van plagen en bespotten. Daarmee kun je zoveel kapot maken bij een ander, dat de ander radeloos wordt. Voor Jezus is het toch aanleiding om de naam van de Here God aan te roepen: ‘Mijn God, mijn God’ – twee maal klinken die woorden. Als een roep om hulp. Tegelijk ook een erkenning van verlatenheid. Toch blijft de Here God: ‘Mijn God’. Dat je in een teleurgesteld gevoel van verlatenheid toch de hulp van God blijft inroepen. Is dat niet een signaal ook voor ons? Bij het gevoel van alleen zijn kun je eraan denken, dat God met je is.

Om te zingen: Psalm 24: 1,4,5; Psalm 22: 1,3,4,7; kinderlied: ‘Gezegend Hij, die komt’ (Hemelhoog 174); Gezang 177 (Liedboek van de kerken = lied 191, ‘Hemelhoog’), Lied 556, 557 en 558 (NLB 2013).

Literatuur

  • M.H. Bolkestein, Het Evangelie naar Marcus, De prediking van het Nieuwe Testament, Nijkerk 1977

  • C.J. den Heijer, Marcus, een praktische bijbelverklaring, Tekst en Toelichting, Kampen 1985

  • Jakob van Bruggen, Marcus. Het evangelie volgens Petrus, Commentaar op het Nieuwe Testament, derde serie, Kampen 1988

  • Naast de commentaren noem ik graag nog eens het bijzondere tweeluik van A.A. van Ruler, waarin meditaties voor de AVRO-radio zijn gebundeld, onder de naam Marcus 14 en Marcus 14, 15 & 10, 6, Kampen 1972

Wellicht ook interessant

None

Review Zo leefde Jezus van Raymond R. Hausoul

“Jezus leren kennen in zijn tijd”, zo helder is de opzet van Zo leefde Jezus van Raymond R. Hausoul. In dit boek neemt hij de lezer mee in een ontdekkingstocht naar de cultuur van 2000 jaar geleden, met als doel de wereld van Jezus meer tastbaar te maken.

Met dit project schaart Hausoul zich in een lange traditie van pogingen om Jezus te plaatsen in zijn joodse en mediterrane context. Een lange traditie, maar toch niet zo frequent aangeboord, dus in die zin een meer dan welgekomen studie. Wie vertrouwd is met bijvoorbeeld het Nieuwe Testament met joodse toelichtingen, zal een verwante beweging herkennen: weg van een tijdloze Jezus, terug naar een tijdperk van familiepatronen, dorpsstructuren, eer-schaamtecultuur, tempelpraktijken en rabbijnse discussies. De historische context is hier geen achtergronddecor, maar een gesprekspartner. Zijn behandeling van de Farizeeën is in dat opzicht exemplarisch: geen karikatuur van huichelachtige tegenstanders, maar een genuanceerde schets van een invloedrijke stroming binnen het jodendom, waar Jezus zich tegelijk toe verhoudt en zich tegen afzet.

De opbouw van het boek is overzichtelijk. Hausoul volgt het leven van Jezus in grote lijnen: beginnend bij Jozef en Maria en de geboorte, via zijn jeugd en publieke optreden, tot aan kruis en opstanding. Elk hoofdstuk zoomt in op een aspect van zijn leefwereld: familie, werk, onderwijs, religieuze praktijken, politieke spanningen. Bij veel verklarende passages geeft hij expliciet tekstreferenties; behulpzaam voor wie als predikant graag met de Bijbel open leest.

Hausoul schrijft toegankelijk-devotioneel. Geen droge exegese, maar uitleg die zowel denken als spiritualiteit wil voeden. Opvallend is dat hij niet krampachtig apologetisch te werk gaat. Zo leefde Jezus is geen betoog om elk detail waterdicht te bewijzen, en ook geen bijdrage aan de academische zoektocht naar ‘de historische Jezus’ in strikte zin. Hij laat de tekst tekst zijn, vult die aan met historische en culturele duiding en maakt zo het bijbelse getuigenis aannemelijk zonder het tot bewijsvoering te reduceren.

Op stijlvlak valt vooral de humor op. Hausoul doorspekt zijn boek met milde woordspelingen en knipooghumor. Hoofdstuktitels als CSI Betlehem: het kribbemysterie en vergelijkingen als ‘net zo onvindbaar als een originele sok na een wasbeurt’ zoeken de aansluiting bij de populaire cultuur en onze alledaagse ervaring. Af en toe duikt er een vondst op als ‘macho-moeras’, taal die een glimlach oproept en tegelijk iets typeert over het patriarchale overwicht uit die tijd. Voor lezers die die vorm van luchtigheid kunnen waarderen, leest het boek des te aangenamer; anderen nemen de kwinkslagen er gemakkelijk bij omwille van de inhoud. De toon lijkt op het eerste gezicht gericht op een

jongere generatie die de Bijbel serieus wil leren lezen, maar ook voor ervaren predikanten kan deze stijl verfrissend werken.

Inhoudelijk riep het boek bij mij geregeld associaties op met de commentarenreeks van zanger/theoloog Michael Card (zie zijn The Biblical Imagination Series, 2010-1014). Ook Hausoul verstaat de kunst om bijbelverhalen tegen het licht te houden van hun historische en culturele context, en zo de figuur van Jezus dichter bij hedendaagse lezers te brengen. Waar Card per evangelie werkt, kiest Hausoul voor een thematische en tegelijk levensloop-achtige verkenning van Jezus’ leefwereld. Dat maakt het boek goed bruikbaar als achtergrondliteratuur bij een prekenserie over Jezus, zonder vast te zitten aan één bijbelboek.

Een sterk punt is Hausouls omgang met bronnen. Hij is belezen; de bibliografie bevat zowel klassieke historische werken als recente literatuur, en de hoofdstukken zijn royaal voorzien van voetnoten. Exemplarisch is het beroep op Jacob Neusner. Dat onderstreept het respect voor de rijkdom van het rabbijnse jodendom en voor de noodzaak om Jezus niet los te maken van de joodse traditie, een signaal dat joodse stemmen voluit worden meegewogen en niet alleen illustratief worden gebruikt.

Opvallend in dat licht is het slothoofdstuk over de opstanding. Daar ontbreken bronverwijzingen vrijwel volledig en wordt de toon merkbaar persoonlijker. Dat deel leest meer als een getuigend slotakkoord dan als contextuele analyse, een keuze die duidelijk maakt dat dit boek niet alleen wil informeren, maar ook uitnodigend wil spreken over de kern van het evangelie.

Hausoul is zich ook bewust van hermeneutische valkuilen. Hij projecteert niet zonder meer latere kerkelijke dogma’s en debatten terug op de eerste eeuw . Tegelijk blijft een risico van dit soort contextuele werken dat de deur open kan gaan naar speculatieve of te voorbarige conclusies: van een detail in archeologie of sociale geschiedenis naar stellige uitspraken over ‘zo was het dus precies’. Hausoul weet dat meestal te vermijden, maar de lezer doet er goed aan het onderscheid te blijven maken tussen harde gegevens en plausibele, maar niet-verifieerbare invullingen.

Zijn manier van formuleren helpt daarbij. Met zinnen als ‘misschien heeft Jezus wel…’ nodigt hij uit tot verbeelding, zonder die als harde reconstructie te presenteren. Die verbeelding is doorgaans onderbouwd door bronnen, culturele context of intrabijbelse verwijzingen. Regelmatig licht hij een Grieks woord toe om een nuance te verduidelijken, zonder in technisch jargon te vervallen.

Een bijkomende troef is dat Hausoul Israël bezocht heeft en zijn boek voorziet van foto’s van relevante plaatsen. Dat is op zichzelf geen theologisch argument, maar het helpt lezers om de beschreven wereld visueel te situeren. Voor lezers die zelf een studiereis ondernamen, zal dit herkenbaar zijn; voor wie die kans nog niet had, is het een indirecte kennismaking met het landschap van de evangeliën.

Voor de praktijk van prediking en catechese is Zo leefde Jezus vooral interessant als contextuele hulpbron. Het biedt geen kant-en-klare preken, maar wel veel materiaal om bekende perikopen opnieuw te bekijken: hoe klonk dit in een dorpscultuur? Welke sociale spanning speelt op de achtergrond? Wat zegt dit over bevolkingsgroepen, familie, tempel, macht? Predikanten die bronnen willen kunnen naslaan, vinden hun weg in voetnoten en bibliografie.

Samenvattend: Zo leefde Jezus is een goed onderbouwd en prettig leesbaar boek dat de lezer helpt om Jezus in zijn eigen tijd te plaatsen, ten dienste van verkondiging en onderwijs vandaag. Inclusief de lichte toon en de talige vondsten, vind je hier een bruikbare gids door de wereld waarin het evangelie gestalte kreeg.

Nieuwe boeken