< Terug

Stille taal benadert de Onnoembare

Spreken en zwijgen over God in mystiek en filosofie: apofatische theologie

Mystici en filosofen zeggen hetzelfde als ze God onder woorden proberen te brengen. De mysticus zal in eerste instantie zwijgen. Daarna zoekt hij of zij naar woorden, maar alleen beeldtaal benadert God. Filosofen komen tot dezelfde conclusie: voor het wezenlijke schieten woorden tekort. Ze komen uiteindelijk uit bij een stille taal. Apofatische of negatieve theologie gaat ook hier vanuit: de oneindige God is niet in eindige taal te vatten.

Spreken over God: God is licht en donker.
(beeld: StockSnap, Pixabay)

Hoe proberen wij, mensen, God in woorden te vatten? Kan dat überhaupt, woorden plakken op het mysterie dat ons begrip zo te boven gaat? Negatieve theologie of apofatische theologie (van het Griekse apofèmi: ontkennen) is geneigd die laatste vraag met ‘nee’ te beantwoorden. Is het dan maar beter om te zwijgen in plaats van te spreken over God? Dat nou ook weer niet.

Een onderzoekje naar wat negatieve of apofatische theologie inhoudt, levert de volgende omschrijving op. De oneindige God is niet in eindige taal onder woorden te brengen. Maar omdat wij eindige mensen ons nu eenmaal van eindige taal moeten bedienen, gebruiken wij woorden voor God die getuigen van het besef dat God oneindig is. Dat kunnen negatieve, ontkennende woorden zijn: God is niet dit, God is niet dat. Het kunnen ook woorden zijn die iets oneindigs aanduiden: God is de stille hoogte. Of woordparen die een tegenstelling vormen: God is licht en donker. Tot slot kunnen we woorden gebruiken die tegelijk alles en niets zeggen, ‘wezenlijke’ woorden die alleen naar zichzelf verwijzen: God is de al-zijnde.

God is de stille hoogte

Spreken en zwijgen bij Jan van Ruusbroec

De Vlaamse mysticus Jan van Ruusbroec (1293-1381) gebruikt dit soort taal veelvuldig. In zijn teksten is goed te zien welke patronen er binnen het apofatische woordgebruik zijn. Straks meer voorbeelden daarvan, eerst nog iets over de soorten woorden die te onderscheiden zijn. Er zijn twee groepen woorden die de oneindigheid van God aanduiden.

Groep één: termen, woorden, symbolen en metaforen die duidelijk als beeld of als pars pro toto-aanduiding van God fungeren, en dus in die zin niet met God overeenkomen. Het zijn woorden die in een andere context niets met God te maken hebben. Groep twee: woorden die letterlijk in de essentie wèl met God overeenkomen. Het zijn geen beelden, geen symbolen, maar woorden die rechtstreeks verwijzen naar Gods wezen, Gods zijn.

Spreken over God: God is een uitgestrekte woestijn.
(beeld kolibri5, Pixabay)

Beeldwoorden

Binnen de eerste groep kun je onderscheid maken tussen oneindige woorden, ontkennende woorden en sterk bevestigende woorden. De oneindige woorden hebben soms een ruimtelijke uitgestrektheid, in horizontale of in verticale richting. Andere zijn in zichzelf oneindig.

Bijvoorbeeld: oneindige horizontale woorden die Ruusbroec gebruikt, zijn (uit het Middelnederlands vertaald naar het hedendaags Nederlands): God is een uitgestrekte woestijn, God is een vloeiende en ebbende zee. Verticale woorden zijn: God is de afgrond, een draaikolk, grondeloosheid, hoogheid. Voorbeelden van in zichzelf oneindige woorden zijn: God is donkere stilte, duisterheid, eeuwigheid, eeuwige ledigheid.

Sommige woorden zijn in zichzelf oneindig

Ontkennende begrippen die Ruusbroec voor God gebruikt, zijn: onbegrijpelijk, bepaaldloos, zonder redenering, onbekend. En onghenaemtheid: onnoemelijkheid. Uitdrukkingen die juist sterk bevestigend werken, zijn: zaligheid, wijsheid, waarheid, goedheid, edelheid.

Binnen die eerste groep woorden die niet direct met God overeenkomen, zien we ook tegenstellingen naast elkaar staan, tegenovergestelde woorden of begrippen die samen een oneindigheid weergeven. Zo schrijft Ruusbroec: ‘God heeft vele namen’, naast ‘God is onnoemelijk’. Of: ‘De afgrondelijke onbepaaldheid van God is zo duister en zo zonder bepaaldheid, dat zij in zich bevat alle Goddelijke bepaaldheden.’ Deze tegenstellingen zijn niet als plus en min tegen elkaar weg te strepen, maar komen samen op een hoger plan te staan, waar de lezer aanvoelt dat er iets boven-taligs aan de hand is. Het smaakt naar méér.

Spreken over God: God is een vloeiende en ebbende zee.
(beeld: Alexandr Potapov, Pixabay)

Essentie-woorden

Als tweede groep zijn er de woorden waarvan je zou kunnen zeggen dat ze wél met God overeenkomen. Ze verwijzen naar de essentie. Ze verwijzen zo naar zichzelf dat ze te vergelijken zijn met de bijbelse Godsnaam ‘Ik ben die Ik ben’. Ruusbroec gebruikt bijvoorbeeld: wezen, overwezen, isheid.

Mystici als Jan van Ruusbroec zullen wel met stomheid geslagen zijn, nadat zij een eenheidservaring met God hebben beleefd. Maar waar het hart vol van is, stroomt de mond van over. Ze zijn gaan spreken, schrijven. Ze zoeken met over elkaar heen klaterende woorden naar een weergave van die ontmoeting en van hoe God zich aan hen heeft geopenbaard. Ze voelen aan den lijve hoe ze dat ene alomvattende woord eigenlijk niet kunnen vinden. Er zijn ook schrijvers die dit fenomeen als fenomeen hebben beschreven. Laten we er een paar aan het woord laten.

De lezer voelt: dit is boven-talig

Spreken en zwijgen bij Augustinus

De theoloog, filosoof en kerkvader Augustinus (354-430) bijvoorbeeld. God overstijgt ons begrip, hij is absoluut transcendent en bezit geen menselijke eigenschappen, zo stelt hij. Daarom zou hij het liefste zwijgen over God: ‘Wat doen we? Zullen we zwijgen? Was dit maar toegestaan! Misschien zouden we door te zwijgen iets denken dat een onuitsprekelijke werkelijkheid waardig is. Want al wat uitgesproken kan worden, is niet onuitsprekelijk. Maar God is onuitsprekelijk.’ Het begin van de Godskennis is: begrijpen wat God niet is, zegt hij. ‘Onwetendheid getuigt van meer Godsverering dan ingebeelde kennis.’

Spreken en zwijgen bij Dionysius en Meister Eckhart

Dionysius de Areopagiet, een filosoof en theoloog uit de 5e eeuw, ziet de mystieke theologie als ‘een weg, die uitmondt in het zwijgend ingaan in het goddelijk geheim’.

De Nederlandse theoloog en filosoof Bert Blans schrijft over hem: ‘De methode van de negatieve theologie die Dionysius hanteert, maakt dat de weg die begaan wordt steeds minder woorden ter beschikking heeft, steeds sprakelozer wordt naarmate het duister zwijgen van God zelf dichterbij komt.’ Kennis van God krijgen ontstaat door toewending, schrijft Dionysius. Het Ene kennen gebeurt door ‘zuivere aandacht’. ‘Het gaat om een weg in het onbepaalbare en onbenoembare en misschien zelfs daaraan voorbij.’

Dat ene alomvattende woord is onvindbaar

Meister Eckhart (ca. 1260-1328), die je een negatief theoloog zou kunnen noemen, heeft tal van uitspraken in die sfeer op zijn naam staan. Twee ervan zijn: ‘God is noch goed, noch beter, noch het allerbeste. Wie zegt dat God goed is, doet Hem evenzeer onrecht, als wanneer hij de zon zwart zou noemen.’

‘God heeft geen naam. Alle namen die de ziel Hem geeft, ontleent zij aan haar eigen kenvermogen.’

Zwijgen over God: een puur gebed, zonder taal.
(beeld: Ri Butov, Pixabay)

Spreken en zwijgen bij Derrida

De Franse filosoof Jacques Derrida (1930-2004) hield zich bezig met taal en teksten. Een tekst wordt door de lezer niet op dezelfde manier opgevat als de schrijver hem bedoeld heeft. Hij vraagt zich af wat er gebeurt in dit communicatieproces. Kunnen we überhaupt wel de werkelijkheid, laat staan het mysterie van een hogere werkelijkheid onder woorden brengen? Alleen een negatieve toekenning kan God benaderen, kan voorbereiden tot een directe zwijgende aanschouwing van God. De onthulling van God gaat gepaard met een steeds schaarser worden van symbolen, tekens, ficties, mythen en poëzie. Aan het einde van die weg staat het zwijgend schouwen, zo schrijft hij.

Zullen we zwijgen?

Derrida is gefascineerd door de taalpraktijk van Dyonisius. Enerzijds spreekt Dyonisius in negaties, anderzijds in de vorm van een gebed, een lofprijzing. Derrida vraagt zich af of een puur gebed, een gebed zonder taal, mogelijk is. Nee, antwoordt hij zichzelf. Taal is wel gevaarlijk, maar wij kunnen niet zonder. Anders zouden ook theologie en het ‘doorfluisteren’ niet mogelijk zijn. Misschien dat er een zuiver gebed bestaat, maar dan pas ‘aan het einde der tijden’.

Spreken en zwijgen bij Marion

‘Marion stelt dat niet alleen geen enkel predicaat aan God toegekend kan worden, bovendien is het naar zijn oordeel onmogelijk van enig predicaat te ontkennen dat God eronder valt.’ Zo schrijft de Nederlandse filosoof Victor Kal in een artikel over Marion en negatieve theologie. De Franse filosoof Jean-Luc Marion (1946) heeft het over de Differente, de Ander, de zeer ver Verwijderde, en doelt daarmee op God. Hoe meer de mens de afstand tussen God en mens serieus neemt, des te meer is nabijheid mogelijk.

Een openbaring van God impliceert een schier oneindige afstand. ‘De ondenkbaarheid van God impliceert echter omgekeerd zijn buitengewone nabijheid. Want van de kant van God zal een woord kunnen klinken zonder dat wij eerst de woorden hoeven vinden.’

Hoe meer afstand, hoe meer nabijheid

De onmogelijkheid om iets te zeggen impliceert volgens Marion niet dat men er met betrekking tot God het zwijgen toe moet doen. Kal: ‘Onzegbaarheid betekent afstand. Het denken aan deze afstand en het verkeren in deze afstand vormen bij Marion precies het positieve, want effectieve uitgangspunt van waaruit de gezochte nabijheid tot God mogelijk is. De periode van onzegbaarheid is een zinvolle en onontbeerlijke omweg.’ Praat over de onzegbare als over de Onzegbare, stelt hij.

De kern van het spreken over God is voor Marion de lofprijzing. Een formule, die je keer op keer kunt zeggen, en volgens de traditie zelfs moet zingen. ‘Wanneer men haar zingt, hoort men de formule. Bij het horen nu is het bovendien mogelijk te luisteren naar wat men hoort. Dat zou je zolang kunnen doen, totdat in dit hoorbare gaat klinken wat niet meer hoorbaar is. […] Kennis over God wordt niet bereikt. God aanroepen en zegenen is God over zich afroepen.’

God goed noemen is als zeggen dat de zon zwart is.
(beeld: Markus Distelrath, Pixabay)

Mystici én filosofen: apofatische theologie

Het is intrigerend dat mystici, vanuit de praktijk van hun godsontmoeting, hetzelfde lijken te zeggen als de geciteerde theologen en filosofen, die voor je gevoel toch eerder theoretiserend te werk gaan. Wie een eenheidservaring met God heeft gesmaakt, zal in eerste instantie met stomheid geslagen zijn geweest. Maar daarna zoekt hij of zij naar woorden – getuige de enorme berg aan mystieke literatuur.

Alleen: het ware woord wil niet tevoorschijn komen. Het blijft een zoeken in stijlfiguren, in metaforen, in woorden die alles en niets tegelijk zeggen. Tegelijk zien we hoe theoretici tot dezelfde conclusie komen: voor het wezenlijke schieten woorden tekort. Hoe opvallend is het dat juist zij – van huis uit schrijvers en praters – uiteindelijk uitkomen bij een stille taal: die van de liturgie, van het zingen, van gebed, van lofprijzing. Mystici én filosofen komen uit bij apofatische theologie

Spreken over het wezenlijke of De Wezenlijke is niet slechts een taalspel of een analyse van woordgebruik. Er sluipt ontzag in, heiligheid. Het spreken omhult een diep zwijgen.

Margot C. Berends is theoloog, journalist, fotograaf, eind- en beeldredacteur van Herademing. Website: www.margotberends.com.

Literatuur

T.J. van Bavel, Spreken of zwijgen over God bij Augustinus, in: Tijdschrift voor Theologie, 37 (1997), p. 138.

Margot C. Berends, ‘In het noemen zet LICHT zich om in licht’. Een onderzoek naar apofatische theologie bij Jan van Ruusbroec aan de hand van het woord onghenaemtheid, Leuven, 2014.

Ilse Bulhof en Laurens ten Kate (red.), Ons ontbreken heilige namen, negatieve theologie in de hedendaagse cultuurfilosofie, Kok Agora, Kampen, 1992.

Meister Eckhart, Over God wil ik zwijgen, Historische Uitgeverij, Groningen, 2001.


< Terug